Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU2626

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-09-2005
Datum publicatie
14-09-2005
Zaaknummer
200500763/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 november 1995 heeft de gemeenteraad van Liempde (thans Boxtel), op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 22 november 1995, het bestemmingsplan "Buitengebied Liempde 1995" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200500763/1.

Datum uitspraak: 14 september 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats], gemeente [plaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 28 november 1995 heeft de gemeenteraad van Liempde (thans Boxtel), op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 22 november 1995, het bestemmingsplan "Buitengebied Liempde 1995" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 15 juli 1996, no. 153043, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Dit besluit is door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State gedeeltelijk vernietigd bij haar uitspraak van 17 mei 1999, nr. E01.96.0411 (aangehecht).

Verweerder heeft bij zijn besluit van 8 mei 2001, no. 153043, opnieuw over de goedkeuring van het plan beslist.

Dit besluit is door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State vernietigd bij haar uitspraak van 20 maart 2002, nr. 200103148/1 (www.raadvanstate.nl).

Verweerder heeft bij zijn besluit van 27 mei 2003, no. 615957, wederom over de goedkeuring van het plan beslist.

Dit besluit is door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State vernietigd bij haar uitspraak van 9 juni 2004, nr. 200304638/1.

Bij besluit van 27 mei 2004 heeft de gemeenteraad van Boxtel, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 20 april 2004, het bestemmingsplan "Buitengebied Liempde 1995, herziening 2003" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 14 december 2004, nummer 1006398, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan "Buitengebied Liempde 1995" en over de goedkeuring van het bestemmingsplan "Buitengebied Liempde 1995, herziening 2003".

Tegen dit besluit hebben appellant sub 1 bij brief van 22 januari 2005, bij de Raad van State ingekomen op 25 januari 2005, en appellant sub 2 bij brief van 31 januari 2005, bij de Raad van State ingekomen op 2 februari 2005, beroep ingesteld.

Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 juli 2005, waar appellant sub 1 in persoon, en appellant sub 2 in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door drs. B.C. Coolen, ambtenaar van de provincie Noord-Brabant, zijn verschenen. Voorts is daar namens de gemeenteraad mr. J.H.C. Ariës, ambtenaar van de gemeente Boxtel, gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

Voorgeschiedenis

2.2.    In gevolge artikel 2.6 van het bij raadsbesluit van 28 november 1995 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied Liempde 1995" is het perceel [locatie] bestemd voor "Semi-agrarische bedrijven". Uit de bijlage bij artikel 2.6 volgt dat op het perceel een hondenkennel is toegestaan en dat de toegelaten oppervlakte van de bebouwing maximaal 410 m² bedraagt.

2.2.1.    Appellant [appellant sub 1] heeft destijds zijn zienswijzen kenbaar gemaakt over het plan en tegen het vastgestelde plan bedenkingen naar voren gebracht. Met beide werd beoogd de toegelaten uitbreiding van de bebouwing van de kennel tot 410 m² ongedaan te maken. Zowel de zienswijze als de bedenkingen zijn ongegrond verklaard.

2.2.2.    De exploitant van de kennel, [exploitant], heeft destijds eveneens zijn zienswijze kenbaar gemaakt over het plan en tegen het vastgestelde plan bedenkingen naar voren gebracht. Hiermee werd beoogd een uitbreiding van de toegelaten bebouwing tot 750 m² mogelijk te maken. Zowel de zienswijze als de bedenkingen zijn ongegrond verklaard.

2.2.3.    [appellant sub 1] heeft tegen het eerste goedkeuringsbesluit van verweerder van 15 juli 1996 geen beroep ingesteld.

