Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU2600

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-09-2005
Datum publicatie
14-09-2005
Zaaknummer
200407453/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij 18 besluiten van 26 februari 2004, 5 besluiten van 26 maart 2004, 6 besluiten van 29 maart 2004, een besluit van 8 april 2004 en een besluit van 17 mei 2004 heeft verweerder de aanvragen van de stichting "Stichting St. Joseph Apeldoorn" om energiepremie, betrekking hebbend op 364 woningen in de wijken De Mheen en Sluisoord te Apeldoorn, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200407453/1.

Datum uitspraak: 14 september 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting "Stichting De Woonmensen/SJA" (voorheen de stichting "Stichting St. Joseph Apeldoorn"), gevestigd te Apeldoorn,

appellante,

en

de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij 18 besluiten van 26 februari 2004, 5 besluiten van 26 maart 2004, 6 besluiten van 29 maart 2004, een besluit van 8 april 2004 en een besluit van 17 mei 2004 heeft verweerder de aanvragen van de stichting "Stichting St. Joseph Apeldoorn" om energiepremie, betrekking hebbend op 364 woningen in de wijken De Mheen en Sluisoord te Apeldoorn, afgewezen.

Bij besluit van 2 augustus 2004 heeft verweerder beslissende op de hiertegen door appellante gemaakte bezwaren, zijn vorenbedoelde besluiten in stand gelaten voorzover het betreft de afwijzing van de aanvragen van energiepremie voor de PV-panelen en de dak- en vlieringisolatie en in zoverre de hiertegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 6 september 2004, bij de Raad van State ingekomen op 7 september 2004, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 4 oktober 2004.

Bij brief van 3 november 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. De gronden van het verweer zijn aangevuld bij brief van 4 november 2004.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nog stukken ontvangen van verweerder. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 juli 2005, waar appellante, vertegenwoordigd door ing. C.L. Braakman en bijgestaan door mr. J.H. Meijer, advocaat te Apeldoorn, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. M. de Jonge, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Appellante voert aan dat met het schrappen van het tweede lid van artikel 9 van de Regeling Ondermandaat DGW bij besluit van 17 maart 2004 (Stcrt. 22 maart 2004, nr. 56, pagina 20) deze regeling nog steeds onverbindend is, omdat geen duidelijke criteria zijn opgenomen aan de hand waarvan kan worden afgeleid voor welke bepaalde categorie besluiten mandaat is verleend.

2.1.1.    De Afdeling heeft in haar uitspraak van 25 februari 2004, inzake nr. 200303658/1 de Regeling ondermandaat Directoraat-Generaal van de Volkshuisvesting (Stcrt. 14 februari 2000, nr. 31, pagina 12) onverbindend geacht, omdat deze zich niet verdraagt met de daaraan op grond van artikel 10:5 van de Algemene wet bestuursrecht te stellen eisen. Daartoe heeft de Afdeling overwogen, dat een mandaat, dat het aan de gemandateerde overlaat om te bepalen wat de precieze omvang van het mandaat is, uit oogpunt van rechtszekerheid niet aanvaardbaar is. In dit verband heeft de Afdeling eveneens overwogen dat in de omschrijving van de omvang van het mandaat geen duidelijke criteria zijn opgenomen waaruit kan worden afgeleid voor welke bepaalde categorie van besluiten mandaat is verleend. In haar uitspraak van 28 juli 2004, inzake nr. 200400628/1 heeft de Afdeling de Regeling ondermandaat Directoraat-Generaal Wonen (hierna: de Regeling ondermandaat DGW) (Stcrt. 2002, nr. 32) onverbindend geacht, omdat deze regeling een gelijkluidende tekst bevat.

   De Regeling ondermandaat DGW van 1 februari 2002 is gewijzigd bij besluit van 17 maart 2004 (Stcrt. 22 maart 2004, nr. 56, pagina 20). De wijziging bestaat eruit dat het tweede lid van artikel 9 is vervallen. Daarin was bepaald dat de functionaris zijn mandaat uitoefent voorzover de beslissingsbevoegdheid naar zijn oordeel en verantwoordelijkheid niet door een hiërarchisch hogere functionaris behoeft te worden uitgeoefend.

