Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU3768

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-10-2005
Datum publicatie
05-10-2005
Zaaknummer
200502247/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 november 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Meppel het uitwerkingsplan "Danninge Erve, uitwerkingsplan Zuid" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 10:27
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 10
Wet op de Ruimtelijke Ordening 11
Wet op de Ruimtelijke Ordening 15
Wet geluidhinder
Wet geluidhinder 82
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2005/3988
JOM 2007/324
OGR-Updates.nl 1001094
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200502247/1.

Datum uitspraak: 5 oktober 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Drenthe,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 16 november 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Meppel het uitwerkingsplan "Danninge Erve, uitwerkingsplan Zuid" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 7 januari 2005,

kenmerk RW/A10/2004011723, beslist over de goedkeuring van het uitwerkingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij fax van 15 maart 2005, bij de Raad van State ingekomen op 15 maart 2005, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 11 april 2005.

Bij brief van 8 juni 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 september 2005, waar appellanten, in de personen van [twee der appellanten], en verweerder, vertegenwoordigd door N. Scheeper, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is het college van burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door J. Vos en B. Diender, ambtenaren van de gemeente, gehoord.

2.    Overwegingen

Overgangsrecht

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

Toetsingskader

2.2.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een uitwerkingsplan. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), voorzover hier relevant, kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het plan moet worden uitgewerkt volgens bij het plan te geven regelen. Bij de beslissing over de goedkeuring van een uitwerkingsplan dient verweerder te toetsen of aan de bij het bestemmingsplan gegeven uitwerkingsregelen is voldaan. Ingevolge artikel 11, vierde lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) rust daarnaast op verweerder de taak om te bezien of het plan binnen de bij het bestemmingsplan gegeven regelen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Tevens heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Planbeschrijving

2.3.    Het uitwerkingsplan betreft een uitwerking van de bestemming "Woondoeleinden" van het bestemmingsplan "Danninge Erve" (hierna: het bestemmingsplan). Het uitwerkingsplan voorziet hoofdzakelijk in woningbouw en de daarbij behorende verkeersontsluiting.

Standpunt appellanten

2.4.    Appellanten stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Woongebouwen" tussen de woningen aan de [locaties 1 en 2] en aan het plandeel met de bestemming "Verkeers- en verblijfsdoeleinden".

Zij stellen dat hun individuele zienswijzen ten onrechte per onderwerp gegroepeerd zijn weergegeven en niet afzonderlijk zijn beantwoord. Voorts menen zij dat er geen reële toetsing door de gemeenteraad heeft plaatsgevonden over de invulling van het uitwerkingsplan. Verder stellen appellanten dat het voorzien in een woongebouw in het noorden van het plangebied in strijd is met eerder van gemeentewege verstrekte informatie. Zij menen dat het woongebouw afbreuk doet aan het karakter van de lintbebouwing, dat de bouw van een woongebouw in het lint in strijd is met eerder door het gemeentebestuur gehanteerd beleid en dat de maatvoering sterk afwijkend is van de bebouwing aan de Dorpsstraat. Voorts zou volgens appellanten een royale groenstrook tussen het woongebouw en de woning aan de [locatie 2] worden aangehouden. Dit is naar hun mening ten onrechte niet gebeurd, hetgeen leidt tot aantasting van hun privacy. Verder voeren appellanten aan dat de ontsluitingsweg ten onrechte niet in het midden van de gronden is voorzien. Daarnaast pleiten zij voor een andere ontsluiting dan op de Dorpsstraat. Zij voeren hiertoe aan dat de ontsluiting zoals in het plan is voorzien leidt tot verkeersonveilige situaties op de Dorpsstraat doordat het aantal verkeersbewegingen per dag toeneemt, er harder wordt gereden dan de toegestane 30 kilometer per uur en het zicht vanuit de nieuwe wijk op de Dorpsstraat slecht is door de daar aanwezige eiken. Daarnaast stellen appellanten dat in de akoestische rapporten ten onrechte wordt uitgegaan van een maximale snelheid van 30 kilometer per uur op de Dorpsstraat, aangezien ter plaatse veel harder wordt gereden. Tenslotte menen appellanten dat onvoldoende rekening is gehouden met de geluidsoverlast die zij ten gevolge van de gekozen ontsluiting zullen ondervinden alsmede dat de geluidsbelasting op de noordelijke gevel van het woongebouw te hoog is.