2.2.4.    Naar aanleiding van het door [exploitant] ingestelde beroep tegen het goedkeuringsbesluit van 15 juli 1996 heeft de Afdeling in de in het procesverloop genoemde uitspraak van 17 mei 1999 als volgt overwogen :

"(…) Verweerders hebben in hun bestreden besluit overwogen dat zij met de hiervoor weergegeven regeling kunnen instemmen, gezien de omvang van het bouwblok, dat van de noodzaak van de door appellant gewenste uitbreidingsmogelijkheden niet is gebleken en dat, indien een dergelijke grote procentuele uitbreiding wordt voorgestaan verplaatsing van de bedrijvigheid in beeld dient te komen. Gelet op de inhoud van het door appellant ingediende bedenkingengeschrift schiet de enkele stelling, dat van de noodzaak van de door appellant gewenste uitbreidingsmogelijkheden niet zou zijn gebleken, als weerlegging tekort.

Voorts blijkt uit het bestreden besluit niet op welke bezwaren de door appellant gewenste uitbreiding stuit. (…) De Afdeling ziet in het voorgaande aanleiding het bestreden besluit te vernietigen voor zover daarbij aan dit plandeel goedkeuring is verleend.".

2.2.5.    Naar aanleiding van het door [exploitant] ingestelde beroep tegen het tweede goedkeuringsbesluit van 8 mei 2001, waarbij verweerder de bestemming van het perceel wederom heeft goedgekeurd, heeft de Afdeling in de in het procesverloop genoemde uitspraak van 20 maart 2002 als volgt overwogen:

(…) "Uit de stukken blijkt dat de bedrijfsbebouwing nu een oppervlakte van 451 m2 heeft. De Afdeling is met verweerders van oordeel dat de door appellant gewenste 750 m2 geen redelijke uitbreiding is als bedoeld in hun beleid.

Voor beantwoording van de vraag of de continuïteit van het bedrijf een reden is om in afwijking van hun beleid de uitbreiding toelaatbaar te achten, hebben verweerders zich enkel gebaseerd op de informatie in het bedenkingenschrift van 15 januari 1996. Appellant heeft echter nadien, maar geruime tijd voor het nemen van het nu aan de orde zijnde besluit, gewezen op een contract tussen hem en de Verenigde Naties waarvoor uitbreiding van de bedrijfsbebouwing noodzakelijk zou zijn. De Afdeling is van oordeel dat verweerders hierin aanleiding hadden moeten zien om appellant in de gelegenheid te stellen de door hen verlangde nadere bedrijfsgegevens in te dienen. Appellant kan niet worden tegengeworpen dat hem duidelijk behoorde te zijn dat dergelijke nadere bedrijfsgegevens van hem werden verlangd.

In verband hiermee is het beroep gegrond en dient het bestreden besluit op dit punt wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd.".

2.2.6.    Naar aanleiding van het door [appellant sub 1] ingestelde beroep tegen het derde goedkeuringsbesluit van 27 mei 2003, waarbij verweerder goedkeuring heeft onthouden aan de bestemming van het perceel ten einde een uitbreiding tot 750 m² mogelijk te maken, heeft de Afdeling in de in het procesverloop genoemde uitspraak van 9 juni 2004 als volgt overwogen:

"Appellant betwist de volledigheid en zorgvuldigheid van het bedrijfsplan. De Afdeling overweegt dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat dit bedrijfsplan zodanige gebreken of leemten in kennis vertoont dat verweerder zich hierop bij het nemen van zijn besluit niet had mogen baseren.

(…)

De Afdeling overweegt dat verweerder gehouden is een volledige, ruimtelijke belangenafweging te maken, waarbij rekening moet worden gehouden met alle op dat moment bestaande feiten en omstandigheden. Dit betekent dat verweerder bij zijn besluit niet enkel de belangen van de eigenaar van "Police Dogs Centre" maar ook andere belangen, waaronder die van appellant bij een goed woon-en leefklimaat, had moeten betrekken.