2.1.2.    Wat de bevoegdheid betreft tot het nemen van het besluit op bezwaar overweegt de Afdeling het volgende. De beslissing op bezwaar is genomen namens verweerder op last van de Directeur-Generaal Wonen door het Hoofd van de Afdeling Uitvoering, de heer mr. S.J. Rozema.

   Uit bijlage 2 van het Organisatiebesluit hoofdstructuur Directoraat-Generaal Wonen (Stcrt. 14 februari 2002, nr. 32, pagina 25, hierna: het Organisatiebesluit) blijkt dat de Directie Informatie, Beheer en Subsidieregelingen onder meer is belast met het uitvoeren van de (financiële) volkshuisvestingsregelingen en de gevalsbehandeling betreffende de hiervoor bedoelde (financiële) regelingen, inclusief AWB zaken. Uit artikel 4 van de Regeling ondermandaat DGW, gelezen in samenhang met artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling taken en bevoegdheden VROM 2004 (Stcrt. 13 juli 2004, nr. 131, pagina 16), volgt dat een beslissing op bezwaar wordt genomen door een hoofd van een dienst of een hoofd van een organisatieonderdeel.

   De uitvoering van de Bijzondere Regelingen, waaronder de Tijdelijke regeling energiepremies 2003 is opgedragen aan het organisatieonderdeel Informatievoorziening, Financiën en Beleid (IFB)) van de Directie Informatie, Beheer en Subsidieregelingen. Met ingang van 1 september 2001 is mr. S.J. Rozema hoofd van dit organisatieonderdeel. Voorts zijn aan hem taken van het Hoofd Uitvoering behorend tot deze directie opgedragen.

   Artikel 7 van de Regeling ondermandaat DGW bepaalt dat de beslissing op bezwaar wordt genomen door een functionaris die hiërarchisch hoger is dan de functionaris die de beslissing heeft genomen waartegen het bezwaarschrift is gericht.

   Ingevolge artikel 9, eerste lid, van deze regeling geschiedt de uitoefening van het mandaat binnen de grenzen van de vastgestelde taken, de functie omschrijving en het Organisatiebesluit en met in achtneming van het ter zake geldende recht alsmede de voor de rijksdienst en voor het ministerie geldende beleids- en uitvoeringsregels.

2.1.3.    Nu artikel 9, tweede lid, van de Regeling ondermandaat DGW is vervallen, geldt niet langer dat de gemandateerde zelf moet beoordelen of hij bevoegd is het besluit te nemen. Naar het oordeel van de Afdeling bevat de Regeling ondermandaat DGW, zoals zij thans geldt, voldoende duidelijke criteria waaruit kan worden afgeleid voor welke bepaalde categorie van besluiten mandaat is verleend. Mede gelet op het Organisatiebesluit en de Regeling taken en bevoegdheden VROM 2004 kan niet worden staande gehouden dat er daaromtrent onzekerheden bestaan. Het betoog van appellante kan mitsdien niet slagen.

   Uit het voorgaande volgt verder dat de onderhavige beslissing op bezwaar is genomen door een hoofd van een organisatieonderdeel, dat behoort tot de Directie Informatie, Beheer en Subsidieregelingen van het Directoraat-Generaal Wonen, welk hoofd in overeenstemming met het bepaalde in artikel 7 van de Regeling ondermandaat DGW hiërarchisch hoger is dan het Hoofd van de Unit Bijzondere Regelingen die de beslissingen heeft genomen waartegen de bezwaarschriften zijn gericht.

2.2.    Ingevolge artikel 15.13, eerste lid, van de Wet milieubeheer (hierna: de Wm) kan verweerder voor bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling aangewezen activiteiten op het gebied van milieubeheer subsidie verstrekken.

2.2.1.    Op basis van artikel 15.13, eerste lid, van de Wm is vastgesteld de Tijdelijke regeling energiepremies 2003 (Stcrt. 2002, nr. 248) (hierna: de premieregeling 2003).