Standpunt verweerder

2.5.    Verweerder heeft de plandelen niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft daaraan goedkeuring verleend. Hij stelt dat het uitwerkingsplan voldoet aan de uitwerkingsregels van het bestemmingsplan en dat voldaan is aan de procedurele eisen. Daarnaast meent hij dat het woongebouw goed in het lint is in te passen. Voorts stelt hij dat de hoofdontsluitingsweg binnen de genoemde 10 meter aan weerszijden van de op de bestemmingsplankaart aangeduide "hoofdontsluiting gemotoriseerd verkeer" valt. Verder voert hij aan dat uit het geluidsonderzoek blijkt dat ter hoogte van de noordelijke gevel van het nieuw te bouwen appartementencomplex een geluidswaarde van 52 dB(A) is gemeten. Hij stelt in dit verband dat bij de bouwaanvraag zal moet worden aangetoond hoe aan de eisen van het Bouwbesluit met betrekking tot geluid kan worden voldaan. Door bouwkundige aanpassingen kan een geluidsniveau van 35 dB(A) binnen het gebouw worden gehaald, zodat het Bouwbesluit de hoge geluidswaarde aan de noordelijke gevel ondervangt, aldus verweerder. Daarnaast stelt hij dat het college van burgemeester en wethouders nadere eisen kan stellen aan de plaats, afmeting en situering van de bebouwing ten behoeve van onder meer een goede woonsituatie. Hierdoor is het ook mogelijk om de noordelijke gevel van het woongebouw aan de Dorpsstraat door middel van deze nadere eisen iets verder naar achteren te plaatsen, waardoor de geluidsbelasting tot een acceptabel niveau wordt teruggebracht, aldus verweerder. Voorts stelt verweerder dat de afwikkeling van het verkeer uit de nieuwe wijk volgens metingen van de gemeente past binnen de groeimarge die er nog is voor de verkeerscapaciteit op de Dorpsstraat. De Dorpsstraat kan volgens verweerder als erftoegangsweg met een verzamelfunctie 6.000 motorvoertuigen per etmaal verwerken. De bezwaren gericht tegen de verkeerstechnische aspecten van de Dorpsstraat zelf en de afwikkeling van het bouwverkeer staan los van de beoordeling van het uitwerkingsplan, aldus verweerder.

Vaststelling van de feiten

2.6.    Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de WRO, voorzover hier van belang, kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat, tenzij de gemeenteraad zich daarbij een van deze bevoegdheden zelf heeft voorbehouden, het college van burgemeester en wethouders volgens bij het plan te geven regelen het plan moet uitwerken.

2.6.1.    In de reactie op de zienswijze is vermeld dat voor een groter bouwvolume bij de entree van de wijk is gekozen omdat dit beter past bij de bestaande bebouwing aan de Dorpsstraat dan een individuele woning. Daarnaast zal het woongebouw volgens het college van burgemeester en wethouders als schakel fungeren tussen de Dorpsstraat en de achterliggende wijk Danninge Erve Zuid.

2.6.2.    Aan de gronden waar het uitwerkingsplan op ziet is in het bestemmingsplan de bestemming "Woondoeleinden" toegekend.

Ingevolge artikel 16, lid A, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan zijn de gronden op de kaart aangewezen voor "Woondoeleinden" bestemd voor woningen, met daarbij behorende gebouwen, tuinen en erven, groen-, speel- en parkeervoorzieningen, (ontsluitings-)wegen, fiets- en voetpaden en andere bouwwerken.

Ingevolge lid B mag op de tot "Woondoeleinden" bestemde gronden uitsluitend worden gebouwd in overeenstemming met een door het college van burgemeester en wethouders vastgesteld en door het college van gedeputeerde staten goedgekeurd uitwerkingsplan.

