Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU0110

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-07-2005
Datum publicatie
27-07-2005
Zaaknummer
200501117/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 september 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders Sint-Oedenrode (hierna: het college) appellante onder aanzegging van een dwangsom aangeschreven, binnen acht weken na verzending van dit besluit, het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van de loods, gesitueerd op het perceel, kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nr. […] plaatselijk bekend [locatie 1], te beëindigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200501117/1.

Datum uitspraak: 27 juli 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante] , gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak in zaak no. Awb 04/1445 van de rechtbank 's Hertogenbosch van 22 december 2004 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Sint-Oedenrode.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 26 september 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders Sint-Oedenrode (hierna: het college) appellante onder aanzegging van een dwangsom aangeschreven, binnen acht weken na verzending van dit besluit, het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van de loods, gesitueerd op het perceel, kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nr. […] plaatselijk bekend [locatie 1], te beëindigen.

Bij besluit van 13 april 2004 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 december 2004, verzonden op 27 december 2004, heeft de rechtbank 's Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 2 februari 2005, bij de Raad van State ingekomen op 4 februari 2005, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 3 maart 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 31 maart 2005 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 juli 2005, waar appellante, vertegenwoordigd door [vennoot], en het college, vertegenwoordigd door mr. M.H.J. van Els, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied" is het in het geding zijnde perceel bestemd als "Landschappelijk waardevol agrarisch gebied B". Ingevolge artikel 6, lid C, van de planvoorschriften is het verboden bouwwerken op de tot "Landschappelijk waardevol agrarisch gebied A en B" bestemde gronden te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de aan de grond gegeven bestemming. Tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt - voor zover hier van belang - in ieder geval gerekend het gebruik voor de uitoefening van enige tak van handel en/of bedrijf. Het gebruik van het pand als bedrijfsmatige opslag is dan ook in strijd met voornoemd gebruiksverbod. Het college was derhalve bevoegd terzake handhavend op te treden.

2.2.    Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.3.    Het beroep van appellante op de in artikel 6, tweede lid, sub c van de planvoorschriften opgenomen vrijstellingsmogelijkheid, kan niet slagen.

De stukken en het verhandelde ter zitting bieden geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de loods objectief bezien niet langer zinvol overeenkomstig het krachtens het overgangsrecht toegestane gebruik van de loods kan worden gebruikt. Het verlenen van een vrijstelling krachtens artikel 6, tweede lid, sub c van de planvoorschriften is derhalve niet mogelijk.

2.4.    Voorts is het college niet bereid medewerking te verlenen aan het volgen van een vrijstellingsprocedure als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), aangezien dit niet past binnen zijn beleid bedrijfsactiviteiten bij woonpercelen te weren. Tevens is in het voorontwerp van het toekomstige bestemmingsplan aan het perceel waar het strijdige gebruik zich voordoet de bestemming "Wonen" toegekend. Ook hierin past geen bedrijfsmatig gebruik van de aanwezige bouwwerken. Derhalve zal ook onder het toekomstig planologisch regime de bestaande situatie niet gelegaliseerd kunnen worden. Het feit dat voor het belendende perceel [locatie 2] in het voorontwerp wel een bedrijfsbestemming is voorzien doet hieraan niet af.

2.5.    Appellante betoogt voorts dat het college bij zijn besluitvorming onvoldoende het motiveringsbeginsel in acht heeft genomen nu hij ter motivering van zijn beslissing heeft verwezen naar hetgeen in een eerdere procedure waarin appellante geen partij was terzake van dezelfde overtreding is overwogen. De rechtbank heeft terecht deze verwijzing naar de inhoudelijke overwegingen van de eerdere bij appellante bekende zaak niet onzorgvuldig geacht. Immers het feitencomplex is, afgezien van de aangeschreven persoon hetzelfde gebleven, waarbij aan de nieuw aangeschreven persoon in het besluit afzonderlijke overwegingen zijn gewijd. Voorts is gebleken dat in de beslissing in primo uitvoerig is ingegaan op de door appellante ingebrachte bedenkingen.

2.6.    Appellantes betoog dat het college in strijd met het gelijkheidbeginsel handelt, kan niet slagen. De door appellante gedane melding in het kader van het Besluit opslag en transport milieubeheer ziet uitsluitend op het perceel [locatie 2]. Appellante kan uit de acceptatie van deze melding door het college niet in redelijkheid afleiden dat de situatie op haar perceel [locatie 1] hiermee ook wordt gedoogd. Daarbij kan er niet aan voorbij gegaan worden dat het college de strijdige situatie reeds voor deze melding heeft gewraakt door middel van de vooraankondiging van 8 augustus 2000 en het dwangsombesluit van 21 november 2000.

2.7.    Appellantes betoog dat in een recente planschadeprocedure door de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: SOAZ) een advies is uitgebracht waarin expliciet wordt vermeld dat het in het geding zijnde perceel in gebruik is voor bedrijfsdoeleinden en dat uit die mededeling mag worden afgeleid dat het college instemt met het gebruik als zodanig, kan geen doel treffen. De omschrijving van de werkzaamheden door SOAZ betreft slechts een feitelijke constatering van de situatie zonder dat er juridische consequenties aan verbonden kunnen en moeten worden. Het college heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat aan dit advies niet de door appellante gewenste betekenis kan worden toegekend.

2.8.    In hetgeen appellante als bijzondere omstandigheden naar voren heeft gebracht, heeft de rechtbank terecht geen grond gezien voor het oordeel dat van het college kan worden gevergd van handhavend optreden af te zien.

2.9.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.L.M. Steinebach- de Wit, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink    w.g. Steinebach-de Wit

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2005

328-503.