   Ingevolge artikel II, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling intrekking en overgangsbepalingen Tijdelijke regeling energiepremies 2003 (hierna: de Intrekkingsregeling), voorzover thans van belang, is de Tijdelijke regeling energiepremies 2003 (hierna: de premieregeling 2003) ingetrokken met ingang van 16 oktober 2003.

   Ingevolge artikel III van de Intrekkingsregeling, voorzover thans van belang, kan verweerder in gevallen waarin terzake van een apparaat of voorziening de koopovereenkomst in 2002 is gesloten en het indienen van de aanvraag als gevolg van omstandigheden die in redelijkheid niet aan de aanvrager zijn toe te rekenen niet heeft plaatsgehad vóór 2 april 2003 waardoor geen uitkering van energiepremie plaatsvindt uit hoofde van de voor het jaar 2002 geldende regeling, aanvragen toewijzen en energiepremies uitkeren, overeenkomstig de in laatstgenoemde regeling opgenomen Energiepremie-Lijst 2002 voorzover het niet toewijzen zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Tot de voor het jaar 2002 geldende regeling behoren de Regeling Energiepremie 2002 (hierna: de premieregeling 2002) en het besluit van 5 december 2002 (nr. CPP 2002/3625m) van de Directeur-Generaal Belastingdienst waarbij is voorzien in een overgangsregeling voor apparaten die in 2002 zijn gekocht en vóór 2 april 2003 zijn geleverd, aangebracht en in gebruikgenomen en waarvoor vóór 2 april 2003 een aanvraag is ingediend.

2.3.    Vast staat dat appellante tussen april 2002 en oktober 2002 overeenkomsten, waartoe behoorde het aanbrengen van PV-panelen en dak- en vlieringisolatie aan de aan appellante toebehorende 364 woningen, heeft gesloten en dat deze voorzieningen tussen februari 2003 en oktober 2003 met de oplevering van de woningen in gebruik zijn genomen. Voorts is blijkens het verhandelde ter zitting aan appellante voor de vóór 2 april 2003 ingediende en door het energiebedrijf ontvangen aanvragen, welke betrekking hebben op zo'n 200 woningen, op grond van de voor het jaar 2002 geldende regeling energiepremie toegekend. De van 31 oktober 2003 daterende aanvragen van appellante, welke betrekking hebben op de in een resterend aantal woningen aangebrachte voorzieningen, zijn omstreeks 5 november 2003 door het energiebedrijf ontvangen. Het geschil beperkt zich tot deze aanvragen.

2.4.    Bij de bestreden beslissing op bezwaar heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat appellante geen premie toekomt op grond van artikel III van de Intrekkingsregeling, omdat zij van tevoren wist, dat de oplevering en ingebruikname van een deel van de woningen van het renovatieproject niet vóór 2 april 2003 zou plaatsvinden en als gevolg daarvan ook dat de aanvraag evenmin vóór 2 april 2003 kon worden gedaan.

2.5.    Appellante voert hiertegen - zakelijke weergegeven - aan dat zij ten tijde van de in oktober 2002 gesloten overeenkomsten uitsluitend diende rekening te houden met mogelijke wijzigingen in de energiepremielijst per 1 januari 2003, zoals die lijst ook per 1 januari 2001 en 1 januari 2002 was gewijzigd. Niet voorzienbaar was dat de premieregeling 2002 op 1 januari 2003 zou worden ingetrokken en dat daarbij de uiterste indiendatum van 1 april 2003 in het leven zou worden geroepen, zoals die ook in artikel III van de Intrekkingsregeling is neergelegd. Haars inziens kan verweerder haar dan ook niet tegenwerpen dat de aanvraag niet vóór 2 april 2003 is ingediend.

