Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU2635

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-09-2005
Datum publicatie
14-09-2005
Zaaknummer
200502891/1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZLY:2005:AS7129
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 januari 2003 is namens de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (thans: de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, hierna: de Minister) de aanvraag van [wederpartij] om huursubsidie over het tijdvak van 1 augustus 2000 tot en met 30 juni 2001 afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2006, 154 met annotatie van N. Verheij
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200502891/1.

Datum uitspraak: 14 september 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/1147 van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 18 februari 2005 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats]

en

appellant.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 6 januari 2003 is namens de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (thans: de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, hierna: de Minister) de aanvraag van [wederpartij] om huursubsidie over het tijdvak van 1 augustus 2000 tot en met 30 juni 2001 afgewezen.

Bij besluit van 17 augustus 2004 is, namens de Minister, het daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar deels gegrond en deels ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 februari 2005, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad (hierna: de rechtbank) het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de Minister bij brief van 24 maart 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 21 april 2005 heeft [wederpartij] van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 juli 2005, waar de Minister, vertegenwoordigd door mr. J.H.C.A. Muller, advocaat te Den Haag, is verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    De Minister heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de Regeling ondermandaat Directoraat-Generaal Wonen van 1 februari 2002 (Stcrt. 14 februari 2002, nr. 32, pagina 27; hierna: de Regeling ondermandaat DGW), zoals gewijzigd bij besluit van 17 maart 2004, onverbindend is en dat zijn besluit van 17 augustus 2004 in strijd is met artikel 7 van de Regeling ondermandaat DGW, artikel 10:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) en het rechtszekerheidsbeginsel.

2.2.    Bij uitspraak van 25 februari 2004, inzake nr. 200303658/1 heeft de Afdeling geoordeeld dat de Regeling ondermandaat Directoraat-Generaal van de Volkshuisvesting (Stcrt. 14 februari 2000, nr. 31, pagina 12, hierna: de Regeling ondermandaat DGVH) zich niet verdraagt met de daaraan op grond van artikel 10:5 van de Awb te stellen eisen en dat deze regeling daarom onverbindend is. Daartoe heeft de Afdeling overwogen, dat een mandaat, dat het aan de gemandateerde zelf overlaat om te bepalen wat de precieze omvang van het mandaat is, uit het oogpunt van rechtszekerheid niet aanvaardbaar is. In dit verband heeft de Afdeling tevens overwogen dat in de omschrijving van de omvang van het mandaat geen duidelijke criteria zijn opgenomen waaruit kan worden afgeleid voor welke bepaalde categorie van besluiten mandaat is verleend. De Regeling ondermandaat DGW bevat een gelijkluidende tekst en is derhalve evenzeer onverbindend.

   De Regeling ondermandaat DGW is gewijzigd bij besluit van 17 maart 2004 (Stcrt. 22 maart 2004, nr. 56, pagina 20). De wijziging bestaat eruit dat het tweede lid van artikel 9, waarin is bepaald dat de functionaris zijn mandaat uitoefent voorzover de beslissingsbevoegdheid naar zijn oordeel en verantwoordelijkheid niet door een hiërarchisch hogere functionaris behoeft te worden uitgeoefend, is vervallen.

2.3.    De rechtbank heeft de beslissing op bezwaar van 17 augustus 2004 vernietigd, omdat het eerder aan de Regeling ondermandaat DGW klevende gebrek door de wijziging bij besluit van 17 maart 2004 naar haar oordeel niet is weggenomen. Voorts is volgens de rechtbank niet duidelijk of de beslissing op bezwaar is genomen door een hiërarchisch hogere functionaris dan degene door wie het primaire besluit is genomen, zoals is bepaald in artikel 7 van de Regeling ondermandaat DGW. De beslissing op bezwaar is daarom volgens de rechtbank eveneens in strijd met genoemd artikel, gelezen in samenhang met artikel 10:3, derde lid, van de Awb.

2.4.    De Directie Informatie, Beheer en Subsidieregelingen is blijkens bijlage 2 van het Organisatiebesluit hoofdstructuur Directoraat-Generaal Wonen (Stcrt. 14 februari 2002, nr. 32, pagina 25) binnen het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer onder meer belast met het uitvoeren van de (financiële) volkshuisvestingsregelingen waaronder die inzake de individuele huursubsidie.

   Ingevolge artikel 4 van de Regeling ondermandaat DGW, gelezen in samenhang met artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling taken en bevoegdheden VROM 2004 (Stcrt. 13 juli 2004, nr. 31, pagina 16), wordt een beslissing op bezwaar genomen door een hoofd van een dienst of een hoofd van een organisatieonderdeel.

