Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU0381

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-07-2005
Datum publicatie
03-08-2005
Zaaknummer
200505073/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 mei 2005, kenmerk MPM865, heeft verweerder krachtens de artikelen 7.28, tweede lid, van de Wet milieubeheer en 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht besloten het door verzoekster op 23 december 2004 bij verweerder ingediende stuk "Aanvraag revisie milieuvergunning [Afvalverwerking] (hierna: het stuk) buiten behandeling te laten.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 7.16
Wet milieubeheer 7.17
Wet milieubeheer 7.19
Wet milieubeheer 7.28
Besluit milieu-effectrapportage 1994
Besluit milieu-effectrapportage 1994 2
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2005/82 met annotatie van Pieters
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200505073/1.

Datum uitspraak: 25 juli 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekster], gevestigd te [plaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 17 mei 2005, kenmerk MPM865, heeft verweerder krachtens de artikelen 7.28, tweede lid, van de Wet milieubeheer en 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht besloten het door verzoekster op 23 december 2004 bij verweerder ingediende stuk "Aanvraag revisie milieuvergunning [Afvalverwerking] (hierna: het stuk) buiten behandeling te laten.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt. Bij brief van 9 juni 2005, bij de Raad van State ingekomen op 10 juni 2005, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 12 juli 2005, waar verzoekster, vertegenwoordigd door A. Schuurman en drs. G.J. van Rootselaar, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. R.J. Rigterink en A.C. van Heezen, beiden ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 7.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer, voor zover hier van belang, worden bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten aangewezen ten aanzien waarvan het bevoegd gezag krachtens artikel 7.8b en 7.8d moet bepalen of voor de activiteit, vanwege de bijzondere omstandigheden waaronder zij wordt ondernomen, een milieueffectrapport moet worden gemaakt.

   In categorie 18.3 van onderdeel D van de bijlage behorende bij het Besluit milieu-effectrapportage 1994 (hierna: het Besluit mer 1994) wordt, voor zover hier van belang, als activiteit als bedoeld in artikel 7.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer aangewezen: de uitbreiding van een inrichting bestemd voor de verwijdering van afvalstoffen in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een capaciteit van 250.000 m³ of meer voor het storten van afvalstoffen.

   In artikel 7.8a, eerste lid, van de Wet milieubeer is bepaald dat, indien degene die een activiteit onderneemt, aangewezen krachtens artikel 7.4, voornemens is een verzoek in te dienen tot het nemen van een krachtens dat artikel aangewezen besluit, hij dat voornemen schriftelijk mededeelt aan het bevoegd gezag.

   Ingevolge artikel 7.8a, tweede lid, van de Wet milieubeheer wordt bij de mededeling, bedoeld in het eerste lid, in elk geval aandacht besteed aan de in artikel 7.8b, eerste lid, bedoelde bijzondere omstandigheden waaronder de activiteit wordt ondernomen.

   Ingevolge artikel 7.8b, eerste lid, van de Wet milieubeheer, voor zover hier van belang, neemt het bevoegd gezag uiterlijk zes weken na de datum van ontvangst een beslissing omtrent de vraag of bij de voorbereiding van het betrokken besluit voor de activiteit, vanwege de bijzondere omstandigheden waaronder deze activiteit wordt ondernomen, een milieueffectrapport moet worden gemaakt.

   Ingevolge artikel 7.28, tweede lid, van de Wet milieubeheer, laat het bevoegd gezag de aanvraag buiten behandeling indien een besluit als bedoeld in artikel 7.8a krachtens wettelijk voorschrift op aanvraag wordt genomen en bij het indienen van de aanvraag geen afschrift is gevoegd van de beslissing krachtens artikel 7.8b, eerste lid, inhoudende dat geen milieueffectrapport behoeft te worden gemaakt of bij het indienen van de aanvraag geen milieueffectrapport is overgelegd.

   Ingevolge artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan het bestuursorgaan, indien de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag of indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, besluiten de aanvraag niet te behandelen, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag aan te vullen.

2.2.    Verweerder stelt dat het stuk om twee redenen buiten behandeling dient te worden gelaten.

   In de eerste plaats is bij het stuk geen afschrift gevoegd van een beslissing dat geen milieueffectrapport behoeft te worden gemaakt, noch is bij het stuk een milieueffectrapport overgelegd, zodat het stuk op grond van artikel 7.28, tweede lid, van de Wet milieubeheer buiten behandeling dient te worden gelaten. Verweerder betoogt in dit verband dat het stuk ziet op een uitbreiding van de stortcapaciteit van de inrichting met 1.500.000 m³. Gelet hierop moet volgens verweerder ingevolge artikel 7.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer, in samenhang met artikel 2, tweede lid, van het Besluit mer 1994 en categorie 18.3 van onderdeel D van de bijlage behorende bij het Besluit mer 1994, worden beoordeeld of voor deze activiteit een milieueffectrapport moet worden gemaakt.

   Verweerder stelt zich verder op het standpunt dat het stuk niet voldoet aan artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, omdat de noodzaak tot uitbreiding van de stortcapaciteit van de inrichting, mede gelet op het gestelde in het Landelijk afvalbeheerplan 2002-2012, onvoldoende is gemotiveerd.