2.5.1.    Dit betoog faalt. Het miskent dat het ten tijde van de indiening van de aan de orde zijnde aanvragen om energiepremie geldende artikel III van de Intrekkingsregeling slechts ziet op gevallen, waarbij de indiening van de aanvraag voor de apparaten of voorzieningen was voorzien vóór 2 april 2003, maar de aanvraag als gevolg van in redelijkheid niet aan de aanvrager toe te rekenen omstandigheden eerst op of na die datum kon worden ingediend. Omdat door appellante reeds in 2002 was overeengekomen dat de oplevering van de woningen eerst na 1 april 2003 zou plaatsvinden, konden de aanvragen daarom niet vóór of op deze datum worden ingediend en is daarom geen plaats voor toepassing van artikel III van de Intrekkingsregeling door verweerder. De Afdeling merkt daarbij op dat uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat jaarlijks werd bezien of de Energiepremieregeling, zoals deze onder de verantwoordelijkheid van de Staatssecretaris van Financiën werd uitgevoerd, zou worden voortgezet en welk bedrag daarvoor beschikbaar was. Aan de hand daarvan werden de voorzieningen op de energiepremielijst jaarlijks opnieuw bezien. Door appellante is erkend dat ook in 2002 al voor haar het risico bestond dat in het daaropvolgende jaar voor de onderhavige voorziening geen premie meer beschikbaar zou worden gesteld. Niet valt in te zien dat appellante, die het risico van een wijziging op 1 januari 2003 van de energiepremielijst welbewust heeft genomen, niettemin geen rekening behoefde te houden met een wijziging in de systematiek van de premieregeling 2003 ten opzichte van de voor het kalenderjaar 2003 geldende regeling. Haar betoog dat zij erop mocht vertrouwen dat de regeling voor 2003 geheel zou aansluiten bij die uit 2002, treft dan ook geen doel en verweerder heeft hierin dan ook geen aanleiding behoeven te zien omstandigheden als bedoeld in artikel III van de Intrekkingsregeling aanwezig te achten.

2.6.    Appellante heeft voorts aangevoerd dat verweerder heeft miskend dat de premieregeling 2002 géén tijdelijke regeling was die enkel zou duren tot 1 januari 2003 en dat de voor de jaren 2002 en 2003 geldende premieregelingen, daaronder begrepen de overgangsregelingen, niet op elkaar aansluiten doordat de omschrijvingen van het begrip aanschaf in beide regelingen andersluidend zijn en zij als gevolg daarvan tussen de wal en het schip valt, nu zij noch voor een premie op grond van de voor 2002 noch voor een premie op grond van de voor 2003 geldende regeling - in het bijzonder artikel 11 van die regeling en het opvolgende min of meer gelijkluidende artikel III van de Intrekkingsregeling - in aanmerking is gekomen.

2.6.1.    Voorzover verweerder zich in het bestreden besluit in verband met dit betoog van appellante een oordeel heeft gevormd over de vraag of appellant recht heeft op een energiepremie op grond van de premieregeling 2002, overweegt de Afdeling, in navolging van haar uitspraak van 18 mei 2005, in zaak nr. 200405818/1, dat de premieregeling 2002 een belastingmaatregel betreft en dat niet verweerder, maar de Staatssecretaris van Financiën of een bestuursorgaan namens hem bevoegd is om op aanvragen om energiepremie op grond van die regeling te beslissen. De bevoegde rechter ter zake van een zodanig besluit is na bezwaar niet de algemene bestuursrechter, maar de belastingrechter. Voorzover appellante met haar aanvragen heeft beoogd een energiepremie te verkrijgen op grond van de premieregeling 2002, kwam verweerder hierover derhalve geen oordeel toe. Gelet op het voorgaande komt de Afdeling evenmin een oordeel toe aangaande de vraag of de voor het jaar 2002 geldende premieregeling op correcte wijze is beëindigd en of de gevolgen daarvan voor rekening van appellante dienen te komen. De Afdeling zal overeenkomstig die uitspraak ook in dit geval het beroep in zoverre het betrekking heeft op de premieregeling 2002 buiten beschouwing laten. De Afdeling verstaat dat verweerder de aanvraag om energiepremie op grond van deze regeling en het daarop betrekking hebbende dossier met toepassing van artikel 2:3 van de Algemene wet bestuursrecht zal doorzenden aan het op grond van die regeling bevoegde bestuursorgaan.

2.7.    Het beroep is ongegrond.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, Voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. S.F.M. Wortmann, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M. Meurs-Heuvel, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak    w.g. Van Meurs-Heuvel

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 september 2005

47-209.