Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU0135

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-07-2005
Datum publicatie
27-07-2005
Zaaknummer
200504830/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 maart 2002 heeft de burgemeester van Amsterdam (hierna: de burgemeester) aan [vergunninghouders] een exploitatievergunning verleend voor een terras aan de gevelzijde van het [horecabedrijf], gevestigd aan de [locaties], voor het seizoen 2002.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Horeca 2005/1384

Uitspraak

200504830/1.

Datum uitspraak: 27 juli 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 03/4009 en AWB 03/4103 van de rechtbank Amsterdam  van 22 november 2004 in het geding tussen:

appellant

en

de burgemeester van Amsterdam.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 26 maart 2002 heeft de burgemeester van Amsterdam (hierna: de burgemeester) aan [vergunninghouders] een exploitatievergunning verleend voor een terras aan de gevelzijde van het [horecabedrijf], gevestigd aan de [locaties], voor het seizoen 2002.

Bij besluit van 23 juli 2003 heeft de burgemeester het daartegen door onder meer appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 november 2004, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door onder meer appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 23 december 2004, bij de Raad van State ingekomen op 27 december 2004, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Daartoe op de voet van artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in de gelegenheid gesteld, hebben [vergunninghouders] bij brief van 11 februari 2005 een memorie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 mei 2005, waar appellant in persoon, de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. H.C. van Esseveldt, ambtenaar bij de gemeente, en [een der vergunninghouders] in persoon, bijgestaan door mr. P. Nicolaï, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Vooropgesteld wordt dat, anders dan vergunninghouders betogen, appellant procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn (hoger) beroep - ook al is de periode waarop de beslissing op bezwaar betrekking heeft verstreken - nu het hier, naar ter zitting is gebleken, jaarlijks terugkerende vergunningverlening betreft.

2.2.    Voorts heeft de rechtbank appellant terecht als belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb bij het besluit tot verlening van een vergunning voor het terras aan de gevelzijde aangemerkt. Naar uit het verhandelde ter zitting naar voren is gekomen is appellant immers woonachtig in de directe nabijheid van het [horecabedrijf] en reeds om die reden als belanghebbend aan te merken.

2.3.    Het betoog van appellant komt neer op een herhaling van de bij de rechtbank ingediende en door de rechtbank behandelde gronden. De rechtbank is terecht tot het oordeel gekomen dat de burgemeester, vooruitlopend op nieuw vast te stellen (voor [horecabedrijf] gunstiger) terrassenbeleid, vergunning kon verlenen voor de exploitatie van voormeld terras. De feitelijke situatie na de herprofilering van de Looiersgracht was aldus dat, in overeenstemming met het op handen zijnde beleid, voldoende ruimte bestond voor een terras aan de gevelzijde van het horecabedrijf, in aanmerking genomen de verkeersveiligheid en de publieke functie van de openbare ruimte. Voor het betoog van appellant dat sprake is van een verkeersonveilige situatie zodat niet met toepassing van artikel 4:84 van de Awb van het beleid mocht worden afgeweken en geen vergunning mocht worden verleend, kan geen steun gevonden worden in de diverse rapporten van de verkeerspolitie dienaangaande. De rechtbank heeft derhalve terecht geoordeeld dat niet staande kan worden gehouden dat de burgemeester onder deze omstandigheden geen aanleiding mocht zien gebruik te maken van zijn bevoegdheid zoals neergelegd in artikel 4:84 van de Awb.

2.4.    De Afdeling onderschrijft tenslotte voorts hetgeen overigens door de rechtbank is overwogen ten aanzien van hetgeen door appellant naar voren is gebracht.

2.5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Voorzitter, en mr. B.J. van Ettekoven en mr. Ch.W. Mouton, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L.F. Egmond, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink    w.g. Egmond

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2005

391.