Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU2134

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-09-2005
Datum publicatie
07-09-2005
Zaaknummer
200502220/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 januari 2005, kenmerk 2004/10121, heeft verweerder aan appellant sub 1 een vergunning, als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer, deels verleend en deels geweigerd voor het oprichten en in werking hebben van een duivenhouderij op het perceel [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2006, 6K
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200502220/1.

Datum uitspraak: 7 september 2005.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2.    [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

3.    [appellanten sub 3], allen wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 20 januari 2005, kenmerk 2004/10121, heeft verweerder aan appellant sub 1 een vergunning, als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer, deels verleend en deels geweigerd voor het oprichten en in werking hebben van een duivenhouderij op het perceel [locatie] te [plaats].

Dit besluit is op 2 februari 2005 ter inzage gelegd.Tegen dit besluit hebben appellant sub 1 bij brief van 13 maart 2005, bij de Raad van State ingekomen op 15 maart 2005, appellant sub 2 bij brief van 15 maart 2005, bij de Raad van State ingekomen op 16 maart 2005, en appellanten sub 3 bij brief van 15 maart 2005, bij de Raad van State ingekomen op 16 maart 2005, beroep ingesteld. Appellanten sub 3 hebben hun beroep aangevuld bij brief van 13 april 2005.

Bij brief van 19 mei 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten sub 3. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 augustus 2005, waar appellant sub 1, in persoon en bijgestaan door mr. E.W. Roessingh, advocaat te Hengelo, appellant sub 2, in persoon en bijgestaan door mr. M.A. de Boer, appellanten sub 3, van wie [twee der appellanten sub 3] in persoon en bijgestaan door mr. C.J.R. van Binsbergen, advocaat te Alphen aan den Rijn, en verweerder, vertegenwoordigd door ing. E. de Groot, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

2.2.    Verweerder heeft gesteld dat het beroep van appellanten sub 3 niet-ontvankelijk is voorzover het de grond betreft dat ten onrechte niet is getoetst aan het Besluit luchtkwaliteit en de Nederlandse Emissie Richtlijnen Lucht.

   Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer, zoals dat luidde vóór 1 juli 2005, kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a.    degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b.    de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c.    degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d.    belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

   Anders dan verweerder heeft gesteld vindt het beroep in zoverre wel zijn grondslag in de bedenkingen waarin immers is aangevoerd dat sprake is van (stof)hinder als gevolg van het in werking zijn van de inrichting. Het beroep van appellanten sub 3 is daarom ontvankelijk.

2.3.    De bij het bestreden besluit verleende oprichtingsvergunning heeft betrekking op het houden van maximaal 250 duiven. De aanvraag betrof het houden van 350 duiven.

2.4.    Appellant sub 1 betoogt dat in dit geval voor het houden van duiven geen vergunning krachtens de Wet milieubeheer is vereist, omdat het slechts om een hobbymatige activiteit gaat.

2.4.1.    Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer wordt onder inrichting verstaan: elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht.

   Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (hierna: het Besluit), in samenhang met bijlage I, categorie 8, onderdeel a, is een krachtens de Wet milieubeheer verleende vergunning vereist voor een inrichting voor het kweken, fokken, mesten, houden, verhandelen, verladen of wegen van dieren.

2.4.2.    Blijkens het verhandelde ter zitting worden de duiven door appellant sub 1 gehouden in hokken in de garage, twee volières en een houten hok in de tuin op het perceel [locatie] te [plaats]. Niet gebleken is van een op winst gerichte bedrijfsmatige exploitatie of van bedrijfsmatig commerciële activiteiten. Gelet echter op het aantal te houden duiven en de wijze waarop deze dieren zijn gehuisvest, waardoor een zekere continuïteit bestaat van de verrichte activiteiten, is in het onderhavige geval sprake van een bedrijvigheid in een omvang alsof zij bedrijfsmatig is die, gezien categorie 8.1 van bijlage I bij het Besluit, moet worden aangemerkt als een vergunningplichtige inrichting in de zin van de Wet milieubeheer.

2.5.    Appellanten sub 3 betogen dat verweerder met het verlenen van een vergunning voor het houden van maximaal 250 duiven de grondslag van de aanvraag, die voorzag in het houden van 350 duiven, heeft verlaten.

