Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU3398

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-09-2005
Datum publicatie
28-09-2005
Zaaknummer
200501093/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 december 2004 heeft verweerder aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een vleesvarkens- en vleeskuikenhouderij gelegen op het perceel [locatie 1] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummers [...]. Dit besluit is op 23 december 2004 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.4
Wet milieubeheer 8.10
Wet milieubeheer 8.11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2005, 118K
Milieurecht Totaal 2005/91
JM 2006/5 met annotatie van Bokelaar
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200501093/1.

Datum uitspraak: 28 september 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats], gemeente [plaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Mill en Sint Hubert,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 7 december 2004 heeft verweerder aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een vleesvarkens- en vleeskuikenhouderij gelegen op het perceel [locatie 1] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummers [...]. Dit besluit is op 23 december 2004 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 3 februari 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag per telefax, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 4 maart 2005.

Bij brief van 6 april 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 augustus 2005, waar appellant in persoon en bijgestaan door mr. G.R.A.G. Goorts, advocaat te Deurne, en verweerder, vertegenwoordigd door J.H. Maessen, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is vergunninghouder, in persoon en bijgestaan door [gemachtigde], daar als partij gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

2.2.    Appellant heeft de grond dat het bestreden besluit onduidelijk is geredigeerd omdat bijvoorbeeld de tabellen op bladzijde 5 en 6 niet zijn voorzien van een zogenoemde maataanduiding ter zitting ingetrokken.

2.3.    Appellant heeft betoogd dat verweerder bij het nemen van het bestreden besluit onvoldoende rekening heeft gehouden met de Richtlijn 96/61/EG van de Raad van de Europese Unie van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (hierna: de Richtlijn). In dit verband heeft hij aangevoerd dat de bestaande vleeskuikenstallen in de inrichting met een chemische luchtwasser hadden moeten worden uitgevoerd.

2.3.1.    Ingevolge artikel 1 van de Richtlijn, voorzover hier van belang, heeft deze richtlijn de geïntegreerde preventie en beperking van verontreiniging door de in bijlage I genoemde activiteiten ten doel.

   Ingevolge bijlage I, rubriek 6.6, aanhef en onder a, bij de Richtlijn geldt voor installaties voor intensieve pluimveehouderijen een drempelwaarde van meer dan 40.000 plaatsen.

   In artikel 9, derde lid, van de Richtlijn is bepaald dat de vergunning emissiegrenswaarden voor de verontreinigende stoffen bevat, met name die van bijlage III, die in significante hoeveelheden uit de betrokken installatie kunnen vrijkomen, gelet op hun aard en hun potentieel voor overdracht van verontreiniging tussen milieucompartimenten (water, lucht en bodem). Voorts is bepaald dat de vergunning, zo nodig, passende voorschriften bevat ter bescherming van bodem en grondwater, en maatregelen voor het beheer van de door de installatie voortgebrachte afvalstoffen. De grenswaarden kunnen volgens dit artikellid, zo nodig, worden aangevuld of vervangen door gelijkwaardige parameters of gelijkwaardige technische maatregelen. Voor de installaties van rubriek 6.6 van bijlage I wordt bij de overeenkomstig dit artikellid vastgestelde emissiegrenswaarden rekening gehouden met de aan die categorieën installaties aangepaste praktische regelingen.

   In artikel 9, vierde lid, van de Richtlijn is bepaald dat onverminderd artikel 10 de emissiegrenswaarden, de parameters en de gelijkwaardige technische maatregelen, bedoeld in het derde lid, zijn gebaseerd op de beste beschikbare technieken, zonder dat daarmee het gebruik van een bepaalde techniek of technologie wordt voorgeschreven, met inachtneming van de technische kenmerken en de geografische ligging van de betrokken installatie, alsmede de plaatselijke milieuomstandigheden. Voorts bepaalt dit artikellid dat de vergunningvoorwaarden in ieder geval de bepalingen bevatten betreffende de minimalisering van de verontreiniging over lange afstand of van de grensoverschrijdende verontreiniging en een hoog niveau van bescherming van het milieu in zijn geheel waarborgen.

   In artikel 16, tweede lid, van de Richtlijn is bepaald dat de Commissie de uitwisseling van informatie organiseert tussen de Lid-Staten en de betrokken bedrijfstakken over de beste beschikbare technieken, de daarmee samenhangende controlevoorschriften en de ontwikkelingen op dat gebied. De Commissie maakt ingevolge dit artikel de resultaten van de informatie-uitwisseling om de drie jaar bekend.

   In artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer is bepaald dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

   Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

   Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

   De artikelen 8.10 en 8.11, tweede en derde lid, van de Wet milieubeheer bieden de ruimte om te beslissen op een aanvraag om een vergunning met toepassing van die wet, waarbij geldt dat de vergunning de emissiegrenswaarden en/of gelijkwaardige parameters of gelijkwaardige technische maatregelen bevat, die zijn gebaseerd op de beste beschikbare technieken en waarbij de technische kenmerken en de geografische ligging van de betrokken installatie en de plaatselijke milieuomstandigheden in acht zijn genomen.

