Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU3774

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-09-2005
Datum publicatie
05-10-2005
Zaaknummer
200506367/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 juli 2005, kenmerk 1111464/PM, heeft verweerder aan verzoekster een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van voorschrift 7.1 van de bij besluit van 3 oktober 1996 aan verzoekster verleende vergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer voor haar inrichting op het perceel [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2005/3545 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200506367/1.

Datum uitspraak: 29 september 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekster], gevestigd te [plaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 5 juli 2005, kenmerk 1111464/PM, heeft verweerder aan verzoekster een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van voorschrift 7.1 van de bij besluit van 3 oktober 1996 aan verzoekster verleende vergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer voor haar inrichting op het perceel [locatie] te [plaats].

Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt.

Bij brief van 19 juli 2005, bij de Raad van State ingekomen op 21 juli 2005, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 15 september 2005, waar verzoekster, vertegenwoordigd door ing. C.A.G. van der Heijden en bijgestaan door mr. M.R. de Jongh, en verweerder, vertegenwoordigd door M.M. Keltering-Schothuis, W.M.G. van Roosmalen en G.F.C. van Grunsven, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2.    Verweerder heeft een last onder dwangsom opgelegd omdat hij op basis van onder meer door hem op 28 oktober 2004 uitgevoerde geluidmetingen en -berekeningen heeft geconstateerd dat voorschrift 7.1 van de geldende revisievergunning wordt overtreden, nu gedurende de dagperiode de in dat voorschrift voorgeschreven equivalente geluidgrenswaarde met 5 dB(A) wordt overschreden.

   Verzoekster betwist dat voorschrift 7.1 wordt overtreden.

2.3.    De Voorzitter stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting vast dat de door verweerder uitgevoerde geluidmetingen en

-berekeningen betrekking hebben op nabootsingen van de representatieve bedrijfssituatie waarbij volgens verweerder geluidoverlast ontstaat, te weten de warmere perioden van het jaar met een temperatuur boven 25˚C. Hierbij is verweerder uitgegaan van een aantal aannames betreffende de capaciteit van de ventilatoren op stal zes, die door verzoekster worden bestreden. Daargelaten de juistheid van de betwiste aannames overweegt de Voorzitter dat verweerder geen daadwerkelijke overtreding van voorschrift 7.1 heeft vastgesteld. Nu onvoldoende vaststaat dat voorschrift 7.1 op enig moment daadwerkelijk is overtreden moet worden geconcludeerd dat verweerder in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht onvoldoende onderzoek heeft verricht naar zijn bevoegdheid tot het nemen van het bestreden besluit.

2.4.    Gezien het vorenstaande ziet de Voorzitter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.5.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 5 juli 2005, kenmerk 1111464/PM;

II.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij verzoekster in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Noord-Brabant aan verzoekster onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

III.    gelast dat de provincie Noord-Brabant aan verzoekster het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 276,00 (zegge: tweehonderdzesenzeventig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd    w.g. De Vink

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 september 2005

154-493.