Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU3374

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-09-2005
Datum publicatie
28-09-2005
Zaaknummer
200410661/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 december 2003 heeft appellant (hierna: het college) de [wederpartij] onder oplegging van een dwangsom gelast vóór 15 februari 2004 de grondverzet- en sloopactiviteiten op en vanuit het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) te beëindigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200410661/1.

Datum uitspraak: 28 september 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Cuijk,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak nos. Awb 04 / 2503 VV en Awb 04 / 2504 van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 28 oktober 2004 in het geding tussen:

[wederpartij] wonend te [woonplaats], gemeente [plaats]

en

appellant.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 9 december 2003 heeft appellant (hierna: het college) de [wederpartij] onder oplegging van een dwangsom gelast vóór 15 februari 2004 de grondverzet- en sloopactiviteiten op en vanuit het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) te beëindigen.

Bij besluit van 6 juli 2004 heeft het college het daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, het besluit van 9 december 2003 herroepen en [wederpartij], onder oplegging van een dwangsom, gelast vóór 1 oktober 2004 de grondverzet- en sloopactiviteiten op en vanuit het perceel te beëindigen, waaronder het college verstaat:

a. het beëindigen en beëindigd houden van het gebruik van de opstallen voor het onderbrengen van werknemers en voor het stallen van materiaal en materieel waaronder shovels, de kranen en de puinbreekinstallatie;

b. het verwijderen en verwijderd houden van de op het perceel opgeslagen partijen zand, puingranulaat en ongebroken puin.

Bij uitspraak van 28 oktober 2004, verzonden op 24 november 2004, voorzover thans van belang, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 23 december 2004, bij de Raad van State ingekomen op 30 december 2004, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

[Wederpartij] heeft gereageerd bij brief van 27 januari 2005.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 augustus 2005, waar het college, vertegenwoordigd door mr. B.A.A. Lucas, ambtenaar van de gemeente, en [wederpartij], bijgestaan door P.M. van Herk en mr. P.M.H.M. Bakermans, gemachtigden, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het perceel is ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied Haps" bestemd voor "Agrarisch gebied A". Dit plan heeft op 17 augustus 1995 (hierna: de peildatum) rechtskracht verkregen.

   Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de planvoorschriften, voorzover van belang, zijn de op kaart als zodanig aangewezen gronden bestemd voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf.

   Ingevolge artikel 30, eerste lid, onder a, van de planvoorschriften, mag het op het tijdstip van het rechtskracht verkrijgen van het plan bestaande gebruik dat met de in het plan aangewezen bestemming in strijd is, worden voortgezet.

   Vaststaat dat een gebruik van het perceel voor grondverzet- en sloopactiviteiten in strijd is met deze bestemming.

2.2.    Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter het besluit van 6 juli 2004 vernietigd omdat het college in onvoldoende mate heeft onderzocht of [wederpartij] een beroep op het in artikel 30, eerste lid, onder a, van de planvoorschriften neergelegde overgangsrecht toekomt.

2.3.    Het college betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat [wederpartij] aannemelijk dient te maken dat het perceel reeds op de peildatum werd gebruikt ten behoeve van grondverzet- en sloopactiviteiten en dat de ter zake door hem verstrekte informatie daarvoor onvoldoende is.

   Dit betoog slaagt. Uit de door [wederpartij] aan het college overgelegde stukken, waaronder een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel en Fabrieken en financiële gegevens over de periode 1988 tot en met 1995, kan worden opgemaakt dat in die periode in beperkte mate en omvang loonwerk werd verricht. Die stukken bieden echter onvoldoende inzicht in de aard en omvang van het gebruik dat toen van het perceel werd gemaakt. Ook de ter zitting getoonde foto's bieden daarover onvoldoende duidelijkheid. Voorts in aanmerking genomen dat bij de na de peildatum van gemeentewege ter plaatse gehouden milieu-inspecties geen gebruik van grond en bebouwing ten behoeve van grondverzet- en sloopactiviteiten is geconstateerd, is [wederpartij] er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat het gewraakte gebruik reeds op de peildatum plaatsvond.

2.4.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het beroep van [wederpartij] zelf afdoen.

2.5.    Voorzover [wederpartij] betoogt dat het college niet in redelijkheid tot handhavend optreden heeft kunnen besluiten gelet op de duur van het gebruik van het perceel ten behoeve van grondverzet- en sloopactiviteiten faalt dat betoog. Het enkele tijdsverloop is, nog daargelaten de duur daarvan, geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan het college in redelijkheid van handhavend optreden had behoren af te zien.

2.6.    Evenmin kan worden ingezien dat de hoogte van de opgelegde dwangsom onevenredig is in verhouding tot de ernst van de overtreding, zodat ook dat betoog faalt.

2.7.    De omstandigheid dat in het dwangsombesluit ten onrechte is vermeld dat de dwangsom zal worden verbeurd door de maatschap [wederpartij], leidt niet tot vernietiging van dat besluit. Niet in geschil is dat de vennootschap onder firma het perceel gebruikt ten behoeve van grondverzet- en sloopactiviteiten. Derhalve is zij terecht aangemerkt als overtreder en is het dwangsombesluit terecht aan haar gericht. De vermelding dat de dwangsom zal worden verbeurd door de maatschap doet daar niet aan af. Nu de maten en de vennoten dezelfde personen zijn staat genoegzaam vast dat de dwangsom wordt verbeurd door de overtreder.

2.8.    Het beroep is ongegrond.

2.9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 28 oktober 2004, AWB 04/2504;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. R. van der Spoel, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Willems, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk    w.g. Willems

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 september 2005

412.