Ten aanzien van de door appellant aangevoerde geluidhinder heeft verweerder ter zitting gesteld dat de belangen van appellant in het kader van de herziening op grond van artikel 30, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, dan wel de toepassing van artikel 19, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening aan de orde kunnen komen. De Afdeling onderschrijft dit standpunt niet. Gelet op de bewoordingen van het bestreden besluit, gericht tot de gemeenteraad van Boxtel om een regeling met de gewenste uitbreiding van 750 m2 te realiseren, laat het besluit geen ruimte voor de gemeenteraad om in het kader van de bovengenoemde procedures bovengenoemde belangen af te wegen. Gelet op het vorenstaande had het op de weg van verweerder gelegen om bij het bestreden besluit deze belangenafweging te maken. Echter, het bestreden besluit geeft daarvan geen blijk.

   Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd.".

2.2.7.    Na het nemen van het derde goedkeuringsbesluit, maar vòòr de uitspraak van de Afdeling van 9 juni 2004, heeft de raad van Boxtel op 27 mei 2004 ter voldoening aan het derde goedkeuringsbesluit een partiële herziening vastgesteld van het bestemmingsplan "Buitengebied Liempde 1995".  Dit betreft het bestemmingsplan "Buitengebied Liempde 1995, herziening 2003".

2.2.8.    Verweerder heeft bij het bestreden besluit goedkeuring onthouden aan de bestemming van het perceel [locatie], zoals vastgesteld in het bestemmingsplan "Buitengebied Liempde 1995, herziening 2003". Bij hetzelfde besluit heeft verweerder goedkeuring verleend aan de bestemming van het perceel zoals vastgesteld in het bestemmingsplan "Buitengebied Liempde 1995".

Ten aanzien van het bestemmingsplan "Buitengebied Liempde 1995"

2.3.     Op 3 april 2000 zijn in werking getreden de Wet tot wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening van 1 juli 1999 (Stb. 302) en het Besluit tot wijziging van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 van 15 oktober 1999 (Stb. 447). Uit artikel VI, tweede lid, van genoemde wet volgt dat het geschil omtrent het bestemmingsplan "Buitengebied Liempde 1995", nu het ontwerp van het plan ter inzage is gelegd vóór 3 april 2000, moet worden beoordeeld aan de hand van het vóór die datum geldende recht.

Het goedkeuringsbesluit van verweerder

2.4.    Verweerder heeft zich bij de goedkeuring van het in geding zijnde plandeel op het standpunt gesteld dat een verdergaande uitbreiding dan de in het vastgestelde plan neergelegde uitbreiding tot een oppervlakte van 410 m² thans niet meer noodzakelijk is, gelet op de te verwachten verhuizing van het bedrijf naar een andere locatie.

Het beroep van [appellant sub 1]

2.5.    Appellant stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel, nu de exploitant zijn bedrijf inmiddels elders uitoefent. Subsidiair betoogt appellant dat de toegelaten bebouwing beperkt dient te blijven tot de met een bouwvergunning tot stand gekomen bebouwing, die volgens appellant een oppervlakte heeft van 295 m². Voorts voert appellant aan dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat ten behoeve van de feitelijke bebouwing, voorzover de oppervlakte daarvan meer bedraagt van 410 m², een binnenplanse vrijstelling kan worden verleend. Ook stelt appellant dat aan het bedrijfsplan dat de exploitant heeft laten opstellen, gebreken kleven.

Vaststelling van de feiten

2.6.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.7.    De exploitant van de kennel heeft de locatie [locatie] verlaten en deze per 1 mei 2004 aan derden verhuurd, die daar tevens een kennel exploiteren.

2.8.    Voor de overige feiten wordt verwezen naar overwegingen 2.2 tot en met 2.2.8.

Het oordeel van de Afdeling

2.9.    De Afdeling verstaat het beroep van appellant aldus, dat het is gericht tegen het besluit van verweerder, voorzover hij daarbij goedkeuring heeft verleend aan het bestemmingsplan "Buitengebied Liempde 1995".

