Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU3780

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-10-2005
Datum publicatie
05-10-2005
Zaaknummer
200408595/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 november 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Blaricum (hierna: het college) aan [vergunninghouder] bouwvergunning verleend voor het oprichten van een woning op het perceel [locatie], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], […].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Bouwregelgeving 2005/182
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200408595/1.

Datum uitspraak: 5 oktober 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [plaats], als erfgenaam van [overledene]

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 03/2850 WW 44 van de rechtbank Amsterdam van 2 september 2004 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Blaricum.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 21 november 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Blaricum (hierna: het college) aan [vergunninghouder] bouwvergunning verleend voor het oprichten van een woning op het perceel [locatie], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], […].

Bij besluit van 29 april 2003 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 september 2004, verzonden op 14 september 2004, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 20 oktober 2004, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 14 december 2004 heeft het college van antwoord gediend.

Bij brief van 15 november 2004 heeft de vergunninghouder een nader stuk ingediend. Deze is aan de andere partijen toegezonden.

Bij brief van 18 maart 2005 heeft appellant een nader stuk ingediend. Deze is aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 april 2005, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. P.J. Sandberg, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. P.J. Gómez-Peek en J. Heinen, ambtenaren bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is verschenen [vergunninghouder], bijgestaan door mr. J. Martens, advocaat te Hilversum.

Na het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend.

Er zijn nog stukken ontvangen van het college, appellant en vergunninghouder. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een enkelvoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een meervoudige.

De Afdeling heeft de zaak verder behandeld ter zitting van 25 augustus 2005, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. P.J. Sandberg, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. P.J. Gómez-Peek en J. Heinen, ambtenaren bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is verschenen [vergunninghouder], bijgestaan door mr. J. Martens, advocaat te Hilversum.

2.    Overwegingen

2.1.    Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de verbindingsweg naar het perceel Heideweg 5 waar de woning is voorzien niet voldoet aan de vereisten van artikel 2.5.3 van de Bouwverordening van de gemeente Blaricum (hierna: de bouwverordening). Daartoe betoogt appellant dat de weg niet is verhard en niet in overeenstemming is met de eisen van het te verwachten verkeer.

2.2.    Ingevolge artikel 2.5.3, eerste lid, van de bouwverordening moet, indien de toegang tot een bouwwerk dat voor het verblijf van mensen is bestemd, meer dan 10 meter is verwijderd van een openbare weg, een verbindingsweg tussen die toegang en het openbare wegennet aanwezig zijn die geschikt is voor verhuisauto's, vuilnisauto's, ziekenauto's, brandweerauto's en het overige te verwachten verkeer.

   Ingevolge artikel 2.5.3, tweede lid, van de bouwverordening moet een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste lid, tenzij de gemeenteraad voor de desbetreffende weg in een bestemmingsplan of in een verordening of anderszins voorschriften heeft vastgesteld, zijn verhard op een wijze die in overeenstemming is met de eisen van het te verwachten verkeer.

2.3.    Anders dan appellant betoogt, volgt uit artikel 2.5.3. van de bouwverordening niet de afzonderlijke eis dat een verbindingsweg verhard moet zijn in de zin van hetgeen daaronder volgens het algemeen spraakgebruik of de omschrijving van het ter plaatse geldende bestemmingsplan moet worden verstaan.

2.4.    Ter zitting van 25 augustus 2005 heeft de Afdeling op grond van de getoonde foto's van de situatie ter plaatse vastgesteld dat het perceel [locatie] vanaf de openbare weg te bereiken is door middel van een bosweg, die uitsluitend wordt gebruikt voor bestemmingsverkeer. Er is derhalve een verbindingsweg tussen het bouwwerk en het openbare wegennet aanwezig.

   De rechtbank heeft terecht overwogen dat niet is komen vast te staan dat deze verbindingsweg niet voldoet aan de eisen van het te verwachten verkeer. Appellant heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de verbindingsweg bereikbaar is voor onder meer hulpverleningsvoertuigen. In dit verband is van belang dat de samenstelling van het wegdek van deze verbindingsweg - te weten: mede door gebruik van de weg ingeklonken zand - niet zodanig verschilt van de samenstelling van het wegdek van de Heideweg, de openbare weg waarop de verbindingsweg aansluit, dat daaraan in het kader van de toepassing van artikel 2.5.3. van de Bouwverordening betekenis toekomt en voorts niet wordt betwist dat de Heideweg geschikt is voor verkeer en voertuigen als bedoeld in het eerste lid van genoemd artikel.

   Uit het vorenstaande volgt dat tussen de toegang van de woning en het openbare wegennet een verbindingsweg aanwezig is die is verhard op een wijze die in overeenstemming is met de eisen van het te verwachten verkeer als bedoeld in artikel 2.5.3 van de Bouwverordening. De rechtbank is derhalve terecht tot het oordeel gekomen dat deze bepaling niet aan verlening van de bouwvergunning in de weg stond.

2.5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. W. van den Brink en mr. B.J. van Ettekoven, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek    w.g. Lodder

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2005

17-430.