Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU0146

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-07-2005
Datum publicatie
27-07-2005
Zaaknummer
200406130/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 juni 2004, kenmerk 2002/4, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan appellante sub 1 een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een inrichting voor het vervaardigen, bewerken, op- en overslaan van keramische bak-, sier- en bestratingsstenen, gelegen op het perceel Dorpsstraat 60 te Buggenum, kadastraal bekend gemeente Haelen, sectie B, nummers 1042 en 1043 alsmede sectie C, nummer 1246. Dit besluit is op 18 juni 2004 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.11
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Algemene wet bestuursrecht 3:46
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2007/546
Omgevingsvergunning in de praktijk 2005/2741
Omgevingsvergunning in de praktijk 2005/2036
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200406130/1.

Datum uitspraak: 27 juli 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Kleiwarenfabriek Buggenum B.V.", gevestigd te Buggenum,

2.    [appellanten sub 2], beiden wonend te Buggenum,

3.    [appellanten sub 3], allen wonend te Buggenum en gevestigd te Buggenum,

en

het college van burgemeester en wethouders van Haelen,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 14 juni 2004, kenmerk 2002/4, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan appellante sub 1 een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een inrichting voor het vervaardigen, bewerken, op- en overslaan van keramische bak-, sier- en bestratingsstenen, gelegen op het perceel Dorpsstraat 60 te Buggenum, kadastraal bekend gemeente Haelen, sectie B, nummers 1042 en 1043 alsmede sectie C, nummer 1246. Dit besluit is op 18 juni 2004 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellante sub 1 bij brief van 22 juli 2004, bij de Raad van State ingekomen op 23 juli 2004, appellanten sub 2 bij brief van 26 juli 2004, bij de Raad van State ingekomen op 27 juli 2004, en appellanten sub 3 bij brief van 28 juli 2004, bij de Raad van State ingekomen op 30 juli 2004, beroep ingesteld. Appellanten sub 2 hebben hun beroep aangevuld bij brief van 19 augustus 2004.

Bij brief van 6 oktober 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 10 januari 2005. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nog stukken ontvangen van appellante sub 1. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 mei 2005, waar appellante sub 1, vertegenwoordigd door mr. M. Bos, advocaat te Rosmalen, en G.P. van Uden, gemachtigde, [een van de appellanten sub 2] in persoon, bijgestaan door mr. J.L.L.S.M. Verbunt, gemachtigde, appellanten sub 3, vertegenwoordigd door mr. P.J.G. Goumans, advocaat te Roermond, en verweerder, vertegenwoordigd door M.M.G. Triepels-Peeters en ing. H.J.J. Sleutels, respectievelijk ambtenaar en wethouder van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb (wet van 24 juni 2002, Stb. 54) en de Aanpassingswet uniforme voorbereidingsprocedure Awb (wet van 26 mei 2005, Stb. 282) in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht, zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten, op dit geding van toepassing blijft.

2.2.    Ter zitting hebben appellanten sub 2 hun beroep ingetrokken met betrekking tot het waterzuiveringszand.

   Voorts hebben appellanten sub 3 ter zitting hun beroep ingetrokken voorzover het de bevoegdheid van verweerder tot het nemen van een beslissing op de aanvraag en de toepassing van kolengruis betreft.

2.3.    Eerst ter zitting hebben appellanten sub 3 aangevoerd dat verweerder bij het verlenen van de vergunning ten onrechte niet heeft onderzocht of de grenswaarden uit het Besluit luchtkwaliteit in acht worden genomen. Het aanvoeren van deze grond in dit stadium van de procedure is in strijd met de goede procesorde. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat niet is gebleken dat appellanten sub 3 deze niet eerder in de procedure naar voren had kunnen brengen. Voornoemde grond kan derhalve niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

2.4.    Appellanten sub 2 voeren aan dat ten tijde van de ter inzage ligging van het ontwerp van het besluit de productbladen ten onrechte niet bij vergunninghoudster konden worden ingezien.

2.4.1.    Ingevolge artikel 3:21, eerste lid, (oud) van de Algemene wet bestuursrecht worden met het ontwerp van het besluit ter inzage gelegd:

a. een exemplaar van de aanvraag met de daarbij behorende stukken;

b. indien vooroverleg over de aanvraag heeft plaatsgehad, een verslag daarvan;

c. de rapporten en adviezen die in verband met het ontwerp zijn uitgebracht, voorzover deze redelijkerwijs nodig kunnen zijn voor een beoordeling van het ontwerp;

d. een overzicht van de niet ter inzage gelegde rapporten en adviezen en, voorzover redelijkerwijs nodig voor een beoordeling van het ontwerp, van eerder genomen, nog van kracht zijnde besluiten die hetzelfde onderwerp betreffen, waarbij vermeld wordt waar en wanneer deze stukken kunnen worden ingezien.

2.4.2.    De Afdeling stelt vast dat de door appellanten sub 2 bedoelde productbladen geen deel uitmaken van de aanvraag. Noch kunnen deze productbladen naar haar oordeel worden aangemerkt als rapporten en adviezen als bedoeld in artikel 3:21, eerste lid, onder c en d, (oud) van de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 3:21, eerste lid, (oud) van de Algemene wet bestuursrecht vereiste derhalve niet dat de productbladen met het ontwerp van het besluit ter inzage hadden moeten worden gelegd of hadden moeten kunnen worden ingezien.

   De beroepsgrond van appellanten sub 2 slaagt niet.

2.5.    Appellanten sub 2 voeren aan dat in het bestreden besluit ten onrechte niet op haar bedenking is ingegaan over de nadelige gevolgen voor het milieu, waaronder schade aan de gezondheid van omwonenden, stof- en stankhinder en aantasting van de woning, vanwege de toegepaste grond- en toeslagstoffen.

