Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU0147

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-07-2005
Datum publicatie
27-07-2005
Zaaknummer
200203803/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 juni 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Enschede (hierna: het college) met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) afgewezen het verzoek van appellant om de op 17 januari 1990 aan Dunehold B.V. verleende bouwvergunning voor het bouwen van elf seizoensverblijven op een terrein aan de Oude Deldenerweg te Boekelo (hierna: de bouwvergunning) in te trekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2005, 159 met annotatie van J. de Vries
Module Ruimtelijke ordening 2005/2066
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200203803/1.

Datum uitspraak: 27 juli 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 31 mei 2002 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Enschede.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 28 juni 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Enschede (hierna: het college) met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) afgewezen het verzoek van appellant om de op 17 januari 1990 aan Dunehold B.V. verleende bouwvergunning voor het bouwen van elf seizoensverblijven op een terrein aan de Oude Deldenerweg te Boekelo (hierna: de bouwvergunning) in te trekken.

Bij besluit van 3 oktober 2001 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 31 mei 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Almelo (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 11 juli 2002, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn ingediend bij brief van 12 augustus 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 28 november 2002 heeft het college van antwoord gediend.

Tussen partijen heeft vervolgens mediation plaatsgevonden. In verband daarmee is de behandeling ter zitting van de zaak uitgesteld tot na eind december 2004.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

Bij brief van 8 februari 2005 heeft de Voorzitter van de Afdeling het verzoek van appellant het vooronderzoek te heropenen afgewezen.

Bij brief van 14 februari 2005, ingekomen bij de Raad van State op dezelfde dag, heeft appellant verzocht om toepassing van artikel 8:15 van de Awb ten aanzien van mr. E.M.H. Hirsch Ballin en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt, die als voorzitter, respectievelijk lid zijn belast met de behandeling van de onderhavige zaak. Dit verzoek is bij mondelinge beslissing van 17 februari 2005 door de wrakingskamer van de Afdeling afgewezen.

Vervolgens heeft de Afdeling de zaak ter zitting behandeld op 17 februari 2005, waar appellant in persoon en het college, vertegenwoordigd door mr. W.D. Piek, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Op deze zitting heeft de Afdeling het onderzoek geschorst en het college verzocht nadere informatie te verstrekken omtrent de samenstelling en werkwijze van de bezwaarschriftencommissie, waarop door het college bij schrijven van 23 februari 2005 is geantwoord. Bij brief van 7 maart 2005 heeft appellant hierop een reactie gegeven.

De Afdeling heeft de behandeling ter zitting vervolgens voortgezet op 26 april 2005, waar appellant is verschenen. Omdat het college op die zitting niet was vertegenwoordigd, hoewel het daartoe krachtens artikel 8:27, eerste lid, van de Awb was opgeroepen, heeft de Afdeling besloten het onderzoek ter zitting wederom te schorsen en dit op een nader te bepalen moment voort te zetten. Op 6 juni 2005 is het onderzoek ter zitting voortgezet, alwaar appellant, in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mr. W.D. Piek, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Appellant betoogt dat de rechtbank er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat hij om wraking van mr. R.J. Jue heeft verzocht.

2.1.1.    Dit betoog faalt, nu niet is gebleken dat appellant een daartoe strekkend verzoek heeft gedaan. De door appellant bedoelde brief van 15 januari 2002 kan niet als zodanig worden opgevat. In deze brief verzoekt appellant namelijk niet om wraking, maar verwoordt hij zijn standpunt dat hij behandeling van zijn zaak door onder meer mr. R.J. Jue als een verzoek om uitlokking van een beroep op artikel 8:15 van de Awb opvat. Appellant heeft echter op de zitting van de rechtbank van 16 mei 2002 geen wrakingsverzoek gedaan.

   Voor zover appellant in hoger beroep verzoekt om wraking van mr. R.J. Jue en mr. G.J.M. Annink, wordt overwogen dat dit verzoek buiten behandeling wordt gelaten, reeds omdat het verzoek geen betrekking heeft op leden van de Afdeling.

