Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU3350

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-09-2005
Datum publicatie
28-09-2005
Zaaknummer
200410532/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 mei 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Westvoorne (hierna: het college) appellant gelast de illegale werkzaamheden op het perceel [locatie] te [plaats] met onmiddellijke ingang te staken en gestaakt te houden, onder oplegging van een dwangsom van € 10.000,00 per dag of daggedeelte dat de bouwwerkzaamheden worden voortgezet, met een maximum van € 200.000,00.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2005/1252
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200410532/1.

Datum uitspraak: 28 september 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. GEMWT 04/738-NAV van de rechtbank Rotterdam van 9 november 2004 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Westvoorne.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 20 mei 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Westvoorne (hierna: het college) appellant gelast de illegale werkzaamheden op het perceel [locatie] te [plaats] met onmiddellijke ingang te staken en gestaakt te houden, onder oplegging van een dwangsom van € 10.000,00 per dag of daggedeelte dat de bouwwerkzaamheden worden voortgezet, met een maximum van € 200.000,00.

Bij besluit van 20 januari 2004 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het verzoek om vergoeding van in verband met de behandeling van het bezwaar gemaakte kosten afgewezen.

Bij uitspraak van 9 november 2004, verzonden op 16 november 2004, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 24 december 2004, bij de Raad van State ingekomen op 27 december 2004, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 21 januari 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 15 maart 2005 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 augustus 2005, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. N.S.J. Koeman, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. H.J. Breeman, advocaat te Rotterdam, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    De lastgeving ziet blijkens het besluit van 20 mei 2003 op werkzaamheden aan het rijksmonument "Olaertsduyn", bestaande uit het vernieuwen c.q. vervangen van het dak, inclusief dakpannen; het vernieuwen c.q. vervangen van schoorstenen; het reinigen van de gevel en herstellen van voegwerk; het vervangen van onderdorpels van kozijnen; het schilderen van het houtwerk; het vernieuwen van het elektra; het vernieuwen van de verwarming en het vernieuwen van de in het pand aanwezige plafonds.

2.2.    Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Woningwet is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders (bouwvergunning).

    Ingevolge artikel 11, tweede lid, van de Monumentenwet 1988 (hierna: de Monumentenwet) is het verboden zonder of in afwijking van een vergunning:

a.  een beschermd monument af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen;

b. een beschermd monument te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze, waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.

2.3.     Appellant komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat het college zich met juistheid op het standpunt heeft gesteld dat voor de betreffende werkzaamheden een monumentenvergunning en een bouwvergunning zijn vereist.

    Dit betoog faalt.

    De stelling van appellant, met verwijzing naar mondelinge mededelingen van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg, dat slechts sprake is van herstelwerkzaamheden waarvoor ingevolge artikel 11, tweede lid, aanhef en onder b, van de Monumentenwet geen vergunning nodig is, kan niet worden gevolgd. De rechtbank heeft in navolging van het college op goede gronden geoordeeld dat de werkzaamheden, die deel uitmaken van een grootschalig renovatieproject, in aard en omvang het normale onderhoudswerk te boven gaan en moeten worden aangemerkt als het in enig opzicht wijzigen van een monument als bedoeld in artikel 11, tweede lid, aanhef en onder a, van de Monumentenwet.

    Voorts kunnen de afzonderlijke tot het renovatieproject te rekenen werkzaamheden niet los van elkaar worden gezien. Dat enkele daarvan, naar appellant betoogt, op zichzelf bezien niet kunnen worden aangemerkt als "bouwen" als bedoeld in de Woningwet, laat onverlet dat het project als geheel bouwvergunningplichtig is.

    Het college was derhalve bevoegd appellant te gelasten de werkzaamheden te staken.

2.4.    Appellant betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college zich met juistheid op het standpunt heeft gesteld dat hij als overtreder kan worden aangemerkt. Daartoe voert hij aan dat de besloten vennootschap [Landgoed] eigenaar is van het monument en als opdrachtgever van de werkzaamheden de juridische eindverantwoordelijkheid droeg.

    Vaststaat dat appellant enig aandeelhouder/bestuurder is van Mebuma Beheer B.V., zijnde enig aandeelhouder en bestuurder van [partij], welke vennootschap enig aandeelhouder en bestuurder is van [Landgoed] Uit de gedingstukken blijkt voorts dat appellant, nadat hem mondeling was gelast de werkzaamheden stil te leggen, aan de bouwinspecteur heeft medegedeeld daarmee niet te stoppen. In contacten met het college is appellant ook steeds opgetreden als de (bevoegde) vertegenwoordiger van [Landgoed] en heeft hij als zodanig voor de werkzaamheden uiteindelijk een bouwvergunning en een monumentenvergunning aangevraagd. Uit het vorenstaande blijkt dat appellant degene is die feitelijk leiding heeft gegeven aan en de volledige zeggenschap heeft uitgeoefend over die werkzaamheden. Het college kon appellant dan ook aanschrijven tot beëindiging daarvan. De rechtbank is tot dezelfde conclusie gekomen. De stelling van appellant dat de zeggenschap van en het feitelijk leidinggeven door natuurlijke personen over activiteiten van een rechtspersoon alleen van belang zijn bij dwangsombesluiten in milieuzaken vindt geen steun in het recht en de Afdelingsjurisprudentie. Het betoog faalt derhalve.

2.5.    Appellant betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat niet kan worden gezegd dat het college bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot de beslissing op bezwaar heeft kunnen komen. Daartoe voert hij aan dat nimmer werkzaamheden zijn verricht die niet vergund konden worden, nu inmiddels onherroepelijke bouw- en monumentenvergunningen zijn verleend. Het belang bij uitvoering dient vóór het belang van handhaving te gaan, temeer daar door de werkzaamheden geen overlast, hinder of schade is ontstaan, aldus appellant.

    Ook dit betoog treft geen doel.

    Het besluit van 20 mei 2003 strekte er slechts toe de zonder vergunning verrichte werkzaamheden te staken en gestaakt te houden. Of voor de werkzaamheden vergunning kan worden verleend en of de activiteiten, overlast, hinder of schade opleveren is dan niet aan de orde. Dat de werkzaamheden, naar appellant betoogt, strekten tot behoud en herstel van het monument is, wat daar ook van zij, evenmin een grond om van handhaving af te zien, nu dit niet kan rechtvaardigen dat de werkzaamheden zonder vergunning werden verricht. Het college heeft bij de beslissing op bezwaar in deze omstandigheden dan ook geen aanleiding behoeven te zien het besluit van 20 mei 2003 te herroepen, temeer daar de dwangsommen voordat de vergunningen werden verleend reeds waren verbeurd.

    Voorts heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat de hoogte van de dwangsom in redelijke verhouding staat tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsomoplegging. Daarbij is in aanmerking genomen dat het college zich op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van een monumentenpand en appellant eerdere stillegging van de werkzaamheden heeft genegeerd. De hoogte van de dwangsom moet een afdoende financiële prikkel zijn om van verder illegaal gedrag af te zien. Dat zowel appellant als [Landgoed] zijn aangeschreven, zodat beiden de opgelegde dwangsommen kunnen verbeuren, is niet in strijd met de wet. Anders dan appellant betoogt kan uit de door hem aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 22 maart 1995, in zaken nummers E03.94.0120 en E03.94.0275, AB 1995/538, niet worden afgeleid dat voor één overtreding niet door meerdere geadresseerden een dwangsom kan worden verbeurd.

2.6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. S.F.M. Wortmann, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump    w.g. Boermans

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 september 2005

429.