Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU0138

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-07-2005
Datum publicatie
27-07-2005
Zaaknummer
200500482/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 maart 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Borculo aan [belanghebbende] vrijstelling voor het oprichten van een garage-berging-hobbyruimte op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) en een bouwvergunning verleend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200500482/1.

Datum uitspraak: 27 juli 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. 04/912 van de rechtbank Zutphen van 9 december 2004 in het geding tussen:

appellant en zijn echtgenote

en

het college van burgemeester en wethouders van Borculo, thans het college van burgemeester en wethouders van Berkelland.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 22 maart 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Borculo aan [belanghebbende] vrijstelling voor het oprichten van een garage-berging-hobbyruimte op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) en een bouwvergunning verleend.

Bij besluit van 30 juni 2004 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 december 2004, verzonden op 16 december 2004, heeft de rechtbank Zutphen (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 14 januari 2005, bij de Raad van State ingekomen op 17 januari 2005, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 28 februari 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 20 mei 2005 heeft het college van de gemeente Berkelland (hierna: het college), in deze rechtsopvolger van de gemeente Borculo, van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 juli 2005, waar appellant met kennisgeving niet is verschenen. Het college is vertegenwoordigd door S.A. van der Spek en M.W.C. Brugman, ambtenaren der gemeente, verschenen. Voorts is belanghebbende, vertegenwoordigd door mr. E.J.M.J.J. Houben, daar gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Het bouwplan betreft een garage-berging-hobbyruimte met een oppervlakte van in totaal circa 54 m² en is gesitueerd op een afstand van ongeveer 1 meter van de perceelgrens. De hobbyruimte is op de bouwtekening met stippellijn ingetekend.

2.2.    Ingevolge het bestemmingsplan "Stad Borculo" geldt de bestemming "Woningbouw EO".

   Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de ter zake van toepassing zijnde "Bijgebouwenregeling gemeente Borculo 1983" (hierna: bijgebouwenregeling), voor zover hier van belang, is op het onderhavige perceel één bijgebouw als berging c.q. garage/carport met een maximale oppervlakte van 45 m² toegestaan.

   Ingevolge artikel 3, zesde lid, van de bijgebouwenregeling is het toegestaan dat een tweede bijgebouw kan worden opgericht, mits de gezamenlijke oppervlakte van de twee bijgebouwen de voorgeschreven maximum oppervlakte niet overschrijdt.

   Ingevolge artikel 3, zevende lid van de bijgebouwenregeling, voor zover hier van belang, is het in afwijking van het eerste lid en zesde lid toegestaan dat een hobbyruimte kan worden opgericht, met dien verstande dat het bebouwd oppervlak maximaal 10 m² mag bedragen.

   Ingevolge artikel 3, tiende lid, onder a, van de bijgebouwenregeling kan vrijstelling worden verleend van de voorgeschreven afstand tot de zijdelingse terreingrens tot op deze grens.

2.3.    De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld dat het college in redelijkheid de vrijstelling als bedoeld in artikel 3, tiende lid, van de bijgebouwenregeling kon verlenen. Voor zover appellant dit oordeel beoogt te bestrijden, faalt zijn betoog.

2.4.    Appellant betoogt dat het bouwplan in strijd is met artikel 3, zevende lid, van de bijgebouwenregeling.

   Het betoog slaagt. Omdat in het bestemmingsplan "hobbyruimte" en "garage-berging" als afzonderlijke begrippen zijn opgenomen, moet geconcludeerd worden dat artikel 3, zevende lid, van de bijgebouwenregeling ziet op het oprichten van een afzonderlijke hobbyruimte en dat de voorschriften niet de oprichting van één ruimte toestaan met overschrijding van de maximale maten voor een "garage-berging" enerzijds en een "hobbyruimte" anderzijds. Nu uit de bouwtekeningen blijkt dat het om één ruimte gaat en in het bouwplan derhalve geen voorzieningen zijn aangebracht om de hobbyruimte van de garage-berging af te scheiden, moet het ervoor worden gehouden dat het bouwplan een garage-berging betreft die de maximale oppervlakte van 45 m² voor bijgebouwen overschrijdt.

   Uit het voorgaande volgt dat de beslissing op bezwaar, nu het college zich heeft gebaseerd op een onjuiste uitleg van artikel 3 van de bijgebouwenregeling, is genomen in strijd met het bepaalde in artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank heeft dit miskend.

2.5.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling het beroep gegrond verklaren en de beslissing op bezwaar vernietigen.

2.6.    Het college dient een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Pas bij deze beslissing kan aan de orde komen of de kosten die appellant in verband met de behandeling van het bezwaar heeft gemaakt, door het college worden vergoed.

2.7.    Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 9 december 2004, 04/912;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Borculo van 30 juni 2004, UIT.04.2488;

V.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Berkelland tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep en het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door het college van de gemeente Berkelland aan appellant onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI.    gelast dat het college van de gemeente Berkelland aan appellant het door hem voor de behandeling van het hoger beroep en het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 341,00 (zegge: driehonderdéénenveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak    w.g. Lodder

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2005

17-499.