Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU0128

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-07-2005
Datum publicatie
27-07-2005
Zaaknummer
200408044/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 december 2002 heeft de gemeenteraad van Ede, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 10 december 2002, het bestemmingsplan "Agrarisch Buitengebied, herziening ex artikel 30 WRO" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200408044/1.

Datum uitspraak: 27 juli 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellanten sub 1], gevestigd en wonend te [woonplaats],

2.    [appellant sub 2], wonend te [woonplaats], en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Continental Rekreatie B.V.", gevestigd te Harskamp,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 19 december 2002 heeft de gemeenteraad van Ede, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 10 december 2002, het bestemmingsplan "Agrarisch Buitengebied, herziening ex artikel 30 WRO" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 19 augustus 2003, kenmerk RE2003.14631, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

De Afdeling heeft het besluit van 19 augustus 2003 bij uitspraak van 23 december 2003, no. 200306621/3, geheel vernietigd.

Bij zijn besluit van 14 september 2004, kenmerk RE2003.122295, heeft verweerder opnieuw beslist over de goedkeuring van dit bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellanten sub 1 bij brief van 15 oktober 2004, bij de Raad van State ingekomen op 15 oktober 2004, en appellanten sub 2 bij faxbericht van 24 november 2004, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld. Appellanten sub 2 hebben hun beroep aangevuld bij brief van 21 december 2004.

Verweerder heeft bij brief van 15 december 2004 meegedeeld dat geen verweerschrift wordt uitgebracht.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 30 maart 2005. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 juni 2005, waar appellanten sub 1, in persoon en vertegenwoordigd door mr. R.T. Kirpestein, appellanten sub 2, vertegenwoordigd door ir. W.J. Franken, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. V.C.E. Wattenberg, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn gehoord de gemeenteraad van Ede, vertegenwoordigd door W. IJzerman, ambtenaar van de gemeente, [partij], vertegenwoordigd door [gemachtigden], vertegenwoordigd door mr. J.W. van der Linde, advocaat te Ede.

2.    Overwegingen

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb (wet van 24 juni 2002, Stb. 54) en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb (wet van 26 mei 2005, Stb. 282) in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten, op dit geding van toepassing blijft.

Ontvankelijkheid

2.2.    Ingevolge artikel 29, derde lid, gelezen in samenhang met artikel 28, zesde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) wordt, voorzover hier van belang, het besluit omtrent goedkeuring met het bestemmingsplan met ingang van de zesde week na de bekendmaking voor de duur van zes weken ter gemeentesecretarie voor een ieder ter inzage gelegd. De terinzagelegging is hiermee bepaald op de eerste reguliere werkdag van de zesde kalenderweek na de bekendmaking.

Ingevolge artikel 56a, onder b, van de WRO vangt de beroepstermijn voor een geval als hier aan de orde aan met ingang van de dag van de terinzagelegging van het besluit overeenkomstig artikel 29, derde lid, van de WRO.

2.2.1.    Het besluit van verweerder van 14 september 2004 is bekendgemaakt op 17 september 2004. De beroepstermijn is derhalve begonnen op 25 oktober 2004 en, gelet op het bepaalde in artikel 1, eerste lid, van de Algemene termijnenwet, geëindigd op 6 december 2004.

Blijkens de publicaties inzake het goedkeuringsbesluit begon de termijn voor het indienen van beroep op 14 oktober 2004 en eindigde deze termijn op 24 november 2004.

2.2.2.    Het beroepschrift van 24 november 2004 is alleen namens [appellant sub 2] ingediend. De brief van 21 december 2004 waarbij de beroepsgronden zijn aangevuld, heeft [appellant sub 2] mede namens Continental Rekreatie B.V. ingediend.

Hieruit volgt dat Continental Rekreatie B.V. eerst bij het aanvullende beroepschrift van [appellant sub 2] beroep heeft ingesteld. Dit aanvullend beroep is niet binnen de termijn ingediend.

Dat in de publicaties van het besluit niet de juiste beroepstermijn staat vermeld, kan er redelijkerwijs niet aan afdoen dat Continental Rekreatie B.V. in verzuim is geweest, aangezien zij ook de termijn die uit die publicaties volgt, heeft overschreden. Ook overigens bestaat geen grond om te oordelen dat Continental Rekreatie B.V. dit verzuim niet redelijkerwijs kan worden verweten.