2.2.    Hetgeen appellant aanvoert omtrent de werkwijze en de uitspraken van de sector bestuursrecht van de rechtbank Almelo, biedt geen aanknopingspunten voor het oordeel dat aan hem - in strijd met artikel 6, eerste lid, van het Europese Verdrag tot bescherming van rechten van de mens en de fundamentele vrijheden - de toegang tot de rechter is onthouden. Dit betoog kan dan ook geen doel treffen.

2.3.    De eerst ter zitting naar voren gebrachte stelling van appellant dat de ondertekening van het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank blijk geeft van onregelmatigheden, laat de Afdeling uit een oogpunt van een goede procesorde buiten beschouwing, nu niet valt in te zien dat appellant het door hem gestelde, wat daar verder ook van zij, niet eerder in de procedure bij de Afdeling naar voren had kunnen brengen.

2.4.    Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 Awb aan zijn verzoek ten grondslag heeft gelegd. De wijze waarop de rechtbank artikel 4:6 van de Awb heeft toegepast, leidt er volgens hem toe dat een beroep op de in artikel 59, eerste lid, van de Woningwet (hierna: Ww) vermelde intrekkingsgronden illusoir wordt gemaakt.

2.4.1.    Ingevolge artikel 4:6 van de Awb, voor zover hier van belang, is de aanvrager, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Het bestuursorgaan kan de aanvraag, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere besluit.

2.4.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in haar uitspraak van 4 april 2003, in zaak no. 200206882/1, AB 2003, 315), geeft artikel 4:6 van de Awb voor de bestuurlijke besluitvorming invulling aan het algemene rechtsbeginsel inhoudende dat niet meermalen wordt geoordeeld over eenzelfde zaak (ne bis in idem). Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan het verzoek zonder nader onderzoek afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere besluit.

   Onder nieuwe feiten en omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb worden begrepen feiten of omstandigheden die zijn voorgevallen na het nemen van het eerdere besluit of die niet vóór het nemen van dat besluit konden worden aangevoerd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke beoordeling rechtvaardigen, indien op voorhand uitgesloten is dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd kan afdoen aan het eerdere besluit en de overwegingen waarop dat rust.

2.4.3.    Anders dan appellant betoogt, is de mogelijkheid om een herhaalde aanvraag met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb af te doen niet beperkt tot gevallen waarin de rechtmatigheid van het besluit op een eerdere aanvraag materieel is getoetst en is komen vast te staan.

2.4.4.    Appellant keert zich terecht tegen de overweging van de rechtbank dat zij, ook wanneer sprake is van nieuwe feiten, niet inziet welk processueel belang appellant bij het ingestelde beroep heeft. Wanneer de rechtbank namelijk tot de conclusie zou komen dat het college ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, zou een gegrondverklaring van het beroep en een vernietiging van de beslissing op bezwaar zijn aangewezen. Deze overweging is evenwel niet dragend voor de beslissing omdat de rechtbank vervolgens de rechtmatigheid van het besluit heeft beoordeeld door te toetsen of het college bevoegd was het verzoek om intrekking van de bouwvergunning af te wijzen, onder verwijzing naar artikel 4:6 van de Awb.

2.4.5.    Vaststaat dat bij het primaire besluit van 28 juni 2001 is beslist op een vierde verzoek van appellant tot intrekking van de bouwvergunning. De besluiten van het college van 6 maart 1998, 14 juli 2000 en 30 november 2000, waarbij is beslist op drie eerdere verzoeken van appellant, die dateren van 24 november 1995, 25 januari 2000 en 8 november 2000, zijn onherroepelijk geworden.

2.4.6.    Reeds bij het onherroepelijke besluit van 6 maart 1998 heeft het college geweigerd om de bouwvergunning in te trekken wegens overschrijding van de in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder c, van de Ww bedoelde termijn.