2.5.1.    Ingevolge artikel 3:27 (oud) van de Algemene wet bestuursrecht vermeldt het bestuursorgaan bij de bekendmaking van het besluit zijn overwegingen omtrent de ingebrachte bedenkingen.

2.5.2.    Verweerder heeft onder het kopje "Omtrent de ingebrachte bedenkingen is het volgende overwogen" bij ad 42, ad 45 en ad 48 tot en met 56 zijn overwegingen over de nadelige gevolgen van de in de inrichting uitgevoerde activiteiten, waarbij grond- en toeslagstoffen worden toegepast, bekend gemaakt, zodat het bestreden besluit in zoverre niet in strijd is met artikel 3:27 (oud) van de Algemene wet bestuursrecht.

   De beroepsgrond van appellanten sub 2 faalt.

2.6.    Appellanten sub 2 voeren aan dat verweerder ten onrechte niet heeft onderzocht of het tot de aanvraag behorende rapport "Onderzoek naar de rookgassamenstelling van de tunneloven" van de Stichting Technisch Centrum voor de Keramische Industrie (hierna: de TCKI) van 11 juli 2000 juist is. Zij betogen dat de in de aanvraag genoemde afstanden tussen de inrichting en de dichtstbijzijnde woningen onjuist zijn. Volgens hen zijn in de aanvraag de overige mineralen ten onrechte niet gespecificeerd en zijn een aantal onder de natuurlijke mineralen genoemde grond- en toeslagstoffen ten onrechte niet aangemerkt als gevaarlijke stoffen.

2.6.1.    Ingevolge artikel 5.1, van het Inrichtingen en vergunningenbesluit milieubeheer, kort weergegeven, dient de aanvrager in of bij de aanvraag onder meer te vermelden: de ligging van de inrichting, de activiteiten en de processen in de inrichting en de ten behoeve daarvan toe te passen technieken of installaties voorzover die redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de beoordeling van de nadelige gevolgen voor het milieu die de inrichting kan veroorzaken, de voor de hiervoor genoemde activiteiten en processen kenmerkende gegevens met betrekking tot grondstoffen, tussen-, neven- en eindproducten, de aard en omvang van de belasting van het milieu die de inrichting tijdens normaal bedrijf kan veroorzaken, daaronder begrepen een overzicht van de belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu die daardoor kunnen worden veroorzaakt en de andere maatregelen of voorzieningen die zijn of worden getroffen om de nadelige gevolgen voor het milieu die de inrichting kan veroorzaken, te voorkomen of te beperken.

2.6.2.    Hetgeen appellanten sub 2 hebben aangevoerd leidt niet tot het oordeel dat de aanvraag niet voldoet aan het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer of dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aanvraag voldoende informatie bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen voor het milieu.

   De beroepsgrond van appellanten sub 2 treft geen doel.

2.7.    Voorzover appellanten sub 3 betogen dat de begrenzing van de inrichting onduidelijk is, overweegt de Afdeling dat op de tekeningen behorende tot de aanvraag is aangegeven welke grond in eigendom is van en welke grond in erfpacht is bij vergunninghoudster. De activiteiten van de inrichting worden verricht op deze gronden. Gelet hierop is de omvang van de inrichting voldoende duidelijk.

   De beroepsgrond van appellanten sub 3 faalt.

2.8.    Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

   Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

   Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

   Ingevolge artikel 8.4, derde lid, van de Wet milieubeheer kan het bevoegd gezag de rechten die de vergunninghouder aan de al eerder verleende vergunningen ontleende, niet wijzigen anders dan mogelijk zou zijn met toepassing van afdeling 8.1.2.

2.9.    Appellante sub 1 heeft bezwaar tegen voorschrift 1.7. Zij voert aan dat de woorden "onaanvaardbare hinder" te vaag zijn. Volgens haar worden met dit voorschrift haar bestaande rechten aangetast, nu de aan- en afvoer van grondstoffen ten opzichte van eerder verleende vergunningen niet is gewijzigd. Zij betoogt dat niet duidelijk is welke voorzieningen worden verlangd, hetgeen zou kunnen leiden tot hoge investeringen voor het aanbrengen van voorzieningen die redelijkerwijs niet van haar kunnen worden gevergd.

2.9.1.    Verweerder stelt dat de wegen vaak moeilijk begaanbaar zijn vanwege de gemorste grondstoffen van de inrichting die zich hierop bevinden. Hij acht deze hinder onaanvaardbaar en heeft daarom het voorschrift gesteld. Volgens hem is het voorschrift voldoende duidelijk. Het voorschrift is zo gesteld dat vergunninghoudster de vrijheid heeft de minst kostbare voorzieningen te treffen.

2.9.2.    Voorschrift 1.7 bepaalt: "Het is verboden om op de openbare weg onaanvaardbare hinder te veroorzaken door verontreiniging door klei, slib e.d. Door de inrichtinghouder dienen op eigen terrein voorzieningen te worden getroffen om deze hinder te voorkomen. Deze voorzieningen dienen binnen vijf maanden na het van kracht worden van deze vergunning te zijn gerealiseerd. Indien nodig dient de Dorpsstraat en eventueel andere, door activiteiten van de inrichting vervuilde openbare wegen, terstond te worden gereinigd over een voldoende grote lengte, zodat daarop geen klei, slib e.d. afkomstig uit de inrichting, meer aanwezig is."

2.9.3.    De Afdeling overweegt dat de in het voorschrift gebezigde woord "onaanvaardbare" in het ongewisse laat welke mate van hinder door verweerder geoorloofd wordt geacht. Reeds hierom is het bestreden besluit in zoverre in strijd met het algemeen rechtsbeginsel van de rechtszekerheid.

