Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU0140

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-07-2005
Datum publicatie
27-07-2005
Zaaknummer
200500282/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 mei 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (hierna: het college) aan appellant met toepassing van artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het verbouwen en uitbreiden van een woning op het perceel kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummer […], plaatselijk bekend [locatie] te Eindhoven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2005, 329
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200500282/1.

Datum uitspraak: 27 juli 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Eindhoven,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 03.3444 van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 3 december 2004 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 28 mei 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (hierna: het college) aan appellant met toepassing van artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het verbouwen en uitbreiden van een woning op het perceel kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummer […], plaatselijk bekend [locatie] te Eindhoven.

Bij besluit van 14 november 2003 heeft het college het door [partij] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het primaire besluit van 28 mei 2003 herroepen en de gevraagde vrijstelling en bouwvergunning alsnog geweigerd.

Bij uitspraak van 3 december 2004, verzonden op 7 december 2004, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het door appellant daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 11 januari 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 25 april 2005 heeft het college van antwoord gediend.

Bij brief van 18 april 2005 heeft [partij] een reactie ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 juli 2005, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. M. Westphal, advocaat te Eindhoven, en het college, vertegenwoordigd door mr. P.J.A. van Creij, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen. Tevens is [partij] daar gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Het bouwplan betreft de verbouwing en uitbreiding van de woning aan de achterzijde, ter hoogte van de begane grond over de gehele breedte van de woning, op de eerste verdieping over ongeveer de helft van de breedte van de woning en op de zolder in de vorm van een dakkapel over vrijwel de gehele breedte van de woning. Na uitbreiding bedraagt de diepte van de woning 12,7 meter.

2.2.    Ingevolge het bestemmingsplan "Tongelre buiten de ring" geldt ter plaatse de bestemming "Woondoeleinden". Ingevolge artikel 12, lid 12.1, van de planvoorschriften mag, behoudens het onder 12.2 en 12.3 bepaalde, slechts worden gebouwd overeenkomstig het plan zoals dat door het college op grond van artikel 11 van de WRO voor dit gebied is uitgewerkt en door gedeputeerde staten onherroepelijk is goedgekeurd. Van een uitwerkingsplan, als hier bedoeld, dat is goedgekeurd, is niet gebleken. Onder 12.2 en 12.3 zijn de voorwaarden opgenomen waaronder vooruitlopend op de uitwerking kan worden gebouwd. Niet bestreden is dat het bouwplan niet aan die voorwaarden voldoet, zodat het in strijd is met het bestemmingsplan.

2.3.    Ingevolge artikel 19, derde lid, van de WRO, gelezen in samenhang met artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (hierna: het Bro 1985), kan het college vrijstelling verlenen voor een uitbreiding van of een bijgebouw bij een woongebouw in de bebouwde kom, mits het aantal woningen gelijk blijft.

2.4.    Het college heeft bij de beslissing op bezwaar alsnog geweigerd vrijstelling, als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de WRO en bouwvergunning te verlenen, omdat het bouwplan niet voldoet aan de op 16 mei 2002 vastgestelde interne gedragsregels voor het toepassen van bovengenoemde vrijstellingsbevoegdheid. Volgens het bepaalde onder D van deze gedragsregels, voorzover hier van belang, is uitbreiding van de hoofdmassa op de verdieping uitsluitend mogelijk aan de achterzijde van de woning indien de totale diepte van de hoofdmassa, gemeten vanaf de voorgevel van de woning, na uitbreiding niet meer bedraagt dan 10 meter. Indien de uitbreiding een diepte oplevert van tussen de 12 en de 14 meter, dan is deze niet toegestaan, tenzij ten aanzien van de lichtinval, bezonning, privacy en belemmering van uitzicht van naastgelegen percelen geen enkel bezwaar bestaat. In gevallen waarin de gedragsregels geen duidelijkheid bieden over het al dan niet toelaatbaar zijn van een initiatief, zal volgens de Algemene bepalingen een aparte belangenafweging worden gemaakt. Aangezien de uitbreiding een diepte oplevert van 12,7 meter en door [partij] tegen het bouwplan bezwaren zijn ingediend, die betrekking hebben op de vermindering van lichtinval, bezonning en privacy, heeft het college geweigerd vrijstelling te verlenen voor het bouwplan.

2.5.    Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college de weigering om vrijstelling te verlenen niet heeft kunnen baseren op uitsluitend een verwijzing naar genoemde interne gedragsregels.

   Dit betoog slaagt. Ingevolge artikel 4:82 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan ter motivering van een besluit slechts worden volstaan met een verwijzing naar een vaste gedragslijn voorzover deze is neergelegd in een beleidsregel.

   Niet bestreden is, dat de interne gedragsregels ten tijde hier van belang niet waren neergelegd in een beleidsregel als bedoeld in artikel 1:3, vierde lid, van de Awb, nu deze niet op de voorgeschreven wijze zijn bekendgemaakt. Het college kon ter motivering van de weigering om vrijstelling als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de WRO te verlenen dan ook niet volstaan met de enkele verwijzing naar de interne gedragsregels. Het college had moeten motiveren, na afweging van alle betrokken belangen, waarom in dit concrete geval is gekozen voor toepassing van voormelde gedragslijn. Nu het college dit heeft nagelaten, is de beslissing op bezwaar onvoldoende gemotiveerd en moet deze wegens strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb, worden vernietigd.

2.6.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het door appellant bij de rechtbank ingesteld beroep gegrond verklaren en de beslissing op bezwaar van 14 november 2003 vernietigen wegens strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

2.7.    Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 3 december 2004, kenmerk Awb 03/3444;

III.    verklaart het door appellant bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven van 14 november 2003, kenmerk JZ&IV 03B001653;

V.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven tot vergoeding van door appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep en het beroep gemaakte proceskosten ten bedrage van € 1288,00 (zegge twaalfhonderdachtentachtig euro, welk bedrag geheel dient te worden toegerekend aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Het gehele bedrag dient door de gemeente Eindhoven te worden betaald aan appellant.

VI.    gelast dat de gemeente Eindhoven het door appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep en het beroep betaalde griffierecht (in totaal € 341,00, zegge driehonderdeenenveertig euro) aan hem vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, Lid van de Enkelvoudige Kamer, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Ettekoven            w.g. Klein Nulent

Lid van de Enkelvoudige Kamer            ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2005

218-422