2.4.7.    Voorts staat vast dat appellant zijn eerdere verzoek van 8 november 2000, dat bij onherroepelijk besluit van 30 november 2000 is afgewezen, reeds mede heeft doen steunen op de in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, bedoelde intrekkingsgrond, zodat deze grond niet als een nieuw feit of veranderde omstandigheid kan worden aangemerkt. Hetzelfde geldt ten aanzien van de overige door appellant aangevoerde gronden - het beroep op artikel 59, eerste lid, aanhef en onder d, van de Ww, voor zover niet reeds aangevoerd, het vanaf maart 2000 geldende intrekkingsbeleid ten aanzien van bouwvergunningen en de omstandigheid dat aan Spoolder B.V. bouwvergunning voor de bouw van de zomerwoningen is verleend - omdat deze gronden reeds vóór het besluit van 30 november 2000 aangevoerd hadden kunnen (en moeten) worden.

2.4.8.    Ook de door appellant naar voren gebrachte omstandigheid dat in een door hem overgelegd ambtelijk stuk, aangeduid als "Aktiepunten Buitengebied", stimulering van toerisme is vermeld als reden om de bouwvergunning niet in te trekken, alsmede de omstandigheid dat blijkens notulen van een zitting van de Commissie voor Bezwaar en Beroep van 21 juli 1998 door een vertegenwoordiger van het college is opgemerkt dat appellant een direct aanwijsbaar belang heeft bij intrekking van de bouwvergunning, zijn geen omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb omdat is uitgesloten dat deze omstandigheden kunnen afdoen aan de eerdere besluiten en de overwegingen waarop die rusten. Immers, ook als zou moeten worden geoordeeld dat hieruit blijkt van een andere opvatting ten aanzien van de weigering de bouwvergunning in te trekken, geldt dat de eerder door het college gegeven motivering is vastgelegd in onherroepelijke besluiten.

2.4.9.    De slotsom is dan ook dat het college het verzoek met toepassing van artikel 4:6 mocht afwijzen omdat door appellant geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van deze bepaling zijn vermeld.

2.5.    Appellant heeft verder nog betoogd dat de rechtbank ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten dat het advies van de commissie voor bezwaar en beroep in strijd met artikel 7:13, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) tot stand is gekomen. Het advies is volgens hem niet door een voltallige commissie voorbereid en vastgesteld.

2.5.1.    Anders dan het college op de zitting van 6 juni 2005 heeft betoogd, is deze beroepsgrond reeds bij de rechtbank door appellant naar voren gebracht. Er bestaat dan ook geen aanleiding dit betoog wegens strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten.

2.5.2.    In artikel 7:13, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb is bepaald dat dit artikel van toepassing is indien ten behoeve van de beslissing op bezwaar een adviescommissie is ingesteld die bestaat uit een voorzitter en ten minste twee leden.

2.5.3.    Voorop moet worden gesteld dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak ten onrechte niet is ingegaan op voormeld betoog, dat in beroep reeds naar voren was gebracht. Het betoog van appellant kan evenwel niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. De wijze waarop aan artikel 7:13, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb uitwerking is gegeven in de Wijzigingsverordening behandeling bezwaar-, beroep- en klaagschriften 1999-1 van de gemeente Enschede (hierna: de verordening), voldoet aan de eisen van de wet. Het advies is overeenkomstig artikel 18, vijfde lid, van de verordening door de voorzitter ondertekend. Anders dan appellant heeft betoogd kan hieruit niet worden afgeleid dat het advies in strijd met het bepaalde in artikel 7:13, eerste lid, aanhef en onder a, niet door de voltallige commissie zou zijn vastgesteld. Appellant heeft ook overigens niet aannemelijk gemaakt dat bij de voorbereiding en vaststelling van het advies in strijd is gehandeld met de toepasselijke voorschriften in de Awb en de verordening.