2.3.2.    De in het geding zijnde vergunning heeft onder meer betrekking op het houden van in totaal 47.000 vleeskuikens. Nu meer dan 40.000 stuks pluimvee in de inrichting worden gehouden valt de inrichting, gelet op artikel 1 van de Richtlijn in samenhang bezien met rubriek 6.6, aanhef en onder a, van bijlage I behorende bij deze richtlijn onder de werkingssfeer van de Richtlijn.

   Op grond van de geldende op 25 september 1990 verleende revisievergunning krachtens de Wet milieubeheer mogen binnen de inrichting 26.000 vleeskuikens worden gehouden. Nu eerst met de bij het bestreden besluit verleende vergunning meer dan 40.000 stuks pluimvee binnen de inrichting mogen worden gehouden, is er sprake van een nieuwe installatie in de zin van de Richtlijn en bijgevolg geen sprake van een bestaande installatie in de zin van artikel 2, aanhef en onder 4, van de Richtlijn. Dit houdt in dat het in artikel 9, derde en vierde lid, van de Richtlijn opgenomen beoordelingskader in het onderhavige geval van toepassing is.

2.3.3.    In juli 2003 is door de Europese Commissie het "Reference Document on Best Available Techniques for Intensive Rearing of Poultry and Pigs" (hierna: het BREF-document) bekend gemaakt. In dit BREF-document, dat de resultaten van de informatie-uitwisseling als bedoeld in artikel 16, tweede lid, van de Richtlijn bevat, is onder meer bepaald welke stalsystemen voor vleeskuikens voldoen aan de eis van de beste beschikbare technieken in de zin van de Richtlijn.

   Onbestreden staat vast dat het stalsysteem van de twee bestaande vleeskuikenstallen in de inrichting in het BREF-document is opgenomen als beste beschikbare techniek (paragraaf 5.3.2.2).

   Gelet hierop heeft verweerder zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat de vorenbedoelde aangevraagde en vergunde stallen voor het houden van vleeskuikens, en de daarbij behorende emissiegrenswaarden, zijn gebaseerd op de beste beschikbare technieken. Voorts ziet de Afdeling in het betoog van appellant dat een chemische luchtwasser had moeten worden voorgeschreven onvoldoende grond voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de technische kenmerken, de geografische ligging van de inrichting, alsmede de plaatselijke milieuomstandigheden, geen aanleiding geven om bij de beoordeling van de aanvraag te eisen dat de vergunning strengere emissiegrenswaarden (dan wel parameters of gelijkwaardige technische maatregelen) bevat dan de emissiegrenswaarden die optreden bij de thans vergunde inrichting. Verweerder heeft dan ook terecht de vergunning niet om deze reden geweigerd.

2.4.    Appellant vreest stankhinder van de inrichting waarvoor bij het bestreden besluit vergunning is verleend. Hij heeft aangevoerd dat verweerder de woning aan de [locatie 2] ten onrechte in categorie IV van de brochure Veehouderij en Hinderwet (hierna: de brochure) heeft ingedeeld. Voorts heeft hij aangevoerd dat de vergunning niet in haar geheel verleend kon worden nu het een zijns inziens zwaar overbelaste situatie uit het oogpunt van stankhinder betreft.

2.4.1.    Verweerder heeft bij de beoordeling van de stankhinder de Richtlijn veehouderij en stankhinder 1996 (hierna: de Richtlijn) gehanteerd, voorzover het de omrekeningsfactoren en de afstandsmeting tot voor stank gevoelige objecten betreft. Bij de bepaling van de omgevingscategorieën heeft hij de brochure gehanteerd.

   Verweerder meent dat de vergunningverlening kan worden gerechtvaardigd met een beroep op de rechten die vergunninghouder kan ontlenen aan de onderliggende vergunning.

2.4.2.    Vaststaat dat, ongeacht of de woning aan de [locatie 2] in categorie III of IV van de brochure moet worden ingedeeld, niet aan de in de Richtlijn voorgeschreven minimaal in acht te nemen afstand wordt voldaan. De Afdeling stelt aan de hand van de stukken en het verhandelde ter zitting vast dat het aantal mestvarkeneenheden ten opzichte van de onderliggende vergunning afneemt. Voorts is ter zitting gebleken dat als gevolg van de thans vergunde situatie de afstand van het dichtst bij een voor stank gevoelig object gelegen emissiepunt van de inrichting tot dat voor stank gevoelig object toeneemt.