2.10.    Appellanten sub 3 hebben bezwaar tegen voorschrift 1.10. Volgens hen is niet aangetoond dat het gebruik van andere dan in de aanvraag gespecificeerde grond- en toeslagstoffen noodzakelijk is. Appellanten sub 2 betogen dat onduidelijk is welke grond- of toeslagstoffen en natuurlijke mineralen (mogen) worden gebruikt in de inrichting. Appellanten sub 3 achten het verder onduidelijk of de nadelige gevolgen vanwege het gebruik van andere stoffen niet zullen toenemen.

2.10.1.    Verweerder stelt dat andere dan in de aanvraag genoemde grond- en toeslagstoffen alleen mogen worden gebruikt als ze dezelfde milieuhygiënische eigenschappen hebben als de reeds vergunde stoffen. Indien de toepassing van de stof zal leiden tot een toename van de nadelige gevolgen mag deze niet worden gebruikt.

2.10.2.    Ingevolge voorschrift 1.10 dienen de in de inrichting opgeslagen en gebruikte grond- en toeslagstoffen, die in de aanvraag worden aangeduid met overige kleisoorten, overige mageringsmiddelen, overige natuursteen, overige natuurlijke mineralen en overige chemische additieven, qua aard, samenstelling en milieuhygiënische eigenschappen vergelijkbaar te zijn met respectievelijk de in de aanvraag bij naam genoemde kleisoorten, mageringsmiddelen, natuurstenen, natuurlijke mineralen en chemische additieven. Indien een andere dan de in de aanvraag bij naam genoemde grond- of toeslagstoffen wordt opgeslagen of gebruikt, moet daarvoor tenminste vier weken voor aanvang van de opslag of gebruik van die stof conform artikel 8.13 van de Wet milieubeheer schriftelijk mededeling worden gedaan aan het bevoegd gezag.

2.10.3.    In tabel 4.1 van de aanvraag zijn de grond- en toeslagstoffen beschreven die in het productieproces worden gebruikt. Daarnaast zijn nog overige, niet gespecificeerde, grond- en toeslagstoffen behorende tot de in de aanvraag genoemde categorieën van grond- en toeslagstoffen aangevraagd ten behoeve van de productie van nieuwe of weinig gevraagde keramische stenen.

   Voorzover appellanten sub 3 aanvoeren dat de noodzaak van het gebruik van overige dan de in de aanvraag bij naam genoemde grond- en toeslagstoffen niet is aangetoond, overweegt de Afdeling dat verweerder is gehouden op grondslag van de aanvraag te beoordelen of voor de in die aanvraag genoemde activiteiten met de daarbij vermelde, al dan niet gespecificeerde, grond- en toeslagstoffen vergunning kan worden verleend. Of het gebruik van deze grond- en toeslagstoffen noodzakelijk is, speelt hierbij in het onderhavige geval geen rol.

   Gelet op het feit dat ingevolge voorschrift 1.10 het gebruik van andere dan de aangevraagde grond- en toeslagstoffen moet worden gemeld, zal niet onduidelijk zijn welke grond- en toeslagstoffen in de inrichting (mogen) worden gebruikt. Nu in het voorschrift is bepaald dat de andere dan de aangevraagde grond- en toeslagstoffen wat de aard, samenstelling en milieuhygiënische eigenschappen betreft vergelijkbaar dienen te zijn met de aangevraagde stoffen acht de Afdeling het verder niet aannemelijk geworden dat de nadelige gevolgen voor het milieu vanwege het gebruik van andere dan de aangevraagde grond- en toeslagstoffen zullen toenemen. Gelet hierop heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voorschrift 1.10 toereikend is om de nadelige gevolgen voor het milieu vanwege het gebruik van andere dan de aangevraagde grond- en toeslagstoffen voldoende te beperken.

   De beroepsgronden van appellanten sub 2 en sub 3 falen.

2.11.    Appellanten sub 2 en sub 3 vrezen geuroverlast en voeren aan dat ten onrechte geen voorschriften zijn gesteld ter beperking hiervan. Volgens appellanten sub 2 heeft verweerder ten onrechte geen toetsing met betrekking tot het geuraspect verricht. Appellanten sub 3 voeren aan dat geuroverlast vaak optreedt bij de productie van zwarte stenen alsmede bij gebruik van niet vergunde toeslagstoffen. Appellanten sub 2 betogen dat het gebruik van geurveroorzakende stoffen, waaronder kolengruis, en schadelijke stoffen niet mag worden vergund.

2.11.1.    Verweerder stelt dat voor geurhinder vanwege de inrichting niet hoeft te worden gevreesd. Volgens hem kan de grofkeramische industrie niet worden aangemerkt als geurveroorzakend en worden in onderhavige inrichting de in deze industrie gebruikelijke grond- en toeslagstoffen in het productieproces toegepast.

2.11.2.    De Afdeling overweegt dat verweerder bij de beoordeling van het geuraspect paragraaf 3.6 van de Nederlandse Emissierichtlijnen Lucht (hierna: de NeR) heeft gehanteerd, waarin de hindersystematiek voor geur is neergelegd. Volgens deze paragraaf, voorzover van belang, dient globaal te worden nagegaan of de inrichting een relevante bron van geuremissie is. Indien blijkt dat geur niet relevant is, is geen verdere actie nodig. Is geur wel relevant dan moet worden beoordeeld of de geuremissie zodanig is dat geurhinder zou kunnen optreden. Zo nee, dan zijn geen aanvullende maatregelen nodig.

   Op grond van het verhandelde ter zitting acht de Afdeling het niet aannemelijk geworden dat de onderhavige inrichting een zodanige geuremissie veroorzaakt dat ter plaatse van de woningen geurhinder optreedt. Gelet hierop heeft verweerder, gezien het door hem gehanteerde toetsingskader, terecht niet onderzocht of er nadere voorschriften moesten worden gesteld en heeft hij zich terecht op het standpunt gesteld dat het geuraspect geen aanleiding vormt de vergunning te weigeren.

