Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU2602

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-09-2005
Datum publicatie
14-09-2005
Zaaknummer
200502185/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 januari 2005, kenmerk wf/506, heeft verweerder aan [vergunninghouder] een vergunning, als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer, verleend voor een melkrundvee- en scharrellegkippenhouderij op het perceel [locatie 1] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummer […]. Dit besluit is op 28 januari 2005 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2005, 112K
Milieurecht Totaal 2005/4122
Omgevingsvergunning in de praktijk 2005/3528 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200502185/1.

Datum uitspraak: 14 september 2005.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats], gemeente [plaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Nijefurd,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 25 januari 2005, kenmerk wf/506, heeft verweerder aan [vergunninghouder] een vergunning, als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer, verleend voor een melkrundvee- en scharrellegkippenhouderij op het perceel [locatie 1] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummer […]. Dit besluit is op 28 januari 2005 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 8 maart 2005, bij de Raad van State ingekomen op 11 maart 2005, beroep ingesteld.

Bij brief van 17 mei 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 augustus 2005, waar verweerder, vertegenwoordigd door W.F. Foppen, is verschenen.

Voorts is daar als partij J[vergunninghouder], in persoon en bijgestaan door [gemachtigde], gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

2.2.    Ter zitting heeft vergunninghouder gesteld dat het beroepschrift één dag na afloop van de beroepstermijn bij de Raad van State is ingekomen. Daarom is volgens hem onduidelijk of het beroep ontvankelijk is.

   Nu het bestreden besluit ter inzage is gelegd op 28 januari 2005 is de beroepstermijn ingevolge artikel 20.7 van de Wet milieubeheer aangevangen op 29 januari 2005. Derhalve liep de beroepstermijn, welke ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht zes weken bedraagt, tot en met 11 maart 2005. Het beroepschrift is op laatstgenoemde datum bij de Raad van State ingekomen, zodat het tijdig is ingediend. Het beroep is daarom ontvankelijk.

2.3.    De bij het bestreden besluit verleende revisievergunning heeft betrekking op het houden van 61 melk- en kalfkoeien, 40 stuks vrouwelijk jongvee en 18.000 scharrellegkippen.

2.4.    Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

   Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

   Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.5.    Appellant betoogt dat verweerder bij de beoordeling van stankhinder een onjuiste emissiefactor voor de scharrellegkippen heeft gehanteerd. Het enkele feit dat het aangevraagde stalsysteem het midden houdt tussen een grondhuisvestingssysteem en een batterijstal is volgens hem onvoldoende voor het hanteren van een van de Richtlijn veehouderij en stankhinder 1996 (hierna: de Richtlijn) afwijkende emissiefactor. Van de factoren in de Richtlijn kan alleen worden afgeweken na gedegen onderzoek en in overleg met de inspectie voor de milieuhygiëne, aldus appellant. Daarbij wijst hij op de uitspraak van de Afdeling van 13 juni 2001, no. 200001015/1 (M en R 2002/4, nr. 49).

2.5.1.    Verweerder heeft de van de inrichting te duchten stankhinder beoordeeld aan de hand van de omrekeningsfactoren en de afstandsgrafiek uit de Richtlijn. Bij de bepaling van de omgevingscategorieën heeft hij de brochure Veehouderij en Hinderwet gehanteerd.

2.5.2.    In de Richtlijn zijn voor het onderhavige stalsysteem, volièrehuisvesting met mestbandbeluchting, geen omrekeningsfactoren vastgesteld. Verweerder heeft om die reden aansluiting gezocht bij de voor de betreffende diersoort in bijlage 1 van de Richtlijn genoemde in technisch opzicht meest overeenkomende stalsystemen. Daarbij heeft verweerder een berekeningsmethode toegepast waarbij voor 50% de omrekeningsfactor voor een grondhuisvestingssysteem en voor 50% de omrekeningsfactor voor een systeem met een mestbandbatterij met geforceerde mestdroging met directe mestafvoer van het bedrijf of opslag in een gesloten container voor een maximale periode van twee weken, wordt gehanteerd. Daarbij heeft verweerder zich gebaseerd op het feit dat het vloeroppervlak van de stal voor legkippen voor de helft wordt benut voor grondhuisvesting, overeenkomend met een grondhuisvestingssysteem, en voor de helft voor staanders met etages met roostervloeren waaronder zich een mestband bevindt, overeenkomend met voornoemd systeem met mestbandbatterij met geforceerde mestdroging. Onder deze omstandigheden bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder de door hem toegepaste berekeningsmethode niet heeft mogen hanteren. Anders dan appellant betoogt volgt uit de door hem aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 13 juni 2001 niet dat verweerder zich in dit geval moet baseren op een advies van de inspectie voor de milieuhygiëne. Overigens is gebleken dat de inspectie voor de milieuhygiëne naar aanleiding van het ontwerp van het besluit in de gelegenheid is gesteld om advies uit te brengen. Van deze gelegenheid heeft de inspectie geen gebruik gemaakt. In hetgeen appellant voor het overige betoogt bestaat geen aanleiding voor een ander oordeel.

