Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU2158

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-09-2005
Datum publicatie
07-09-2005
Zaaknummer
200501706/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 november 2001 heeft de raad van de gemeente Aa en Hunze (hierna: de raad) aan appellant € 907,56 ter vergoeding van planschade toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200501706/1.

Datum uitspraak: 7 september 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. 02/423 BELEI van de rechtbank Assen van 21 januari 2005 in het geding tussen:

appellant

en

de raad van de gemeente Aa en Hunze.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 29 november 2001 heeft de raad van de gemeente Aa en Hunze (hierna: de raad) aan appellant € 907,56 ter vergoeding van planschade toegekend.

Bij besluit van 24 april 2002 heeft de raad, in overeenstemming met het advies van de commissie van advies voor de bezwaar- en beroepschriften van de gemeente Aa en Hunze van 20 februari 2002, het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 januari 2005, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Assen (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 24 februari 2005, bij de Raad van State ingekomen op 25 februari 2005, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 24 maart 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 19 april 2005 heeft de raad van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 juni 2005, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. B. Hamburger, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand, en de raad, vertegenwoordigd door A. Thieme, ambtenaar bij de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.       Ingevolge artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), zoals dit luidde ten tijde hier van belang en voorzover hier van belang, kent de gemeenteraad, voorzover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van de bepalingen van een bestemmingsplan schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

2.2.    Appellant, eigenaar van de woning aan de [locatie] te [plaats], heeft verzocht om vergoeding van de schade ten bedrage van ƒ 70.000,-- (€ 31.764,62) in de vorm van waardevermindering van zijn gronden, bestaande uit een perceel met daarop een woning en een nabijgelegen paardenweide, ten gevolge van het bestemmingsplan "Annen Noord-West".

2.3.    Ingevolge het voorheen ter plaatse vigerende bestemmingsplan "Buitengebieden" uit 1974 hadden de paardenweide en de daarom heen gelegen gronden de bestemming "Agrarisch gebied zonder bebouwing". Deze gronden waren bestemd voor agrarische cultuurgrond. Hierop was uitsluitend de bouw van agrarische gebouwen van ondergeschikte aard toegestaan.

2.4.    Bij het bestemmingsplan "Annen Noord-West", dat op 7 november 1996 door de raad is vastgesteld, op 18 juli 1997 is goedgekeurd door gedeputeerde staten en op 16 februari 1999 onherroepelijk is geworden, heeft de paardenweide van appellant de bestemming "Groenvoorziening" gekregen en de ten westen en noorden daarvan gelegen gronden de bestemming "Woongebied" en "Woondoeleinden". Aan de gronden met de bestemming "Groenvoorzieningen" zijn de doeleinden 'groenvoorzieningen in de vorm van een paardenweide en groensingel en een groenzone tussen bestaande bebouwing en plangebied', en 'water' toegekend. Op deze gronden mogen geen gebouwen worden opgericht en geen andere bouwwerken hoger dan 1,5 m.

De gronden met de bestemming "Woondoeleinden" strekken zich uit tot circa 85 m ten westen van de paardenweide en zijn bestemd voor wonen, wegen, groenvoorzieningen, nutsvoorzieningen en maatschappelijke voorzieningen. De gronden rond de paardenwei mogen worden bebouwd met woningen met een goothoogte van maximaal 5,5 m. Voor aan- en bijgebouwen geldt een maximale goothoogte van 2,5 m. Aan de noordzijde nabij de hoofdontsluiting is bebouwing in woonlagen met een maximale hoogte van 11 m toegestaan.

Het aan de oostzijde langs de paardenweide gelegen openbare schelpenpad heeft op grond van het ter plaatse vigerende bestemmingsplan "De Holtkampen Noord 3e fase" van 1978 de bestemming "Wegen (rijwegen, voetpaden en parkeerplaatsen)".

2.5.    Bij het besluit van 24 april 2002 heeft de raad, onder handhaving van zijn beslissing van 29 november 2001 en in overeenstemming met het advies van de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: de SAOZ) van oktober 2001, de waardevermindering ten gevolge van de planologische wijziging vastgesteld op € 907,56 (ƒ 2.000,--). De raad heeft zich daarbij, in navolging van de SAOZ, op het standpunt gesteld dat het perceel waarop de woning van appellant zich bevindt (hierna: het woonperceel) en de paardenweide, mede gezien de daartussen gelegen afstand, als afzonderlijke onroerende zaken moeten worden beschouwd. Het schadebedrag is gebaseerd op de vermindering van de waarde van de paardenweide door privacy- en uitzichtverlies, geluidhinder en aangetaste ligging van de weide.