   Voorzover appellanten sub 3 aanvoeren dat geurhinder optreedt vanwege het gebruik van niet vergunde toeslagstoffen overweegt de Afdeling dat deze beroepsgrond zich niet richt tegen de rechtmatigheid van het ter beoordeling staande besluit. De Algemene wet bestuursrecht voorziet overigens in de mogelijkheid tot het treffen van maatregelen die strekken tot het afdwingen van de naleving van de voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden.

   De beroepsgronden van appellanten sub 2 en sub 3 falen.

2.12.    Appellanten sub 2 vrezen voor schade aan de gezondheid vanwege de emissies van zoutzuur en zwavel- en stikstofdioxiden, te meer nu voor de inrichting geen filters in de schoorstenen zijn voorgeschreven. Zij bestrijden dat de gestelde emissie-eisen in overeenstemming zijn met de NeR. Zij voeren aan dat ten onrechte geen voorzieningen zijn voorgeschreven om de emissie van zwaveldioxide te beperken.

2.12.1.    Verweerder stelt dat de in de aanvraag genoemde emissies en uurvrachten van zoutzuur, zwavel en stikstofdioxiden naar de lucht de in de NeR van april 2003 genoemde emissie-eisen en uurvrachten overschrijden. Gezien de in paragraaf 2.5.4 van de NeR opgenomen overgangsregeling hoeft de inrichting echter pas in 2010 aan deze eisen te voldoen. Volgens hem hoeven nog geen verdere maatregelen te worden getroffen, maar dient dit eerst te worden onderzocht. Gelet op paragraaf 2.5.4 heeft hij de in de aanvraag vermelde emissieconcentraties en emissievrachten als grenswaarden gesteld.

2.12.2.    Ingevolge voorschrift 8.5 mogen de concentratie en emissievracht van componenten in de geëmitteerde afgassen niet meer bedragen dan hetgeen is aangegeven in tabel 7.2 van de vergunningaanvraag, berekend conform de richtlijn van de NeR.

   Ingevolge voorschrift 8.6 dient binnen 2 jaar na het van kracht worden van dit voorschrift aangegeven te worden op welke wijze vóór 30 oktober 2010 kan worden voldaan aan de nieuwe emissie-eisen zoals verwoord in de NeR.

   Ingevolge voorschrift 8.8 mogen de in voorschrift 8.5 en 8.6 genoemde concentraties niet worden bereikt door het bijmengen van schone lucht.

   In tabel 7.2 van de vergunningaanvraag zijn, voorzover van belang, de volgende emissieconcentraties aangegeven:

               Emissieconcentratie (mg/m03)        Uurvracht (kg/h)

zoutzuur (HCl)                10                    0,16

zwaveldioxide (SOx; als SO2)        200                    3,28

stikstofdioxide (NOx; als NO2)        125                    2,13

2.12.3.    Blijkens de considerans van het bestreden besluit heeft verweerder ter invulling van zijn beoordelingsvrijheid voor de emissies van zoutzuur en zwavel- en stikstofdioxiden aansluiting gezocht bij paragraaf 3.2.3 van de NeR van april 2003.

   Vaststaat dat de in de aanvraag vermelde emissieconcentratie van zoutzuur de strengste emissie-eis van 10 mg/m03 in de NeR niet overschrijdt. Gelet hierop heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voorschrift 8.5 in samenhang met tabel 7.2 van de aanvraag in zoverre toereikend is ter beperking van de uitstoot van zoutzuur. In zoverre falen de beroepsgronden.

   De in de aanvraag vermelde emissies van zwavel- en stikstofdioxiden voldoen niet aan respectievelijk de emissie-eis en de eisen in de NeR van april 2003. Verweerder heeft in dat verband verwezen naar paragraaf 2.5.4 van de NeR. Niet in geding is dat het bakken van stenen reeds eerder was vergund, zodat het een bestaande situatie betreft. In paragraaf 2.5.4 is vermeld dat voor bestaande situaties waarin nog niet wordt voldaan aan de eisen van de NeR, het bevoegd gezag een realiseringstermijn kan hanteren. Na het verstrijken hiervan moet de inrichting voldoen aan de emissie-eisen conform de algemene eisen van de NeR. Deze realiseringstermijn moet voor de onderhavige inrichting uiterlijk op 30 oktober 2010 eindigen. Bij het bepalen van de realiseringstermijn moet rekening worden gehouden met de in deze paragraaf genoemde aspecten.

   De Afdeling overweegt dat uit paragraaf 2.5.4 moet worden afgeleid dat de installaties in bestaande situaties uiterlijk op 30 oktober 2010 aan de eisen van de NeR moeten voldoen, maar zoveel eerder als gezien de in deze paragraaf genoemde aspecten realiseerbaar is. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het standpunt van verweerder dat de inrichting pas op 30 oktober 2010 hoeft te voldoen aan de emissie-eisen niet juist is. Nu verweerder in het bestreden besluit heeft nagelaten te beoordelen of eerder dan 2010 aan de emissie-eisen kan worden voldaan, heeft hij in strijd gehandeld met het door hem gekozen uitgangspunt en ligt aan het bestreden besluit onvoldoende onderzoek ten grondslag. Voorschriften 8.5 en 8.6 zijn in zoverre niet in overeenstemming met de NeR. Gelet hierop is het bestreden besluit in zoverre in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.13.    Appellanten sub 2 voeren aan dat ten onrechte geen voorzieningen zijn voorgeschreven voor de emissie van waterstoffluoride.

2.13.1.    Verweerder stelt dat nu de (ongereinigde) emissiemassastroom van waterstoffluoride 6,9 ton per jaar bedraagt volgens de bijzondere regeling C2 van de NeR geen nadere voorschriften hoeven te worden gesteld. Hij betoogt dat de emissie van waterstoffluoride plaatsvindt op een zodanige hoogte dat ter plaatse van de woonomgeving geen overlast optreedt.