2.6.    De omstandigheid dat, naar appellant stelt, niet alle gedingstukken die hij aan de rechtbank heeft gezonden, in het procesverloop zijn vermeld, dan wel onjuist daarin staan vermeld, biedt geen grond voor het oordeel dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven, nu geen verplichting tot vermelding van alle gedingstukken bestaat en aan de gestelde feiten niet de conclusie kan worden verbonden dat de rechtbank deze stukken niet bij haar oordeel heeft betrokken. In dit verband is van belang dat de door appellant bedoelde gedingstukken gedateerd 25 mei 2001, 15 januari 2002, 3 en 17 april 2002 en 4 mei 2002 alle aan het dossier van de rechtbank zijn toegevoegd. Reeds omdat de rechtbank niet heeft geoordeeld dat appellant bij de aanvulling van de gronden van beroep een daarvoor gestelde termijn heeft overschreden, kan het betoog van appellant dat hem ten onrechte geen termijn als bedoeld in artikel 6:6 van de Awb is gegeven, niet slagen. Ook zijn betoog dat de rechtbank een onjuiste toepassing heeft gegeven aan artikel 8:42, eerste lid, van de Awb slaagt niet. Daartoe uitgenodigd heeft het college tijdig een verweerschrift en op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend. Er zijn geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de rechtbank heeft miskend dat het college haar van onvoldoende stukken heeft voorzien.

   Verder strekt de op de rechtbank rustende motiveringsplicht niet zover, dat zij gehouden is al hetgeen door appellant is aangevoerd afzonderlijk in de uitspraak op te nemen en te bespreken. Wat betreft de motivering van de aangevallen uitspraak is in dit geval van belang dat de rechtbank terecht de vraag of het verzoek van appellant steunt op nieuw gebleken feiten en omstandigheden voorop heeft gesteld. Bij gebrek aan nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, heeft de rechtbank kunnen afzien van een bespreking van hetgeen appellant voor het overige heeft aangevoerd.

2.7.    Anders dan de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat appellant geen misbruik van procesrecht heeft gemaakt door tegen het besluit van 3 oktober 2001 in beroep te komen. De rechtbank heeft appellant dan ook ten onrechte veroordeeld in de proceskosten van het college. Het daartegen gerichte betoog van appellant slaagt derhalve.

2.8.    Gelet op het voorgaande is het hoger beroep gegrond en dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd, voor zover appellant daarbij in de proceskosten van het college is veroordeeld. Nu de beslissing van de rechtbank - behoudens de veroordeling in de proceskosten - juist is, dient haar uitspraak voor het overige te worden bevestigd, met verbetering van de gronden waarop die beslissing rust.

2.9.    Aangezien de voortzetting van de behandeling ter zitting van 6 juni 2005 het gevolg is van schending van de op het college rustende wettelijke plicht om gevolg te geven aan de oproeping om in persoon of bij gemachtigde op de zitting van 26 april 2005 te verschijnen, ziet de Afdeling, gelet op artikel 8:31 van de Awb, aanleiding om het college te veroordelen in de door appellant ten behoeve van het bijwonen van de zitting van 26 april 2005 gemaakte reis- en verletkosten. Voor het overige bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

2.10.    Een redelijke toepassing van artikel 43, eerste lid, van de Wet op de Raad van State brengt met zich dat het griffierecht door de secretaris van de Raad van State aan appellant wordt terugbetaald.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Almelo van 31 mei 2002, 01/906, voor zover appellant daarbij is veroordeeld in de door het college gemaakte proceskosten;

III.    bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

IV.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Enschede tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 358,71 (zegge: driehonderdachtenvijftig euro en eenenzeventig cent); het dient door de gemeente Enschede aan appellant onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

V.    gelast dat de secretaris van de Raad van State aan appellant het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 165,00 (zegge: honderdvijfenzestig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. E.M.H. Hirsch Ballin, Voorzitter, en mr. C.H.M. van Altena en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S.H. van den Ende, ambtenaar van Staat.

w.g. Hirsch Ballin    w.g. Van den Ende

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2005

275.