2.10.    Gelet op hetgeen de Afdeling in de drie voornoemde uitspraken heeft overwogen diende verweerder, nu [appellant sub 1] aanvankelijk heeft berust in een toegelaten oppervlakte van 410 m² voor de hondenkennel door geen beroep in te stellen tegen het eerste goedkeuringsbesluit omtrent het bestemmingsplan "Buitengebied Liempde 1995", bij het nemen van het nieuwe goedkeuringsbesluit uit te gaan van een toegelaten oppervlakte van 410 m². Hij behoefde slechts te bezien of, en zo ja in welke mate een verdergaande uitbreiding dan tot 410 m² uit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar kan worden geacht.

    Appellant heeft tevergeefs aangevoerd dat sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden. Het vertrek van de exploitant kan niet als zodanig worden aangemerkt. Verweerder heeft bij zijn besluit in aanmerking kunnen nemen dat het perceel ten tijde van het nemen van het goedkeuringsbesluit feitelijk ten behoeve van een hondenkennel werd gebruikt en dat niet aannemelijk is geworden dat de raad binnen de planperiode tot beëindiging van het gebruik wenst te komen. Voorts heeft de Afdeling het standpunt van appellant ten aanzien van het bedrijfsplan in haar uitspraak van 9 juni 2004 reeds uitdrukkelijk en zonder voorbehoud verworpen.

   Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat ter plaatse een bebouwde oppervlakte van 410 m² kan worden aanvaard. De vraag of de bebouwing op het perceel, voorzover die meer bedraagt dan 410 m², alsnog verwijderd kan worden en zo ja, langs welke weg, kan door appellant in een andere procedure dan deze aan de orde worden gesteld.

2.11.    Gezien het voorgaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan, voorzover bestreden, niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan. Het beroep van [appellant sub 1] is ongegrond.

Bestemmingsplan "Buitengebied Liempde 1995, herziening 2003"

Procedurele aspecten

Het beroep van [appellant sub 2]

2.12.    Appellant stelt dat verweerder het plan ten onrechte heeft goedgekeurd omdat het vastgestelde plan twee maal ter visie is gelegd. Het door verweerder op grond van de tweede tervisielegging goed te keuren plan is daardoor niet overeenkomstig het bepaalde in artikel 26 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening binnen vier weken na de dagtekening van het vaststellingsbesluit ter inzage gelegd. Ook is het door verweerder goed te keuren plan niet overeenkomstig het bepaalde in artikel 28, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening binnen 4 weken na de dagtekening van het vaststellingsbesluit aan verweerder verzonden. Aan het voorgaande kan volgens appellant niet afdoen dat het college aan verweerder per brief heeft medegedeeld de eerste verzending ter goedkeuring in te trekken, en dat het college na de tweede tervisielegging wederom het plan ter goedkeuring aan verweerder heeft verzonden. Dat verweerder de intrekkingsbrief als niet geschreven heeft beschouwd, acht appellant voorts in strijd met de wet.

       Appellant voert ook aan dat derden die geen bedenkingen hebben ingediend ten tijde van de eerste tervisielegging door de gang van zaken in hun belangen geschaad kunnen zijn, nu uitsluitend degenen die wel bedenkingen hebben ingediend per brief op de hoogte zijn gesteld van de tweede tervisielegging.

       Daarenboven voert appellant aan dat verweerder heeft miskend dat hij niet namens zijn cliënten, maar in persoon bedenkingen heeft ingebracht tegen het tweemaal tervisieleggen van het vastgestelde plan.

Het besluit van verweerder

2.13.    Verweerder heeft in de door appellant geschetste gang van zaken op zich zelf geen aanleiding gezien goedkeuring te onthouden aan het plan. Wel heeft hij goedkeuring onthouden aan die plandelen die gewijzigd zijn vastgesteld omdat deze wijzigingen niet duidelijk op de plankaart zijn verwerkt.

Vaststelling van de feiten

2.14.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.15.    Het vastgestelde plan "Buitengebied Liempde 1995, herziening 2003" is blijkens de publicaties met ingang van vrijdag 11 juni 2004 gedurende vier weken voor de eerste maal ter inzage gelegd. Bij brief van 16 juni 2004 heeft het college het vastgestelde plan ter goedkeuring aan verweerder verzonden.