2.3.    Verzoekster stelt dat verweerder het stuk ten onrechte buiten behandeling heeft gelaten. Volgens verzoekster is, anders dan verweerder betoogt, geen sprake van een uitbreiding van de stortcapaciteit van de inrichting. Volgens verzoekster behoeft daarom ook niet te worden beoordeeld of voor de activiteiten een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Zij wijst er in dit verband op dat ten aanzien van de thans voorgenomen capaciteit reeds in 1994 een milieueffectrapport is gemaakt.

2.4.    Niet in geschil is dat voor een deel van de capaciteit waarvoor in 1994 een milieueffectrapport is gemaakt, bij besluit van 13 november 1995 geen vergunning is verleend. Nu de voorgenomen activiteit betrekking heeft op de volledige capaciteit waarvoor in 1994 een milieueffectrapport is gemaakt, ziet deze op een uitbreiding van de bij voornoemd besluit vergunde capaciteit. De uitbreiding bedraagt meer dan 250.000 m³, zodat de activiteit behoort tot categorie 18.3 van onderdeel D van de bijlage behorende bij het Besluit mer 1994. Het feit dat voor de capaciteit waarop het voornemen betrekking heeft reeds een milieueffectrapport is gemaakt, maakt dit niet anders.

   De Voorzitter overweegt dat verzoekster in het als aanvraag ingediende stuk van 23 december 2004 zich ter onderbouwing van het standpunt dat geen mer-beoordelingsplicht bestaat, onder meer beroept op een toereikend in 1994 opgesteld milieueffectrapport. Verweerders besluit van 17 mei 2005 berust primair op het standpunt dat de procedure inzake de mer-beoordelingsplicht moet worden doorlopen, zonder dat verweerder tot een uitspraak komt over de - slechts terzijde door verweerder opgemerkte - mogelijkheid dat van het bestaande milieueffectrapport gebruik wordt gemaakt.

   Verweerder is slechts gehouden een besluit ingevolge artikel 7.8b van de Wet milieubeheer te nemen, indien een mededeling als bedoeld in artikel 7.8a, eerste lid, van die wet is gedaan. Gelet op de voorafgaande contacten en de strekking van onderdeel 3.3 van het door verzoekster op 23 december 2004 ingediende stuk had verweerder aanleiding moeten zien dit stuk allereerst te behandelen als een schriftelijke mededeling van een voornemen in de zin van voormeld artikel 7.8a, eerste lid, van de Wet milieubeheer, waarbij genoegzaam op de voet van artikel 7.8a, tweede lid, van de Wet milieubeheer aandacht is besteed aan de in artikel 7.8b, eerste lid, bedoelde bijzondere omstandigheden. Ingevolge artikel 7.8b, eerste lid, van de Wet milieubeheer diende verweerder derhalve een beslissing te nemen omtrent de vraag of, vanwege de bijzondere omstandigheden waaronder de activiteit wordt ondernomen, een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Gelet op het bepaalde in artikel 7.16 van de Wet milieubeheer ware bij deze beslissing, indien deze inhoudt dat een milieueffectrapport moet worden gemaakt, tevens te bezien geweest in hoeverre gebruik kan worden gemaakt van het in het verleden opgestelde milieueffectrapport, zo nodig mede naar aanleiding van het in artikel 7.8b, tweede lid, bedoelde overleg. Nu verweerder dit in het onderhavige geval heeft nagelaten, heeft verweerder ten onrechte reeds getoetst aan de artikelen 7:28, tweede lid, van de Wet milieubeheer en 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, met als gevolg verlies van tijd die nodig is om voorafgaand aan de expiratiedatum van de geldende vergunning tot besluitvorming omtrent de benodigde revisievergunning te komen.

   Wat de stelling van verweerder betreft dat verzoekster in het op 23 december 2004 ingediende stuk niet heeft voldaan aan de eisen van artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, overweegt de Voorzitter overigens dat verweerder, alvorens hij krachtens deze bepaling kan beslissen om een aanvraag buiten behandeling te laten, de aanvrager de gelegenheid moet hebben geboden om de aanvraag, binnen een door hem gestelde termijn, aan te vullen. Nog afgezien van de omstandigheid dat het stuk in dit stadium van de procedure diende te worden behandeld als mededeling van een voornemen in de zin van artikel 7.8a, eerste lid, van de Wet milieubeheer, is het de Voorzitter uit de stukken en het verhandelde ter zitting niet gebleken dat verweerder verzoekster gelegenheid heeft geboden tot aanvulling op het punt van de motivering van de noodzaak tot uitbreiding van de stortcapaciteit.

2.5.    Gelet op het vorenstaande ziet de Voorzitter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.6.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 17 mei 2005, kenmerk MPM865;

II.    treft de voorlopige voorziening dat verweerder uiterlijk vier weken na deze uitspraak een beslissing neemt omtrent de vraag of bij de voorbereiding van het betrokken besluit voor de activiteit, vanwege de bijzondere omstandigheden waaronder deze activiteit wordt ondernomen, een milieueffectrapport moet worden gemaakt;

III.    gelast dat de provincie Gelderland aan verzoekster het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 276,00 (zegge: tweehonderdzesenzeventig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. E.M.H. Hirsch Ballin, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, ambtenaar van Staat.

w.g. Hirsch Ballin    w.g. Kuipers

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2005

271-415.