Ingevolge lid C, voorzover hier van belang, werkt het college van burgemeester en wethouders de bestemming "Woondoeleinden" met toepassing van artikel 11 van de WRO nader uit met dien verstande dat van het totale aantal woningen ten hoogste 10% gestapeld mag worden, dat de hoogte van gestapelde woningen ten hoogste 10 meter bedraagt, dat de woningen binnen het bebouwingsvlak dienen te worden gebouwd, dat ten minste 10% van de oppervlakte van de bestemming "Woondoeleinden" dient te worden bestemd voor groen- en/of speelvoorzieningen en/of water, dat de hoofdontsluiting dient te worden gerealiseerd binnen een afstand van ten hoogste 10 meter ter weerszijden van de op de plankaart aangegeven aanduiding "hoofdontsluiting gemotoriseerd verkeer" en in de op de plankaart aangegeven richting en dat de overige wegen het karakter van woonstraat dienen te dragen en bij voorkeur dienen te worden ingericht als woonerf dan wel als 30 km-gebied als bedoeld in artikel 74, tweede lid, onder b, van de Wet geluidhinder.

De aanduiding "hoofdontsluiting gemotoriseerd verkeer" is op de bestemmingsplankaart door middel van een pijl ingetekend in het midden van het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden" dat aansluit op de Dorpsstraat.

Ingevolge lid D, onder 1, dienen de woningen zodanig te worden geprojecteerd dat de voorkeursgrenswaarde als bedoeld in artikel 82, eerste lid, van de Wet geluidhinder in acht wordt genomen. Deze voorkeursgrenswaarde is 50 dB(A).

2.6.3.    Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de planvoorschriften van het uitwerkingsplan, voorzover hier van belang, zijn de op de kaart voor "Woongebouwen" aangewezen gronden bestemd voor een woongebouw. Ingevolge het tweede lid, voorzover hier van belang, mag per bouwperceel 1 woongebouw met vier wooneenheden worden gebouwd, tenzij op de kaart anders is aangegeven, zal de goothoogte van een hoofdgebouw ten hoogste 6 meter bedragen en zal de hoogte van een hoofdgebouw ten hoogste 10 meter bedragen.

Ingevolge het derde lid, voorzover hier van belang, kan het college van burgemeester en wethouders nadere eisen stellen aan de plaats, afmeting en situering van bebouwing ten behoeve van een goede woonsituatie.

2.6.4.    Blijkens de plankaart van het uitwerkingsplan mogen ter plaatse van het woongebouw tussen de panden [locaties 1 en 2] maximaal zes wooneenheden worden gebouwd.

De hoofdontsluiting van het plangebied is voorzien aan de zijde van de Dorpsstraat.

De omvang van het bouwblok is 14 bij 40 meter. De kleinste zijde van het bouwblok is parallel aan de Dorpsstraat beoogd.

De naastgelegen woningen aan de Dorpsstraat zijn op een gelijke wijze ten opzichte van de Dorpsstraat gesitueerd.

De afstand tussen de woning aan de [locatie 2] en het in het plan voorziene woongebouw is 45 meter.

2.6.5.    Ingevolge artikel 74, eerste lid, van de Wet geluidhinder bevindt zich langs een weg een zone met een nader in dat artikellid aangeduide breedte. In het tweede lid, aanhef en onder b, is bepaald dat het eerste lid niet geldt met betrekking tot wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 kilometer per uur geldt.

2.6.6.    De Dorpsstraat is aangewezen als een weg waarvoor een maximum snelheid van 30 kilometer per uur geldt.

In het door Stroop raadgevende ingenieurs B.V. opgestelde akoestische rapport van 7 juli 2004, alsmede in haar aanvullende rapport van 27 oktober 2004, is de geluidsbelasting vanwege onder meer de Dorpsstraat op de gevels van de nieuwbouw bezien. In de rapporten staat dat slechts voor de noordelijke gevel van het woongebouw de waarde van 50 dB(A) vanwege de Dorpsstraat wordt overschreden.

2.6.7.    Ingevolge artikel 10 van de WRO, voorzover thans van belang, stelt de gemeenteraad een bestemmingsplan vast. Ingevolge artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b, van de WRO kan bij een bestemmingsplan worden bepaald, dat het college van burgemeester en wethouders met inachtneming van de in het plan vervatte regelen bevoegd zijn ten opzichte van in het plan omschreven punten nadere eisen te stellen.

Het oordeel van de Afdeling

2.7.    Appellanten hebben bezwaar gemaakt tegen de wijze waarop de gemeenteraad de ingediende zienswijzen heeft behandeld.

Artikel 3:46 van de Awb verzet zich er niet tegen dat de gemeenteraad de bezwaren samengevat weergeeft. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het besluit van de gemeenteraad niet voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken.