   Bij brief van 27 augustus 2004 heeft het college degenen die bedenkingen naar voren hebben gebracht medegedeeld dat het vastgestelde plan met ingang van 3 september nogmaals tervisie zal worden gelegd, omdat de bij de eerste ter visie ter inzage gelegde plankaarten en planvoorschriften niet overeenkomstig het vaststellingsbesluit waren aangepast.

   Bij brief van 30 augustus 2004 heeft het college verweerder meegedeeld dat het bij brief van 16 juni 2004 gedane verzoek om goedkeuring wordt ingetrokken.

   Uit de publicaties blijkt dat het vastgestelde plan met ingang van vrijdag 3 september 2004 wederom ter inzage is gelegd voor de duur van vier weken. Bij brief van 2 september 2004, verzonden op 3 september 2004, heeft het college het plan wederom ter goedkeuring aan verweerder verzonden.

   Verweerder heeft na ambtelijk overleg met de gemeente Boxtel de brief van 30 augustus 2004 als niet geschreven beschouwd.

    Verweerder heeft de door appellant naar voren gebrachte bedenking opgevat als een bedenking van derden. Appellant treedt namens deze derden op als gemachtigde in verband met een gelijktijdig met het voorliggende plan ter goedkeuring verzonden ander bestemmingsplan van de gemeente Boxtel.

Het oordeel van de Afdeling

2.16.    De brief van 30 augustus 2004 moet worden opgevat als een verzoek om stuiting van de beslistermijn van 6 maanden als bedoeld in artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Uit voornoemde bepaling volgt dat verweerder, indien tegen het vastgestelde plan bedenkingen zijn ingediend, te rekenen vanaf de dag na afloop van de termijn van terinzagelegging van het vastgestelde plan, binnen zes maanden zijn besluit omtrent goedkeuring bekend dient te maken.

   Aan de dag na afloop van de eerste terinzagelegging van het vastgestelde plan is door de wet derhalve rechtsgevolg verbonden. Dit rechtsgevolg kan niet ongedaan worden gemaakt door een tweede terinzagelegging van het vastgestelde plan. Stuiting van de beslistermijn is in strijd met de wet. Uit het voorgaand volgt dat anders dan appellant betoogt, het door de raad vastgestelde plan binnen vier weken na de vaststelling daarvan ter inzage is gelegd en ter goedkeuring aan verweerder is verzonden.

   Anders dan appellant heeft betoogd, is verweerder gelet op het voorgaande, terecht aan de inhoud van de brief van het college van 30 augustus 2004 voorbijgegaan. Hij heeft zich voorts met juistheid op het standpunt gesteld dat de beslistermijn aanving op 9 juli 2004. Nu verweerder het goedkeuringsbesluit bij brief van 17 december 2004, derhalve binnen 6 maanden na 9 juli 2004 bekend heeft gemaakt, bestaat geen grond voor het oordeel dat het besluit in zoverre in strijd met de wet tot stand is gekomen. Er bestaat voorts geen aanleiding het standpunt van verweerder, dat een ieder van de tweede tervisielegging kennis heeft kunnen nemen door de publicatie daarvan, onjuist te achten.

   Dat verweerder de bedenkingen van appellant abusievelijk heeft aangemerkt als bedenkingen die door anderen dan appellant naar voren zijn gebracht, leidt niet tot het oordeel dat het bestreden besluit een zorgvuldige voorbereiding ontbeert.

2.17.    Gelet op het vorenstaande is het plan niet in strijd met het recht. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, heeft verweerder terecht geen aanleiding gezien goedkeuring te onthouden aan het plan. Het beroep van [appellant sub 2] is ongegrond.

2.18.    Zowel ten aanzien van [appellant sub 1] als van [appellant sub 2] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, Voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins-de Vin en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.C. Rop, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel    w.g. Rop

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 september 2005

381.