2.13.2.    Blijkens de considerans van het bestreden besluit heeft verweerder ter invulling van zijn beoordelingsvrijheid voor de emissie van waterstoffluoride de bijzondere regeling C2 voor de grofkeramische industrie van paragraaf 3.3 van de NeR gehanteerd. Verweerder stelt zich op het standpunt dat gezien de omvang van de uitstoot van waterstoffluoride de bijzondere regeling in het onderhavige geval niet vereist dat maatregelen moeten worden getroffen. De Afdeling acht dit standpunt juist. Gelet hierop heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de voorschriften toereikend zijn ter beperking van de uitstoot van waterstoffluoride.

   De beroepsgrond van appellanten sub 2 faalt.

2.14.    Appellanten sub 2 vrezen voor schade aan hun gezondheid en aantasting van hun woning vanwege de emissies naar de lucht van de in de inrichting toegepaste (milieugevaarlijke) grond- en toeslagstoffen, waaronder Portachrom A, te meer nu onduidelijk is in welke hoeveelheden deze stoffen worden toegepast. Zij voeren aan dat ten onrechte geen maximale jaarvrachten voor de emissies naar de lucht vanwege de toegepaste additieven zijn gesteld.

2.14.1.    Verweerder stelt dat kleine stromen van componenten in de emissievrachten niet onder de NeR vallen.

2.14.2.    In het deskundigenbericht is vermeld dat de in de aanvraag onder de categorie natuurstenen genoemde stoffen geen relevante bijdrage leveren en de onder de categorie natuurlijke mineralen genoemde carbonaten, inerte decoratiematerialen en alkali- en aardalkalimineralen een te verwaarlozen bijdrage leveren aan de emissies naar de lucht. De emissievrachten van zware metalen zoals mangaan, kobalt en chroom liggen onder de in de NeR genoemde emissievrachten waarvoor en -boven emissie-eisen gelden. Deze emissies zullen daarom geen relevante bijdrage leveren aan de emissies naar de lucht. Bij de in de oven aanwezige temperaturen zal Portachrom A niet ontleden naar geelchroom, zoals appellanten sub 2 vrezen. De Afdeling ziet geen aanknopingspunten om aan deze bevindingen te twijfelen. Gelet hierop heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de voorschriften toereikend zijn ter voorkoming van schade aan de volksgezondheid en woningen vanwege de toepassing van voornoemde grond- en toeslagstoffen.

   De beroepsgronden van appellanten sub 2 falen in zoverre.

2.15.    Appellanten sub 2 voeren aan dat de uitgangspunten en berekeningen in het rapport "Onderzoek naar de rookgassamenstelling van de tunneloven" van de TCKI van 11 juli 2000 niet juist zijn en het rapport een vertekend beeld geeft van de emissie van de inrichting, nu hieruit niet blijkt dat de emissie van de oven is gemeten onder de twee condities waaronder in de inrichting wordt gestookt. Appellanten sub 3 voeren aan dat niet van het rapport mag worden uitgegaan, omdat de metingen maar eenmalig en op 1 dag hebben plaatsgevonden.

2.15.1.    Verweerder acht het rapport van 11 juli 2000 inzake de emissies van de tunneloven representatief. Volgens hem blijkt uit de aanvraag niet dat onder verschillende condities worden gestookt.

2.15.2.    In het deskundigenbericht is vermeld dat de uitgangspunten, gegevens en berekeningen in het rapport "Onderzoek naar de rookgassamenstelling van de tunneloven" van de TCKI van 11 juli 2000 niet onjuist zijn. De Afdeling ziet geen aanleiding om hieraan te twijfelen. Gelet hierop heeft verweerder dit rapport ten grondslag kunnen leggen aan het bestreden besluit.

   De beroepsgronden van appellanten sub 2 en sub 3 slagen niet.

2.16.    Appellanten sub 2 en sub 3 vrezen voor gekanaliseerde stofemissies. Appellanten sub 3 vrezen daarnaast schade aan de gezondheid wegens de uitstoot van fijne stofdeeltjes. Volgens appellanten sub 2 en sub 3 is ten onrechte niet voorgeschreven dat de natfilter en de natwasser optimaal moeten werken. Appellanten sub 2 voeren aan dat ten onrechte de emissiemeting voor de stofafzuiging van de droge stenen achterwege is gelaten, zodat onduidelijk is of de hiervoor opgelegde norm kan worden nageleefd.

2.16.1.    Verweerder stelt dat de emissie-eisen voor gekanaliseerde stofemissies zijn afgeleid van de NeR en dat deze stofemissies voldoende worden beperkt. Volgens hem zijn de normen in de NeR gebaseerd op de stand der techniek. Hij stelt dat aanvullende maatregelen niet nodig zijn. Voorschrift 8.11 is gesteld ter voorkoming van een ongewoon voorval met de natwasser. Ter zitting heeft verweerder gesteld dat het plaatsen van een filter redelijkerwijs niet van vergunninghoudster kan worden gevergd.

2.16.2.    Ingevolge voorschrift 8.5 mogen de concentratie en emissievracht van componenten in de geëmitteerde afgassen niet meer bedragen dan hetgeen is aangegeven in tabel 7.2 van de vergunningaanvraag, berekend conform de richtlijn van de NeR.

   Ingevolge voorschrift 8.6 dient binnen 2 jaar na het van kracht worden van dit voorschrift aangegeven te worden op welke wijze vóór 30 oktober 2010 kan worden voldaan aan de nieuwe emissie-eisen zoals verwoord in de NeR.

   Ingevolge voorschrift 8.8 mogen de in voorschrift 8.5 en 8.6 genoemde concentraties niet worden bereikt door het bijmengen van schone lucht.

   Ingevolge voorschrift 8.11 moet de natwasser ten minste éénmaal per maand visueel worden gecontroleerd op aangroei, verstopping of slijtage. Het resultaat van de controle moet worden geregistreerd in een logboek.