   In hetgeen appellant heeft aangevoerd vindt de Afdeling geen grond voor het oordeel dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid ervan heeft kunnen uitgaan dat de situatie uit een oogpunt van stankhinder niet zodanig is, dat met toepassing van artikel 8.4 in samenhang met afdeling 8.1.2 van de Wet milieubeheer de aan de vergunning verbonden voorschriften zouden moeten worden aangescherpt dan wel de vergunning al dan niet gedeeltelijk zou moeten worden geweigerd. Gelet hierop heeft verweerder de vergunningverlening niet ten onrechte gebaseerd op de rechten die aan de onderliggende vergunning kunnen worden ontleend.

2.5.    Appellant vreest geluidhinder van de inrichting waarvoor bij het bestreden besluit vergunning is verleend. In dit verband heeft hij betoogd dat hij, met name in de nachtperiode, onaanvaardbare geluidhinder zal ondervinden van het laden van de (mest van de) vleeskuikens en vleesvarkens.

2.5.1.    Verweerder heeft, blijkens het verhandelde ter zitting, bij de invulling van de hem in het kader van de bovengenoemde bepalingen van de Wet milieubeheer toekomende beoordelingsvrijheid, wat de uitzonderingsregeling van de voorschriften 3.2.1 tot en met 3.2.5 betreft, aansluiting gezocht bij paragraaf 5.3 van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (hierna te noemen: de Handreiking).

   In paragraaf 5.3 van de Handreiking is onder meer vermeld dat volgens vaste jurisprudentie een ontheffing kan worden verleend om maximaal 12 maal per jaar (uitgangspunt is dat het per keer steeds gaat om één, aaneengesloten, periode van maximaal een etmaal) activiteiten uit te voeren die meer geluid veroorzaken dan de geluidgrenzen voor de representatieve bedrijfssituatie uit de vergunning. Het gaat dan om bijzondere activiteiten (incidentele bedrijfssituaties), welke niet worden gerekend tot de representatieve bedrijfssituatie.

2.5.2.    Ingevolge voorschrift 3.2.1 moet het laden van vleeskuikens en het afvoeren van de vleeskuikens in één etmaal plaatsvinden. De inrichtinghouder dient schriftelijk vast te leggen op welke dagen de mest en de vleeskuikens worden afgevoerd. Hetzelfde geldt voor de keren dat in de nachtperiode vleesvarkens worden geladen. Deze schriftelijke gegevens dienen minimaal 2 jaar binnen de inrichting aanwezig te zijn.

   Ingevolge voorschrift 3.2.2 geldt in afwijking van het gestelde in voorschrift 3.1.1 bij het laden van vleeskuikens de geluidsnorm in de nachtperiode niet voor de woningen aan de [locatie 3]. Het LAr,LT voor deze woningen mag dan respectievelijk 40 dB(A) en 41 dB(A) bedragen op een hoogte van 5,00 m.

   Ingevolge voorschrift 3.2.3 geldt in afwijking van het gestelde in voorschrift 3.1.1 bij het laden van de mest van de vleeskuikens de geluidsnorm in de dagperiode niet voor de woningen aan de [locatie 3]. Het LAr,LT voor deze woningen mag dan 48 dB(A) bedragen op een hoogte van 1,50 m.

   Ingevolge voorschrift 3.2.5 mag in afwijking van het gestelde in voorschrift 3.3.1 het laden van vleesvarkens niet meer dan 3 keer per jaar plaatsvinden in de nachtperiode (van 23.00 uur tot 7.00 uur), waarbij in afwijking van voorschrift 3.1.2 een LAmax is toegestaan op de woningen aan de [locatie 3] van respectievelijk 64 dB(A) en 65 dB(A) op een hoogte van 5,00 m.

   Ingevolge voorschrift 3.3.2 mag het laden van vleeskuikens en het laden van de mest van de vleeskuikens maximaal 8 keer per jaar plaatsvinden.

2.5.3.    Gezien het vorenstaande staat vast dat de aan de vergunning verbonden reguliere geluidvoorschriften maximaal 8 keer per jaar niet van toepassing zijn in verband met het laden van (mest van) vleeskuikens en maximaal 3 keer per jaar in verband met het laden van vleesvarkens. Verweerder heeft naar het oordeel van de Afdeling, gezien de stukken en het verhandelde ter zitting, voldoende aannemelijk gemaakt dat voormelde activiteiten in de nachtperiode redelijkerwijs nodig zijn om de bedrijfsvoering zoals aangevraagd mogelijk te maken. Voorts heeft verweerder alternatieve geluidgrenswaarden in de voorschriften van de vergunning opgenomen die gelden gedurende deze activiteiten en heeft verweerder zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat de geluidhinder van deze activiteiten, die kunnen worden gerekend tot de incidentele bedrijfssituatie, door het verbinden van nadere voorschriften aan de vergunning redelijkerwijs niet verder kan worden beperkt. Gelet hierop heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voor onaanvaardbare geluidhinder niet behoeft te worden gevreesd.

2.6.    Gezien het vorenstaande is het beroep ongegrond.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, Voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en drs. H. Borstlap, Leden, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll    w.g. Van Hardeveld

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 september 2005

312.