2.7.1.    Voorzover appellanten aanvoeren dat er geen reële toetsing heeft plaatsgevonden door de gemeenteraad overweegt de Afdeling dat de gemeenteraad in het bestemmingsplan in artikel 16, lid B, van de planvoorschriften het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid heeft gegeven de bestemming "Woondoeleinden" uit te werken door middel van een uitwerkingsplan. Nu de gemeenteraad deze bevoegdheid zichzelf niet heeft voorbehouden, behoeft ingevolge artikel 11 van de WRO geen nadere toetsing van het uitwerkingsplan door de gemeenteraad plaats te vinden.

2.7.2.    Het bestemmingsplan sluit niet uit dat gebouwd zal worden tussen de woningen aan de [locaties 1 en 2]. Ook een woongebouw zoals voorzien in het plan behoort tot de mogelijkheden. Niet is gebleken dat appellanten gezien de door hen bedoelde informatievoorziening van de zijde van de gemeente erop mochten vertrouwen dat geen bebouwing tussen de woningen zou worden voorzien.

Gelet op de plankaart is de omvang van het in het plan voorziene bouwblok ten behoeve van het plandeel met de bestemming "Woongebouwen" tussen de woningen aan de [locaties 1 en 2] niet veel groter dan een aantal van de woningen aan de Dorpsstraat die er direct naast staan. Verweerder heeft in redelijkheid ervan uit kunnen gaan dat de maatvoering van het woongebouw past binnen de lintbebouwing aan de Dorpsstraat en dat het bouwen in het lint geen afbreuk doet aan het karakter van het lint. Verweerder heeft hierbij belang kunnen hechten aan het gemeentelijke uitgangspunt dat het woongebouw als schakel kan fungeren tussen de bebouwing aan de Dorpsstraat en de in het uitwerkingsplan voorziene wijk Danninge Erve Zuid. Appellanten hebben voorts geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat het gemeentelijke beleid erop is gericht dat niet gebouwd mag worden in een bestaand lint.

Gelet op de afstand tussen het woongebouw en de woning aan de [locatie 2] alsmede de maximale hoogte van het woongebouw heeft verweerder in redelijkheid ervan uit kunnen gaan dat de privacy van de bewoners van die woning niet ernstig wordt aangetast. Daarnaast komt niet uit de stukken naar voren dat naast de woning aan de [locatie 2] een bredere groenstrook zou worden aangelegd dan waarin thans wordt voorzien.

2.7.3.    Gezien de omstandigheid dat voor de Dorpsstraat een maximale snelheid van 30 kilometer per uur geldt, behoefde op grond van de Wet geluidhinder geen akoestisch onderzoek te worden ingesteld. Desalniettemin zijn in opdracht van het gemeentebestuur de voornoemde akoestische rapporten opgesteld. Niet is gebleken dat aan deze rapporten zodanige gebreken kleven dat verweerder zich hierop bij het nemen van zijn besluit niet had mogen baseren. Bij de berekeningen in het rapport is terecht uitgegaan van de aanname dat op de Dorpsstraat maximaal 30 kilometer per uur wordt gereden, aangezien voor de Dorpsstraat een maximale snelheid van 30 kilometer per uur geldt. De omstandigheid dat in de praktijk harder wordt gereden dan 30 kilometer per uur, wat hier ook van zij, kan aan het vorenstaande niet af doen. Dat daadwerkelijk de maximale snelheid wordt aangehouden op de Dorpsstraat is een kwestie van handhaving en uitvoering en kan in dit kader niet aan de orde komen.

Zoals reeds is overwogen, geldt blijkens de akoestische rapporten op de noordelijke gevel van het woongebouw een hogere waarde dan 50 dB(A) vanwege de Dorpsstraat. Dit is derhalve meer dan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) die in artikel 16, lid D, onder 1, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan gelezen in samenhang met artikel 82, eerste lid, van de Wet geluidhinder wordt gesteld. Het uitwerkingsplan voldoet in zoverre niet aan de bij het bestemmingsplan gegeven uitwerkingsregels. Verweerder stelt weliswaar dat kan worden voldaan aan de binnenwaarde van 35 dB(A) die in het Bouwbesluit wordt genoemd, doch de Afdeling acht dit niet voldoende, aangezien dit onverlet laat dat de buitenwaarde hoger is dan 50 dB(A). Voorzover verweerder meent dat de strijd met de uitwerkingsregels wordt ondervangen door de in artikel 3, derde lid, van de planvoorschriften opgenomen mogelijkheid tot het stellen van nadere eisen aan de plaats en situering van de bebouwing ten behoeve van een goede woonsituatie overweegt de Afdeling als volgt.