   In tabel 7.2 van de vergunningaanvraag zijn, voorzover van belang, de volgende emissieconcentraties aangegeven:

               Emissieconcentratie (mg/m03)        Uurvracht (kg/h)

stof afkomstig uit tunneloven        30                    0,39

uitlaat natwasser            10                    0,39

stofafzuiging droge stenen        10                    0,06

2.16.3.    Volgens paragraaf 2.5 van de NeR zal de goede werking van de voorzieningen onder meer via emissie-eisen, vastgelegd in de vergunningvoorschriften, moeten worden verzekerd. Hieruit moet worden afgeleid dat in beginsel met het stellen van emissie-eisen kan worden volstaan. Volgens paragraaf 2.10 van de NeR wordt het bestrijden van de emissie van fijn stof geregeld via de algemene eisen voor stof.

   Verweerder heeft ter invulling van zijn beoordelingsvrijheid voor de gekanaliseerde emissie van stof, waaronder ijzeroxide, titaanoxide en magnesiet, aansluiting gezocht bij paragraaf 3.2.2 van de NeR van april 2003. In de inrichting zijn drie emissiepunten van stof aanwezig: de schoorsteen van de tunneloven, de natwasser en het afzuigsysteem bij de droge stenen.

   Wat de emissie van stof via de schoorsteen van de tunneloven betreft, stelt de Afdeling vast dat deze emissie niet voldoet aan de emissie-eisen voor totaal stof in paragraaf 3.2.2 van de NeR. Paragraaf 2.5.4 van de NeR is daarom van toepassing. Onder verwijzing naar hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 2.12.3 is de Afdeling van oordeel dat het besluit wat de voorschriften 8.5 en 8.6 met betrekking tot de emissie van stof via de schoorsteen van de tunneloven betreft in strijd is met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.

   Met betrekking tot de emissie van stof via de natwasser stelt de Afdeling vast dat volgens de NeR een hogere emissie-eis voor totaal stof geldt, indien filtrerende afscheiders niet mogelijk zijn. Uit het deskundigenbericht leidt de Afdeling af dat vanwege het hoge vochtgehalte van de uit te stoten lucht filtrerende afscheiders in onderhavige inrichting niet mogelijk zijn. Volgens de NeR geldt in dat geval een emissie-eis van 20 mg/m03. In voorschrift 8.5 in samenhang met tabel 7.2 van de aanvraag is een emissie-eis van 10 mg/m03 gesteld, zodat voorschrift 8.5 in samenhang met tabel 7.2 van de aanvraag in zoverre in overeenstemming is met de NeR. Gelet hierop heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voorschrift 8.5 in samenhang met tabel 7.2 van de aanvraag toereikend is ter beperking van de gekanaliseerde stofemissie via de natwasser en ter voorkoming van schade aan de gezondheid. Niet is gebleken dat deze emissie-eis niet kan worden nageleefd. Op dit punt falen de desbetreffende beroepsgronden.

   Omtrent de emissie van stof via de uitmonding van het afzuigsysteem bij de droge stenen stelt de Afdeling vast dat gezien de genoemde uurvracht in tabel 7.2 van de aanvraag voor deze emissie volgens de NeR een emissie-eis van 50 mg/m03 geldt. In voorschrift 8.5 in samenhang met tabel 7.2 van de aanvraag is een emissie-eis gesteld van 10 mg/m03, zodat voorschrift 8.5 in samenhang met tabel 7.2 van de aanvraag in zoverre in overeenstemming is met de NeR. Gelet hierop heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voorschrift 8.5 in samenhang met tabel 7.2 van de aanvraag toereikend is ter beperking van de gekanaliseerde stofemissie via de uitmonding van het afzuigsysteem bij de droge stenen en ter voorkoming van schade aan de gezondheid. Uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, blijkt dat deze emissie-eis zonder nadere maatregelen kan worden nageleefd. In zoverre falen de desbetreffende beroepsgronden.

2.17.    Appellanten sub 2 vrezen voor diffuse stofemissie, onder andere vanwege de opslag op het buitenterrein van gevaarlijke stoffen behorende tot de natuurlijke mineralen. Appellanten sub 3 achten de voorschriften niet afdoende ter voorkoming van diffuse stofemissie uit de bedrijfsgebouwen.

2.17.1.    Ingevolge voorschrift 9.1 moeten stofemissies van de klei- en zandopslag worden voorkomen door deze afdoende te bevochtigen. Wanneer zodanige uitdroging van de buitenlaag van een opslag van stuifgevoelige stoffen ten gevolge van weersomstandigheden wordt verwacht dat stofverspreiding kan optreden, moet de opslag door middel van besproeiing vochtig worden gehouden.

2.17.2.    Verweerder heeft ter invulling van zijn beoordelingsvrijheid voor de diffuse stofemissie kennelijk paragraaf 3.8.1 van de NeR gehanteerd.

   In de aanvraag is vermeld dat de emissie van stof uit de werkplaats wordt beperkt door afzuiging via de natwasser alsmede door vegen en stofzuigen van de bedrijfshal en de bedrijfsvloeren. De aanvraag maakt deel uit van de vergunning. Blijkens het deskundigenbericht wordt in de inrichting gewerkt met natte klei voordat de stenen worden gebakken en zijn er daarnaast in de productieruimten geen grote hoeveelheden stuifgevoelige stoffen aanwezig. De Afdeling ziet geen aanleiding om aan deze bevindingen te twijfelen. Gelet hierop alsmede op de stofafzuiging bij de droge stenen heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de voorschriften toereikend zijn ter beperking van diffuse stofemissie vanuit de werkplek. De desbetreffende beroepsgronden treffen geen doel.