   Ingevolge artikel 5, eerste en tweede lid, van de Regeling ondermandaat DGW, voorzover thans van belang, zijn uitsluitend medewerkers, senior medewerkers, behandelingsmedewerkers en allround medewerkers van de directie Informatie, Beheer en Subsidieregelingen, Afdeling Uitvoering, cluster Aanvraagbehandeling of cluster Vervolgbehandeling bevoegd besluiten te nemen voorzover dit gebeurt met behulp van een geautomatiseerd systeem.

   Ingevolge artikel 7 van de Regeling ondermandaat DGW wordt een beslissing op bezwaar genomen door een functionaris die hiërarchisch hoger is dan de functionaris die de beslissing heeft genomen waartegen het bezwaarschrift is gericht.

   Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Regeling ondermandaat DGW geschiedt de uitoefening van het mandaat binnen de grenzen van de vastgestelde taken, de functieomschrijving en het Organisatiebesluit en met inachtneming van het ter zake geldende recht alsmede de voor de rijksdienst en voor het ministerie geldende beleids- en uitvoeringsregels.

2.4.1.    Nu het tweede lid van artikel 9 van de Regeling ondermandaat DGW is vervallen, geldt niet langer dat de gemandateerde zelf moet beoordelen of hij bevoegd is het besluit te nemen. Naar het oordeel van de Afdeling bevat de Regeling ondermandaat DGW, zoals deze thans geldt, voldoende duidelijke criteria waaruit kan worden afgeleid voor welke bepaalde categorie van besluiten mandaat is verleend. Mede gelet op het Organisatiebesluit en de Regeling taken en bevoegdheden VROM 2004 kan niet worden staande gehouden dat er daaromtrent onzekerheden bestaan.

2.4.2.    De in het bestreden besluit vervatte beslissing op bezwaar van 17 augustus 2004 is namens de Minister, op last van de Directeur-Generaal Wonen, genomen door het Hoofd Unit Correspondentie. Deze unit is een organisatieonderdeel, dat behoort tot het Directoraat-Generaal Wonen. De beslissing op bezwaar is derhalve genomen door een functionaris als bedoeld in artikel 4 van de Regeling ondermandaat DGW.

   Het primaire besluit van 6 januari 2003 is een computerbesluit, dat ingevolge artikel 5, eerste en tweede lid, van de Regeling ondermandaat DGW door een medewerker van het cluster Aanvragen of Vervolgbehandeling van de Directie Informatie, Beheer en Subsidieregelingen van het Directoraat-Generaal Wonen is genomen. Deze functionaris is geen hoofd van een dienst of van een organisatieonderdeel.

   Gelet hierop is de beslissing op bezwaar genomen door een functionaris die hiërarchisch hoger is dan degene die het primaire besluit heeft genomen. Deze beslissing kan dan ook, anders dan de rechtbank heeft overwogen, niet in strijd worden geacht met artikel 7 van de Regeling ondermandaat DGW en ook niet met het rechtszekerheidsbeginsel.

   De beslissing op bezwaar van 17 augustus 2004 is gelet hierop evenmin in strijd met artikel 10:3, derde lid, van de Awb, in welk artikellid is bepaald dat mandaat tot het beslissen op een bezwaarschrift niet wordt verleend aan degene die het besluit waartegen het bezwaar zich richt, krachtens mandaat heeft genomen.

   Voorzover niet verifieerbaar zou zijn door welke functionaris het primaire besluit is genomen, volgt uit artikel 5, eerste en tweede lid, van de Regeling ondermandaat DGW, dat een medewerker slechts bevoegd is tot het nemen van een computerbesluit en niet tot het ondertekenen van een besluit. Hij is derhalve niet bevoegd tot het nemen van een beslissing op bezwaar. Uit artikel 4, gelezen in samenhang met artikel 5, eerste en tweede lid, van de Regeling ondermandaat DGW volgt dat een hoofd van een dienst of van een organisatieonderdeel wel een beslissing op bezwaar mag nemen, maar geen computerbesluit. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, is hiermee voldoende duidelijk dat het primaire besluit niet is genomen door degene die de beslissing op bezwaar heeft genomen.

2.5.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. In aanmerking genomen dat de materiële kant van het geschil nog niet door de rechtbank is beoordeeld, wijst de Afdeling de zaak met toepassing van artikel 44, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet op de Raad van State terug naar de rechtbank Zwolle-Lelystad.

2.6.    Van proceskosten, die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 18 februari 2005, AWB 04/1147;

III.    wijst de zaak naar de rechtbank terug.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, Voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. S.F.M. Wortmann, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak    w.g. Groenendijk

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 september 2005

164-420.