Het beroep van appellanten sub 2 voorzover ingediend namens Continental Rekreatie B.V. is niet-ontvankelijk.

Toetsingskader

2.3.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Het beroep van [appellant sub 2]

2.4.    [appellant sub 2] heeft ter zitting zijn beroep met betrekking tot de op de bijlagekaart nummer 1 weergegeven aanduiding "A, kw" ingetrokken.

Het standpunt van appellant

2.4.1.    [appellant sub 2] stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan het plandeel met de bestemming "Gemengd agrarisch gebied langs de Veluwe" en de aanduiding "detailhandel, handel in caravans (Dc)" op het perceel Harderwijkerweg 26 in Harskamp dat, voorzover hier van belang, de bouw van een woning op deze gronden mogelijk maakt. Volgens [appellant sub 2] heeft verweerder miskend dat een woning ter plaatse door het treffen van aanvullende maatregelen ter beperking van geluidoverlast geen beperking van de geluidruimte van het naastgelegen bedrijf met zich brengt en dat door deze maatregelen een uit oogpunt van geluidoverlast voldoende woon- en leefklimaat wordt bereikt.

Het bestreden besluit

2.4.2.    Verweerder heeft dit plandeel in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en daaraan goedkeuring onthouden. Hij stelt dat het plan voorzover dat voorziet in de bouw van een woning op de desbetreffende gronden de ontwikkelingsmogelijkheden van het bedrijf op het naastgelegen perceel beperkt. Daarbij stelt verweerder dat een goed woon- en leefklimaat ter plaatse niet kan worden gewaarborgd.

Vaststelling van de feiten

2.4.3.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.4.4.    Dit plan houdt een partiële herziening in van het ter plaatse van kracht zijnde bestemmingsplan "Agrarisch Buitengebied".

Het plan voorzover hier van belang voorziet ten opzichte van het bestemmingsplan "Agrarisch Buitengebied" in een vergroting van het plandeel met de bestemming "Gemengd agrarisch gebied langs de Veluwe" en de aanduiding "detailhandel, handel in caravans (Dc)" op het perceel [locatie] in Harskamp.

2.4.5.    Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de planvoorschriften, voorzover hier van belang, zijn de gronden met de genoemde bestemming en aanduiding bestemd voor detailhandel in caravans.

In artikel 10, derde lid, onder d, van de planvoorschriften, voorzover hier van belang, is over bebouwing ten dienste van detailhandel op deze gronden bepaald dat per bedrijf of instelling ten hoogste één dienstwoning is toegestaan.

2.4.6.    Het plan voorziet voor de gronden noordelijk grenzend aan dit perceel in de bestemming "Gemengd agrarisch gebied langs de Veluwe" en de aanduiding "niet agrarisch bedrijf, bouwnijverheid- en installatiebedrijven (Bb)".

Blijkens de stukken, waaronder het deskundigenbericht, is op deze gronden een bedrijf gevestigd dat ter plaatse onder meer puin breekt en opslaat. Voor deze bedrijfsactiviteiten bevindt zich op deze gronden een - vergunde -puinbreekinstallatie.

De afstand van deze puinbreekinstallatie tot de gronden waarop de bouw van een woning op het perceel [locatie] mogelijk is, bedraagt ongeveer 45 meter.

2.4.7.    De gronden waarop de in overweging 2.4.4. genoemde vergroting betrekking heeft, liggen binnen de 50 dB(A)-contour van het bedrijf met de puinbreekinstallatie.

Het oordeel van de Afdeling

2.4.8.    De in het plan voorziene vergroting van het plandeel met de bestemming "Gemengd agrarisch gebied langs de Veluwe" en de aanduiding "detailhandel, handel in caravans (Dc)" op het perceel [locatie] maakt de bouw van een woning mogelijk op korte afstand van genoemd bedrijfsperceel, waarop geluidoverlast veroorzakende bedrijfsactiviteiten plaatsvinden.

Tussen partijen is niet in geschil dat ter waarborging van de betrokken bedrijfsbelangen en een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse geluidwerende maatregelen, zoals het plaatsen van een geluidswal, moeten worden getroffen.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is echter niet gebleken dat voldoende zeker is dat afdoende geluidwerende maatregelen zullen worden getroffen. Met betrekking tot hetgeen [appellant sub 2] in dit verband ter zitting heeft betoogd, overweegt de Afdeling dat gelet op het bepaalde in artikel 10:29, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht het voor verweerder niet mogelijk is aan een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan de voorwaarde van verwezenlijking van geluidwerende maatregelen te verbinden.