   Naar het oordeel van de Afdeling leidt vergunningverlening voor een aantal van maximaal 250 duiven er niet toe dat een geheel andere inrichting ontstaat dan die welke is aangevraagd voor 350 duiven, mede gelet op hetgeen is vermeld in rechtsoverweging 2.4.2. Van het verlaten van de grondslag van de aanvraag is dan ook geen sprake.

2.6.    Appellant sub 1 betoogt dat verweerder ten onrechte maximaal 250 duiven in plaats van de door hem aangevraagde 350 duiven heeft vergund. Appellant sub 1 voert in dit verband aan dat deze gedeeltelijke weigering niet berust op enig onderzoek.

   Appellanten sub 2 en sub 3 betogen dat het houden van 250 duiven leidt tot ontoelaatbare hinder, die niet kan worden voorkomen door het stellen van voorschriften en beperkingen, althans niet met de voorschriften en beperkingen die verweerder in dit geval heeft gesteld. Verweerder heeft volgens hen onvoldoende onderzoek verricht naar de optredende hinder als gevolg van het houden van duiven. Appellanten betogen dat slechts in geval van hobbymatig houden van duiven, waarbij zij uitgaan van een aantal van 25 tot 40 duiven, deze hinder tot een aanvaardbaar niveau kan worden beperkt.

2.6.1.    Verweerder stelt zich op het standpunt dat vergunning kan worden verleend voor het houden van maximaal 250 duiven. De aan de vergunning verbonden voorschriften acht hij toereikend ter voorkoming dan wel voldoende beperking van hinder die als gevolg van het in werking zijn van de inrichting kan optreden.

2.6.2.    Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

   Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

   Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.6.3.    Blijkens het bestreden besluit heeft verweerder naar aanleiding van de ingebrachte bedenkingen besloten niet de 350 aangevraagde duiven te vergunnen, maar een maximum aantal van 250 stuks. Voor de bepaling van dit maximum heeft verweerder, zo blijkt uit het bestreden besluit, aansluiting gezocht bij een vergunning voor het houden van duiven in de gemeente Baarn. Aangezien deze vergunning in beroep stand heeft gehouden, is hij er daarom van uit gegaan dat het houden van maximaal 250 duiven toelaatbaar is.

   Wat er zijn moge van de vergelijkbaarheid van de procedure waarop verweerder zich beroept in het onderhavige geval, niet is gebleken enerzijds dat verweerder heeft onderzocht of de nadelige gevolgen die de inrichting als gevolg van het houden van 350 duiven voor het milieu kan veroorzaken niet door het stellen van voorschriften en beperkingen kunnen worden voorkomen dan wel voldoende beperkt. Anderzijds heeft verweerder onvoldoende onderzocht of het houden van 250 duiven onder het stellen van voorschriften en beperkingen in dit geval geen onaanvaardbare hinder tot gevolg heeft en of ter voorkoming dan wel voldoende beperking van hinder behalve de aan de vergunning verbonden voorschriften - die beperkt zijn in aantal en voornamelijk doelvoorschriften inhouden - nog andere voorschriften aan de vergunning kunnen worden verbonden met daarin maatregelen om onaanvaardbare hinder te voorkomen. Gelet op het vorenstaande moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht op grond waarvan een besluit zorgvuldig dient te worden voorbereid en deugdelijk moet worden gemotiveerd. Deze beroepsgronden slagen.

2.7.    De beroepen zijn gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking meer.

2.8.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart de beroepen gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn van 20 januari 2005, kenmerk 2004/10121;

III.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van de beroepen opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, voor appellant sub 1, tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, voor appellant sub 2 en tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, voor appellanten sub 3; deze dienen door de gemeente Alphen aan den Rijn aan appellanten onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IV.    gelast dat de gemeente Alphen aan den Rijn aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 138,00 (zegge: honderdachtendertig euro) voor appellant sub 1, € 138,00 (zegge: honderdachtendertig euro) voor appellant sub 2 en € 138,00 (zegge: honderdachtendertig euro) voor appellanten sub 3 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, Voorzitter, en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens en mr. J.H. van Kreveld, Leden, in tegenwoordigheid van mr. D. van Leeuwen, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll    w.g. Van Leeuwen

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 september 2005.

373.