2.6.    Appellant voert voorts aan dat verweerder bij de beoordeling van cumulatieve stankhinder ten onrechte de woning op het perceel [locatie 2] buiten beschouwing heeft gelaten. Daarnaast heeft verweerder ten onrechte gesteld dat de bijdrage van de onderhavige inrichting verwaarloosbaar is. Nu sprake is van een overbelaste situatie, heeft verweerder de vergunning ten onrechte niet geweigerd, aldus appellant.

2.6.1.    Verweerder heeft voor de beoordeling van de cumulatieve stankhinder het rapport "Beoordeling cumulatie stankhinder door intensieve veehouderij" van het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, Publicatiereeks Lucht, nr. 46 tot uitgangspunt genomen. Hij stelt zich op het standpunt dat de woning op het perceel [locatie 2] ten opzichte van de inrichting aan [locatie 3] geen stankgevoelig object is, omdat het een voormalige bedrijfswoning betreft. De relatieve bijdrage van deze inrichting ten aanzien van voornoemde woning behoeft volgens verweerder dan ook niet te worden meegenomen in de beoordeling. Voorts stelt verweerder dat, voorzover de woning aan [locatie 2] ten opzichte van de inrichting aan [locatie 3] wel als stankgevoelig object moet worden aangemerkt, de relatieve bijdrage van de onderhavige inrichting ten opzichte van de hoge relatieve bijdrage van de inrichting aan [locatie 3] in dit geval niet waarneembaar is en derhalve als verwaarloosbaar kan worden beschouwd. Laatstgenoemd standpunt neemt verweerder eveneens in wat betreft de woning aan [locatie 4].

2.6.2.    Vaststaat dat uit een oogpunt van stank sprake is van een cumulatief overbelaste situatie en dat de bijdrage van de inrichting op de woningen aan [locatie 2] en [locatie 4] ongeveer 0,07 bedraagt. Zoals de Afdeling in haar uitspraak van 6 november 1997, no. E03.95.0822 (aangehecht) heeft overwogen, is de onnauwkeurigheid van het cumulatiemodel zodanig dat geen absolute waarde is te geven voor te verwaarlozen relatieve geurbijdragen, zij het dat een relatieve bijdrage van 0,05 of minder in ieder geval verwaarloosbaar is.

   Wat betreft de woning aan [locatie 4] is uit de door verweerder in het bestreden besluit gemaakte cumulatieberekeningen gebleken dat de relatieve bijdrage van de inrichting aan [locatie 3], die op 48 meter van deze woning is gelegen, ongeveer 50 maal groter is dan de relatieve bijdrage van de op 223 meter gelegen thans in geding zijnde inrichting. Nog daargelaten de vraag of de woning aan [locatie 2] ten opzichte van de inrichting aan [locatie 3] als stankgevoelig object moet worden beschouwd, stelt de Afdeling vast dat de relatieve bijdrage van de inrichting aan [locatie 3], die op 25 meter van deze woning is gelegen, ongeveer 67 maal groter is dan de relatieve bijdrage van de op 223 meter gelegen thans in geding zijnde inrichting. Gelet hierop heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat de bijdrage van de onderhavige inrichting op genoemde woningen in dit geval verwaarloosbaar is.

2.7.    Appellant heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de tegen het ontwerp van het besluit ingebrachte bedenkingen. In de considerans van het bestreden besluit is verweerder ingegaan op deze bedenkingen. Appellant heeft in het beroepschrift geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende bedenkingen in het bestreden besluit onjuist zou zijn. Ook voor het overige is niet gebleken dat die weerlegging van de bedenkingen onjuist zou zijn.

2.8.    Het beroep is ongegrond.

2.9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D. van Leeuwen, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Kreveld    w.g. Van Leeuwen

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 september 2005.

373.