Gelet op het voorgaande alsmede gelet op hetgeen in overweging 2.4.6. over de puinbreekactiviteiten is gesteld, heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre uit een oogpunt van geluidoverlast zowel beperkingen met zich brengt voor de bedrijfsvoering op het aangrenzende bedrijfsperceel als onvoldoende waarborgen kent voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse.

Voorts acht de Afdeling het standpunt van verweerder dat onvoldoende inzichtelijk is gemaakt waarom de woning niet kan worden gebouwd op de gronden met de bestemming "Gemengd agrarisch gebied langs de Veluwe" en de aanduiding "detailhandel, handel in caravans (Dc)" op het perceel [locatie] zoals mogelijk gemaakt in het bestemmingsplan "Agrarisch Buitengebied" niet onredelijk. Daarbij is van belang dat deze gronden buiten de 50 dB(A)-contour van genoemd bedrijf en op grotere afstand van de bij dat bedrijf in gebruik zijnde puinbreekinstallatie liggen.

Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan op dit punt in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft onthouden aan het plandeel met de bestemming "Gemengd agrarisch gebied langs de Veluwe" en de aanduiding "detailhandel, handel in caravans (Dc)" op het perceel [locatie] in Harskamp.

Het beroep van [appellant sub 2] is ongegrond.

Het beroep van [appellanten sub 1]

Het standpunt van appellanten

2.5.    [appellanten sub 1] stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Agrarisch veenontginningslandschap Ederveen" en de aanduiding "agrarische nevenactiviteit" op het perceel [locatie] in Ederveen. [appellanten sub 1] betogen dat de aan deze gronden toegekende aanduiding "agrarische nevenactiviteit" niet passend is. Daartoe stellen zij dat op het perceel ten tijde van een inventarisatie op 16 april 1992 met het oog op het al dan niet toekennen van een bestemming voor agrarische doeleinden onvoldoende vee aanwezig was. Tevens betogen zij dat het plan in zoverre een uitbreiding van de bebouwingsmogelijkheden voor agrarische doeleinden op dit perceel mogelijk maakt, terwijl ter plaatse geen agrarische activiteiten plaatsvinden. Voorts voeren zij aan dat het plan in zoverre voorziet in de legalisering van bouwwerken die in strijd met het geldende bestemmingsplan zijn gebouwd en dat het gemeentebestuur handhavend moet optreden tegen deze illegale bouwwerken.

Het bestreden besluit

2.5.1.    Verweerder heeft dit plandeel niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en daaraan goedkeuring verleend. Hij stelt zich op het standpunt dat de gemeenteraad op basis van de veebezetting ten tijde van genoemde inventarisatie de aanduiding "agrarische nevenactiviteit" aan het desbetreffende perceel heeft kunnen toekennen. Daarnaast betoogt verweerder dat handhaving de aangewezen weg is een einde te maken aan bestaande illegale bebouwing en dat dit een kwestie van uitvoering is die in het kader van deze procedure niet aan de orde kan komen.

Vaststelling van de feiten

2.5.2.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.5.3.    Dit plan houdt een partiële herziening in van het ter plaatse van kracht zijnde bestemmingsplan "Agrarisch Buitengebied".

Het plan, voorzover hier van belang, voorziet in de bestemming "Agrarisch veenontginningslandschap Ederveen" met de aanduiding "agrarische nevenactiviteit" voor het perceel [locatie] te Ederveen.

2.5.4.    In het bestemmingsplan "Agrarisch Buitengebied" was aan het perceel dezelfde bestemming toegekend met de aanduiding "wonen". Bij de planvaststelling van deze herziening heeft de gemeenteraad deze aanduiding ambtshalve gewijzigd in "agrarische nevenactiviteit" onder verwijzing naar de veebezetting van meer dan 10 standaardbedrijfseenheden (verder: sbe) op het perceel [locatie] ten tijde van de inventarisatie in 1992 voor de totstandkoming van het bestemmingsplan "Agrarisch Buitengebied".

2.5.5.    Blijkens de plantoelichting van het bestemmingsplan "Agrarisch Buitengebied" is bedrijvigheid aangemerkt als agrarische nevenactiviteit bij het wonen daar waar ten tijde van de inventarisatie sprake is van kleinschalige agrarische bedrijvigheid met een productieomvang tussen de 10 en 50 sbe.

