Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU2165

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-09-2005
Datum publicatie
07-09-2005
Zaaknummer
200410621/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij onderscheiden besluiten van 8 september 2003 heeft appellant (hierna: de minister) verzoeken van [verzoekers] (hierna: de vreemdelingen) om hun het Nederlanderschap te verlenen afgewezen.

Wetsverwijzingen
Rijkswet op het Nederlanderschap
Rijkswet op het Nederlanderschap 10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2005, 352 met annotatie van I. Sewandono
JV 2005/429
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200410621/1.

Datum uitspraak: 7 september 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,

appellant,

tegen de uitspraak in de zaken nos. AWB 04/530 en 04/531 van de rechtbank Zwolle van 18 november 2004 in de gedingen tussen:

[verzoekers], wonend te [woonplaats]

en

appellant.

1.    Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 8 september 2003 heeft appellant (hierna: de minister) verzoeken van [verzoekers] (hierna: de vreemdelingen) om hun het Nederlanderschap te verlenen afgewezen.

Bij onderscheiden besluiten van 23 maart 2004 heeft de minister de daartegen door de vreemdelingen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Deze besluiten zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 18 november 2004, verzonden op diezelfde dag, heeft de rechtbank Zwolle (hierna: de rechtbank), voorzover thans van belang, de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en de minister opgedragen om, met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen, binnen zes weken na verzending van de uitspraak nieuwe besluiten op de verzoeken te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 december 2004, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 21 januari 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 17 februari 2005 hebben de vreemdelingen van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 juli 2005, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. M.M. van Asperen, advocaat te Den Haag, en de vreemdelingen, bijgestaan door mr. M.F. Kiers, advocaat te Deventer, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 10 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) kan de Kroon, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, in bijzondere gevallen het Nederlanderschap verlenen met afwijking van het bepaalde in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, c en d, en artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c, van die wet.

   In de Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap 1999 (hierna: de Handleiding) is, voorzover thans van belang, vermeld dat in geval van ambtelijk verzuim, waaronder begrepen onjuiste informatie of nalatigheid van de kant van de overheid, waardoor het Nederlanderschap niet is toegekend, sprake kan zijn van bijzondere omstandigheden, in verband waarmee deze bevoegdheid kan worden toegepast.

2.2.    De minister klaagt dat de rechtbank, door te overwegen dat, nu de vreemdelingen door de gemeente onjuist zijn geïnformeerd en zij ten gevolge daarvan hun verzoeken om naturalisatie eerder hebben ingediend dan zij aan het in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, van de RWN voor naturalisatie gestelde vereiste voldeden, hij zich niet zonder meer op het standpunt mocht stellen dat voor toepassing van die bevoegdheid geen grond bestaat, heeft miskend dat van ambtelijk verzuim, als in de Handleiding bedoeld, geen sprake is, omdat de gemeente niet op een verzoek om naturalisatie kan beslissen, zodat mededelingen en toezeggingen van die zijde hem niet binden en hem, het tot beslissing bevoegde orgaan, niets te verwijten valt. Voorts heeft de rechtbank volgens de minister aldus miskend dat de vreemdelingen door de handelwijze van de gemeente het Nederlanderschap niet is onthouden, hoewel zij daar aanspraak op hadden, zoals in het geval de optietermijn door de gemaakte fout onbenut is verstreken.

2.3.    Blijkens de Handleiding moet een verzoek om naturalisatie in persoon worden ingediend bij de burgemeester. Voorts is in de Handleiding vermeld dat, voorzover thans van belang, de burgemeester aan de hand van de gegevens in de gemeentelijke basisadministratie onderzoekt of de verzoeker aan de op hem van toepassing zijnde verblijfstermijn voldoet. Indien hij niet aan de bij artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, van de RWN, gestelde termijn voldoet, onderzoekt de burgemeester of betrokkene mogelijk voor toepassing van artikel 10 RWN in aanmerking komt. Indien de burgemeester van mening is dat die bepaling kan worden toegepast, neemt hij dit op in zijn advies. Voorts blijkt uit de Handleiding dat, indien de verzoeker niet of nog niet aan de vereisten voor naturalisatie voldoet, hem door de burgemeester ontraden dient te worden het verzoek in te dienen. Indien hij er niettemin op staat het verzoek in te dienen, dient de burgemeester het in ontvangst te nemen. In dat geval ware volgens de Handleiding een woordelijk verslag van het voorgevallene op te maken en door de verzoeker te laten ondertekenen. De verzoeker moet er volgens de Handleiding op worden gewezen dat, in het geval zijn verzoek niet wordt ingewilligd, hij de betaalde leges niet terugkrijgt.

2.4.    Onder deze omstandigheden en lettend op de overige taken die blijkens de Handleiding binnen de naturalisatieprocedure aan de burgemeester zijn toebedeeld, waaronder het geven van voorlichting aan verzoekers om naturalisatie, mocht de minister bij de weigering om de bevoegdheid van artikel 10 van de RWN toe te passen niet volstaan met de mededeling dat informatie en toezeggingen van die zijde hem niet binden. Weliswaar laten dergelijke informatie en toezeggingen de bevoegdheid van de minister om een verzoek om naturalisatie af te wijzen onverlet, maar niet zonder dat onder ogen is gezien of door de burgemeester gedane toezeggingen en gegeven informatie, aan welk bestuursorgaan vele taken, zij het geen beslissende bevoegdheden, bij de uitvoering van de RWN zijn toegekend, tot het oordeel nopen dat sprake is van ambtelijk verzuim, als in de Handleiding bedoeld. Dit geldt te meer, nu de daarin vermelde gevallen zijn opgenomen ten behoeve van de beeldvorming en, gelet hierop, de minister zijn betoog dat geen sprake is van ambtelijk verzuim en derhalve geen grond bestaat voor toepassing van artikel 10 van de RWN, niet zonder nadere motivering kan doen steunen op de in de Handleiding vermelde voorbeelden.

   De klacht faalt.

2.5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, zij het met verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd.

2.6.    De minister dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden verwezen.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    veroordeelt de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie tot vergoeding van bij de vreemdelingen in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderd en vierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie) aan de vreemdelingen te worden betaald.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. D. Roemers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Taal, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb    w.g. Taal

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 september 2005

382.