2.6.    De rechtbank heeft, mede gelet op de door haar ingewonnen adviezen van de door haar benoemde deskundige, de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: de StAB), van 7 oktober 2003 en 16 december 2003, alsmede op het advies van de door haar ingeschakelde taxateur J. Wichers van Boelens Jorritsma Makelaars te Groningen van 22 september 2004, het besluit van 24 april 2002 vernietigd en de raad opgedragen om, met inachtneming van de uitkomsten en de conclusie van laatstbedoeld onderzoek, strekkend tot de toekenning van planschadevergoeding aan appellant tot een bedrag van € 1.500,--, een nieuw besluit te nemen.

Blijkens de uitspraak ziet de door de rechtbank vastgestelde planschadevergoeding op waardevermindering van de paardenweide als zodanig.

2.7.    Volgens appellant heeft de rechtbank miskend dat bij de vaststelling van de waardedaling van zijn grond door de planologische wijziging dient te worden uitgegaan van de waarde van het woonperceel en de paardenweide als economische eenheid en dat de waarde van deze eenheid groter is dan de waarde van het woonperceel en de weide afzonderlijk. Hij heeft ter onderbouwing daarvan een drietal deskundigenrapporten overgelegd. Volgens appellant hebben ook de door de rechtbank ingeschakelde deskundigen hun taxaties op de eenheid van paardenweide en woning gebaseerd, zodat de aangevallen uitspraak in de rapporten van die deskundigen in zoverre geen grondslag vindt.

Ter zitting heeft appellant de door hem gevorderde planschade nader gesteld op € 10.000,--.

2.8.    Niet in geschil is dat het nieuwe bestemmingsplan geen planologische mutatie inhoudt voor het woonperceel van appellant, doch uitsluitend voor de paardenweide.

Partijen worden uitsluitend verdeeld gehouden door de vraag of er bij de bepaling van de omvang van de door appellant geleden schade al dan niet van moet worden uitgegaan dat het woonperceel een eenheid vormt met de paardenweide.

2.9.    Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich, in navolging van het advies van de SAOZ, terecht op het standpunt gesteld dat het woonperceel en de paardenweide moeten worden aangemerkt als afzonderlijke onroerende zaken. Vast staat dat de percelen van elkaar gescheiden zijn middels een gemiddeld 15 meter brede bosstrook, die eigendom is van een derde, dat tussen die strook en de paardenweide een openbaar wandelpad is gelegen en dat de weide vanaf het woonperceel van appellant slechts bereikbaar is via een door de bosstrook gebaande doorgang, omtrent welke doorgang geen zakelijk of persoonlijk recht is gevestigd.

Gezien deze omstandigheden doet zich tussen het woonperceel en het weiland niet een zodanige samenhang voor, dat de raad er bij de vaststelling van de waardevermindering van de onroerende zaken van appellant niet van mocht uitgaan dat de waarde niet behoefde te worden bepaald aan de hand van een woonperceel met aangrenzende paardenweide. Hierbij dient met name belang te worden toegekend aan het feit dat vanaf het woonperceel geen reguliere toegang naar het weiland bestaat en dat, naar ter zitting van de zijde van de raad is verklaard, het creëren van uitwegen ter plaatse niet wordt toegestaan.

2.10.    De raad is er dan ook terecht van uitgegaan dat bij de vaststelling van de toe te kennen schadevergoeding de afzonderlijke waarden van het woonperceel en de paardenweide tot uitgangspunt moesten worden genomen en dat, aangezien vast staat dat het bestemmingsplan "Annen Noord-West" geen invloed heeft gehad op de waarde van het woonperceel, de vaststelling van de aan appellant toe te kennen schadevergoeding diende te worden gebaseerd op de waardedaling van de paardenweide. Appellant heeft de juistheid van het door de rechtbank vastgestelde schadebedrag van  € 1.500,-- niet bestreden. Nu de raad niet in hoger beroep is gekomen tegen de uitspraak van de rechtbank en moet worden voorkomen dat appellant door het instellen van het hoger beroep in een nadeliger positie komt te verkeren dan daarvoor, kan de juistheid van de door de raad aangehouden omvang van de waardevermindering van € 907,56 hier verder in het midden blijven.

2.11.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet, met verbetering van gronden, worden bevestigd.

2.12.     Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, Voorzitter, en mr. B.J. van Ettekoven en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. N.T. Zijlstra, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak    w.g. Zijlstra

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 september 2005

240.