2.5.6.    Bij deze herziening heeft de gemeenteraad voor de berekening van de veebezetting op het perceel [locatie] zich gebaseerd op de landbouwtelling van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 16 april 1992. De berekening van de gemeenteraad komt uit op een veebezetting ter plaatse van ruim 15 sbe.

Uit de stukken blijkt dat de gemeenteraad bij deze berekening voor de bepaling van het aantal stuks vee ter plaatse onder meer het aantal genoemd onder de rubriek "rundvee" met de code 230 heeft betrokken.

2.5.7.    Blijkens het deskundigenbericht is de rubriek met de code 230 een totaalrubriek van het aantal stuks rundvee op het desbetreffende perceel. Het in deze rubriek genoemde aantal stuks vee kan niet in de berekening worden meegenomen, omdat dit reeds de opsomming van het aantal stuks rundvee op het desbetreffende perceel betreft.

Uit het deskundigenbericht blijkt dat op grond van de inventarisatie op 16 april 1992 op het perceel [locatie] de veebezetting 4,7 sbe bedroeg.

Het oordeel van de Afdeling

2.5.8.    Verweerder heeft de bedenkingen van [appellanten sub 1] met betrekking tot de wijziging van de aanduiding "wonen" in "agrarische nevenactiviteit" naast de bestemming "Agrarisch veenontginningslandschap Ederveen" voor het perceel [locatie] weerlegd enkel door te wijzen op de omstandigheid dat de veebezetting ter plaatse ten tijde van genoemde inventarisatie meer dan 10 sbe bedroeg.

Gelet op het voorgaande berust het aantal van meer dan 10 sbe op een onjuiste berekening.

Ter zitting heeft de gemeenteraad dit erkend, maar tevens gesteld dat niet nader is onderzocht of op grond van andere stukken en verklaringen een beeld gevormd kan worden over de veebezetting.

Uitgaande van de landbouwtelling van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 16 april 1992 bestaat geen aanleiding om aan het in het deskundigenrapport berekende aantal van 4,7 sbe te twijfelen. Zolang niet op andere wijze is aangetoond dat ten tijde van een inventarisatie in 1992 op de desbetreffende gronden de vereiste veebezetting aanwezig was om op grond van het in overweging 2.5.5. genoemde uitgangspunt dat is gehanteerd bij de totstandkoming van het plan, de bedrijvigheid ter plaatse als agrarische nevenactiviteit aan te merken, dient dit aantal van 4,7 sbe te worden aangehouden.

Verweerder heeft ter zitting gesteld, dat ook andere stukken dan de landbouwtelling in aanmerking genomen kunnen worden, maar dat deze ten tijde van het bestreden besluit niet aan hem bekend waren. Op grond daarvan heeft verweerder geen oordeel willen vormen over de bij het deskundigenrapport gevoegde stukken, maar heeft ter zitting verklaard dit alsnog te willen doen.

Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit voorzover het betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch veenontginningslandschap Ederveen" en de aanduiding "agrarische nevenactiviteit" met betrekking tot de gronden van het perceel [locatie] is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

Het beroep van [appellanten sub 1] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd.

De overige argumenten behoeven geen bespreking meer.

proceskostenveroordeling

2.6.    Verweerder dient ten aanzien van [appellanten sub 1] op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Ten aanzien van [appellant sub 2] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep van appellanten sub 2 voorzover ingediend namens Continental Rekreatie B.V. niet-ontvankelijk;

II.    verklaart het beroep van [appellanten sub 1] gegrond;

III.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 14 september 2004, kenmerk RE2003.122295, voorzover het betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch veenontginningslandschap Ederveen" en de aanduiding "agrarische nevenactiviteit" met betrekking tot de gronden van het perceel [locatie] te Ederveen;

IV.    verklaart het beroep van appellanten sub 2 voor het overige ongegrond;

V.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Gelderland tot vergoeding van bij [appellanten sub 1] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 544,33 (zegge: vijfhonderdvierenveertig euro en drieëndertig cent), waarvan € 322,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Gelderland aan [appellanten sub 1] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI.    gelast dat de provincie Gelderland aan [appellanten sub 1] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 273,00 (zegge: tweehonderddrieënzeventig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, Voorzitter, en mr. M. Oosting en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel    w.g. Verbeek

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2005

388-447.