   Verder stelt de Afdeling vast dat in de inrichting stoffen onder meer behorende tot de stuifklassen S4 en S5 mede los gestort op het buitenterrein worden opgeslagen. Milieugevaarlijke stoffen behorende tot de natuurlijke mineralen worden aldaar niet opgeslagen. In de aanvraag is vermeld dat de op het buitenterrein opgeslagen stuifgevoelige grondstoffen vochtig kunnen worden gehouden door een mobiele sproeier en dat het terrein van de inrichting regelmatig en de in- en uitrit wekelijks wordt geveegd. De aanvraag maakt deel uit van de vergunning. De Afdeling overweegt dat naast deze in de aanvraag vermelde maatregelen geen andere in de NeR aanbevolen maatregelen ter voorkoming of beperking van stofverspreiding bij het transport en het laden, lossen en verladen van stuifgevoelige stoffen alsmede ten gevolge van verkeer op, vanaf en buiten het opslagterrein zijn voorgeschreven. Verder is in afwijking van paragraaf 3.8.1 van de NeR in voorschrift 9.1 niet bepaald dat de stoffen behorende tot stuifklasse S5, in het onderhavige geval lava, ook vochtig moeten worden gehouden. Gelet hierop zijn de voorschriften niet in overeenstemming met de aanbevolen maatregelen in de NeR. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.18.    Appellanten sub 2 en sub 3 vrezen een toename van het langtijdgemiddeld geluidhinderniveau. Appellanten sub 3 voeren aan dat verweerder ten onrechte niet heeft onderzocht of de geluidoverlast kan worden ingeperkt.

2.18.1.    Verweerder stelt dat de geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beroordelingsniveau toereikend zijn ter beperking van de geluidhinder vanwege de inrichting en zelfs zijn aangescherpt ten opzichte van de voorheen verleende vergunning. Hij betoogt dat hij op grond van de bestuurlijke afweging de geluidgrenswaarden voor de dag- en nachtperiode heeft afgestemd op de feitelijke geluidbelasting vanwege de reeds vergunde activiteiten. Verdergaande akoestische maatregelen ter beperking van de geluidbelasting, kunnen zijns inziens, gezien de hoge kosten, redelijkerwijs niet van appellante sub 1 worden gevergd. Volgens hem leidt de uitbreiding van de inrichting ter plaatse van de woningen niet tot een toename in de geluidbelasting.

2.18.2.    Ingevolge voorschrift 7.1 mag het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties en door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten in de representatieve bedrijfssituatie, ter plaatse van de rekenposities zoals aangegeven in tekening 1 "Rekenposities geluidgrenswaarden", niet meer bedragen dan hetgeen is vermeld in bijlage 1 "Geluidgrenswaarden".

Bijlage 1.

Rekenpositie (zie tekening 1)    Langtijdgemiddeld beoordelingsniveaus (LAr,LT) in (dB(A))

   (07.00-19.00uur)    (19.00-23.00 uur)    (23.00-07.00 uur)

A (Dorpsstraat 54)    55    39    39

B (Boonstraat 5)    53    40    40

C (Boonstraat 9)    51    40    40

D (Boonstraat 13)    48    39    39

E (Holstraat 56)    53    40    40

F (Holstraat 62)    54    38    40

G (Dorpsstraat 62a)    51    39    39

H (Dorpsstraat 62)    53    40    40

I (Knapstraat 7)    47    39    39

J (Dorpsstr. nabij 62b)    50    38    38

2.18.3.    Bij de beoordeling van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau heeft verweerder hoofdstuk 4 van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening 1998 (hierna: de Handreiking) tot uitgangspunt genomen.

   Blijkens de considerans van het bestreden besluit heeft verweerder bij het stellen van de geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau - volgens de systematiek van hoofdstuk 4 van de Handreiking - allereerst aansluiting gezocht bij de richtwaarden. In de considerans is vermeld dat de omgeving van de inrichting kan worden gekarakteriseerd als rustige woonwijk met weinig verkeer, waarvoor richtwaarden gelden van 45 dB(A), 40 dB(A) en 35 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Mede gelet op het deskundigenbericht acht de Afdeling deze karakterisering juist. De geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau voor de avondperiode gaan de aanbevolen richtwaarde in deze periode niet te boven.

   Voor de dag- en nachtperiode heeft verweerder hogere grenswaarden gesteld dan de richtwaarden. Uit hoofdstuk 4 van de Handreiking volgt dat slechts na bepaling van het referentieniveau van het omgevingsgeluid het op grond van een bestuurlijk afwegingsproces mogelijk is om de in de Handreiking genoemde richtwaarden te overschrijden. Verweerder heeft ten tijde van het nemen van het bestreden besluit geen onderzoek verricht naar het ter plaatse heersende referentieniveau van het omgevingsgeluid. Nu verweerder heeft nagelaten dit referentieniveau te bepalen voordat hij is overgegaan tot het maken van een bestuurlijke afweging heeft hij in strijd gehandeld met het door hem gekozen uitgangspunt. Gelet hierop ligt aan het bestreden besluit in zoverre onvoldoende onderzoek en een ondeugdelijke motivering ten grondslag. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.19.    Appellanten sub 2 en sub 3 vrezen voor een toename van het piekgeluid. Appellanten sub 3 voeren aan dat verweerder ten onrechte niet heeft onderzocht of de geluidoverlast kan worden ingeperkt.

2.19.1.    Verweerder stelt dat de piekgeluidgrenswaarden zijn afgestemd op de feitelijke geluidbelasting die de reeds eerder vergunde voertuigbewegingen veroorzaken. Hij baseert zich daarbij op het akoestisch rapport van Peutz & Associes B.V. van 18 september 2003.