Uit de bewoordingen van de artikelen 10 en 15, eerste lid, aanhef en onder b, van de WRO moet worden opgemaakt dat slechts de gemeenteraad in een bestemmingsplan de bevoegdheid voor het college van burgemeester en wethouders kan creëren om nadere eisen te stellen. Daarbij kan de gemeenteraad bepaalde regels geven die het college van burgemeester en wethouders daarbij in acht moeten nemen. In het aan het uitwerkingsplan ten grondslag liggende bestemmingsplan is niet een bevoegdheid tot het stellen van nadere eisen opgenomen. Evenmin heeft de gemeenteraad uitdrukkelijk de mogelijkheid gecreëerd dat het college van burgemeester en wethouders in het uitwerkingsplan een bevoegdheid tot het stellen van nadere eisen kan opnemen. Het college van burgemeester en wethouders had derhalve in het uitwerkingsplan geen regeling mogen opnemen waardoor nadere eisen kunnen worden gesteld aan onder meer de plaats en situering van de bebouwing. Het niettemin opnemen van een dergelijke regeling is in strijd met artikel 15, eerste lid, van de WRO zodat het planvoorschrift niet voor toepassing in aanmerking kan komen. Het betoog van verweerder ten aanzien van de mogelijkheid tot het stellen van nadere eisen faalt derhalve, zodat het uitwerkingsplan onverminderd niet voldoet aan de bij het bestemmingsplan gegeven uitwerkingsregels.

2.7.4.    De ontsluiting van het plangebied via de Dorpsstraat is reeds in het bestemmingsplan voorgeschreven. Hoewel de aanduiding "hoofdontsluiting gemotoriseerd verkeer" in het midden van de gronden die aansluiten op de Dorpsstraat door middel van een pijl op de bestemmingsplankaart is ingetekend, betekent dit niet dat de ontsluiting ook daadwerkelijk op die plaats dient te worden uitgevoerd. Ingevolge artikel 16, lid C, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan is immers een marge van 10 meter aan weerszijden van de voornoemde aanduiding toegestaan. De Afdeling is in dit geval, gelet op de aanduiding in samenhang met artikel 16, lid C, van de planvoorschriften, van oordeel dat voor het bepalen van de marge gemeten dient te worden vanuit de middenlijn van de pijl. De afstand tussen de middenlijn van de pijl en de plangrens aan de zijde van [locatie 2] is 26 meter. Rekening houdend met een marge van 10 meter dient de afstand tussen de ontsluitingsweg en de plangrens aan de zijde van [locatie 2] minimaal 16 meter te zijn. De afstand tussen de ontsluitingsweg en de plangrens aan de zijde van [locatie 2] in het uitwerkingsplan is evenwel 4 meter. Het uitwerkingsplan voldoet in zoverre niet aan de bij het bestemmingsplan gegeven uitwerkingsregels.

2.7.5.    Gezien het voorgaande heeft verweerder door goedkeuring te verlenen aan het plandeel met de bestemming "Woongebouwen" tussen de woningen aan de [locaties 1 en 2] en aan het plandeel met de bestemming "Verkeers- en verblijfsdoeleinden" in strijd gehandeld met artikel 11 van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Awb.

Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met voornoemde artikelen voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan genoemde plandelen.

Hieruit volgt dat er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om goedkeuring te onthouden aan deze plandelen.

Gelet hierop behoeven de overige bezwaren geen bespreking.

Proceskosten

2.8.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Drenthe van 7 januari 2005, kenmerk RW/A10/2004011723, voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Woongebouwen" tussen de woningen aan de [locaties 1 en 2] en het plandeel met de bestemming "Verkeers- en verblijfsdoeleinden";

III.    onthoudt goedkeuring aan de onder II. genoemde plandelen;

IV.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit voorzover dit is vernietigd;

V.    gelast dat de provincie Drenthe aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 136,00 (zegge: honderdzesendertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren    w.g. Neuwahl

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2005

280-409.