2.19.2.    Ingevolge voorschrift 7.2 mag het maximale geluidniveau (LAmax) veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties en door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten in de representatieve bedrijfssituatie, ter plaatse van de rekenposities zoals aangegeven in tekening 1 "Rekenposities geluidgrenswaarden", niet meer bedragen dan:

- 70 dB(A) op 1,5 meter hoogte in de uren gelegen tussen 07.00 en 19.00 uur;

- 65 dB(A) op 5 meter hoogte in de uren gelegen tussen 19.00 en 23.00 uur;

- 60 dB(A) op 5 meter hoogte in de uren gelegen tussen 23.00 en 07.00 uur.

Ter plaatse van rekenpositie F mag in afwijking van het bovenstaande tussen 07.00 en 19.00 uur het maximale geluidniveau niet meer bedragen dan 75 dB(A). Voor rekenpositie B geldt in afwijking van het bovenstaande een beoordelingshoogte van 1,5 meter.

2.19.3.    Voor de beoordeling van de maximale geluidniveaus heeft verweerder paragraaf 3.2 van de Handreiking gehanteerd. Volgens deze paragraaf dienen piekgeluidgrenswaarden bij voorkeur te worden bepaald op 10 dB(A) boven de getalswaarde van de grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau, doch maximaal op 70 dB(A), 65 dB(A) en 60 dB(A) voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.

   De Afdeling overweegt dat de in voorschrift 7.2 opgenomen piekgeluidgrenswaarden voor de rekenposities A tot en met E en G tot en met J overeenkomen met de piekgeluidgrenswaarden die in de door verweerder gehanteerde Handreiking nog als maximaal aanvaardbaar worden aangemerkt. Gelet hierop heeft verweerder zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voorschrift 7.2 in zoverre toereikend is ter beperking van de piekgeluidhinder.

2.19.4.    Wat de piekgeluidgrenswaarde van 75 dB(A) voor de dagperiode bij rekenpositie F betreft, overweegt de Afdeling als volgt. Volgens paragraaf 3.2 van de Handreiking kan de grenswaarde van 70 dB(A) voor de dagperiode met ten hoogste 5 dB(A) worden overschreden in het geval sprake is van een voor de bedrijfsvoering onvermijdbare situatie waarin technische noch organisatorische maatregelen soelaas bieden om het maximale geluidniveau te beperken. Verweerder heeft in het bestreden besluit niet gemotiveerd dat in het onderhavige geval sprake is van een zodanige situatie. In zoverre is het bestreden besluit in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.20.    Appellanten sub 3 vrezen geluidhinder vanwege de nachtelijke vrachtwagenbewegingen. Zij voeren aan dat verweerder ten onrechte niet heeft onderzocht of de geluidoverlast kan worden ingeperkt.

2.20.1.    Verweerder stelt dat vergunninghoudster voor de nachtelijke bewegingen bestaande rechten kan ontlenen aan eerder verleende vergunningen. Om het vertrek van de twee vrachtwagens in de nachtperiode mogelijk te maken zijn deze bewegingen uitgezonderd van de piekgeluidgrenswaarden.

2.20.2.    Ingevolge voorschrift 7.8 is het in deze vergunning met betrekking tot het maximale geluidniveau gestelde niet van toepassing voor maximaal 2 vrachtwagens per dag die tussen 05.00 en 07.00 uur via de Dorpsstraat vertrekken en die in de dagperiode zijn geladen.

2.20.3.    De Afdeling overweegt dat de bestaande rechten betrekking hebben op reeds eerder vergunde activiteiten en in beginsel niet voor een in verband daarmee in een eerdere vergunning neergelegd beschermingsniveau. Uit het akoestisch rapport van Adviesbureau Peutz & Associes van 3 december 1990, no. F 2001-1, dat verweerder onder meer ten grondslag heeft gelegd aan zijn besluit, hetgeen de Afdeling, mede gelet op het deskundigenbericht, op dit punt niet onjuist voorkomt, leidt de Afdeling af dat indien de twee vrachtwagens de inrichting via de Dorpsstraat verlaten bij alle rekenposities in de nachtperiode een piekgeluidgrenswaarde van 60 dB(A) kan worden nageleefd. In het thans gestelde voorschrift 7.8 is onder meer bepaald dat de twee vrachtwagens de inrichting via de Dorpsstraat moeten verlaten. Gelet hierop is het verlenen van een ontheffing voor de maximale geluidniveaus niet nodig voor de nachtelijke vrachtwagenbewegingen. Door een ontheffing te verlenen voor de maximale geluidniveaus voor twee nachtelijke vrachtwagens heeft verweerder derhalve in strijd gehandeld met artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer. Voorschrift 7.8 komt derhalve in aanmerking voor vernietiging.

2.21.    Gelet op het voorgaande is het beroep van appellante sub 1 gegrond. Nu het stof- en het geluidaspect alsmede de emissies naar de lucht bepalend zijn voor de beantwoording van de vraag of de vergunning, zoals aangevraagd, kan worden verleend, zijn de beroepen van appellanten sub 2 en sub 3 geheel gegrond. De overige beroepsgronden van appellanten sub 2 en sub 3 behoeven in verband hiermee geen bespreking. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

2.22.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart de beroepen gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Haelen van 14 juli 2004, kenmerk 2002/4;

III.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Haelen tot vergoeding van bij appellante sub 1 in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 683,47 (zegge: zeshonderddrieëntachtig euro en zevenenveertig cent), waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, appellanten sub 2 in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en appellanten sub 3 in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 683,47 (zegge: zeshonderddrieëntachtig euro en zevenenveertig cent), waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Haelen aan appellanten sub 1 tot en met sub 3 onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IV.    gelast dat de gemeente Haelen aan appellanten sub 1 en sub 3 het elk door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 273,00 (zegge:  tweehonderddrieënzeventig euro) en aan appellanten sub 2 het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 136,00 (zegge: honderdzesendertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, Voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. J.H. van Kreveld, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.M. Leurs, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd    w.g. Leurs

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2005

372.