Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU0106

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-07-2005
Datum publicatie
27-07-2005
Zaaknummer
200500345/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 oktober 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Geldrop-Mierlo (hierna: het college) besloten een door appellant aangevraagde bouwvergunning te weigeren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2005, 174

Uitspraak

200500345/1.

Datum uitspraak: 27 juli 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [plaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/1015 van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 9 december 2004 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Geldrop-Mierlo.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 1 oktober 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Geldrop-Mierlo (hierna: het college) besloten een door appellant aangevraagde bouwvergunning te weigeren.

Bij besluit van 2 maart 2004 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 december 2004, verzonden op 14 december 2004, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 12 januari 2005, bij de Raad van State ingekomen op 13 januari 2005, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 10 maart 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 26 april 2005 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 juli 2005, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. G.R.A.G. Goorts, advocaat te Deurne, en het college, vertegenwoordigd door B.A. Brugman, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Niet in geschil is dat het oprichten van een verkoopruimte ten behoeve van de verkoop van vuurwerk op het perceel aan het [locatie] (hierna: het perceel) in strijd is met artikel 4 van de voorschriften van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "'t Hout".

   Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), voor zover hier van belang, kunnen burgemeester en wethouders met het oog op een voor een bepaalde termijn voorgenomen afwijking van een bestemmingsplan vrijstelling verlenen van dat plan.

2.2.    Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de vrijstelling slechts vanwege de externe veiligheid is geweigerd. De veiligheid is volgens appellant in voldoende mate gewaarborgd, aangezien voldaan is aan de eisen met betrekking tot afstand, zoals neergelegd in het Besluit houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk (Stb. 2002, 114) (hierna: het Vuurwerkbesluit).

   Het betoog faalt. Bij de toepassing van artikel 17, eerste lid, WRO komt het college, in aanmerking genomen de bewoordingen van dat artikel en de aard van de bevoegdheid die daarin aan het college is toegekend, een ruime mate van beleidsvrijheid toe. In zijn besluit van 1 oktober 2003 heeft het college ervoor gekozen geen medewerking te verlenen aan een tijdelijke vrijstelling omdat met name de vestiging van nieuwe verkooppunten met bijbehorende voorraden in woonwijken c.q. een woonomgeving niet wenselijk is in verband met de externe veiligheid. Gelet op de gegeven toelichting, waarbij naar voren is gebracht, dat stedenbouwkundige aspecten een rol hebben gespeeld, wordt dit besluit zo opgevat dat het college de aangevraagde bouwvergunning voor het oprichten van een verkoopruimte ten behoeve van de verkoop van vuurwerk uit dat oogpunt niet wenselijk achtte. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college in redelijkheid tot dit besluit kunnen komen en betekent het enkele feit dat aan de eisen van het Vuurwerkbesluit is voldaan derhalve niet dat het college bij zijn planologische afweging of vrijstelling zou dienen te worden verleend deze niet om redenen van externe veiligheid mocht weigeren en daarbij de omstandigheid dat de dichtstbijzijnde woning op circa 13 meter is gelegen niet mocht betrekken. Daarbij zou de door appellant bepleite opvatting, dat het college de vrijstelling gelet op het Vuurwerkbesluit diende te verlenen, tezeer afbreuk doen aan de toepasselijke regeling in het bestemmingsplan, dat tot stand is gekomen na een met veel waarborgen omgeven procedure.

2.3.    Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte het beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft verworpen.

   Het betoog faalt. Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel is vereist dat sprake is van rechtens vergelijkbare gevallen. Reeds door het verschil in de bij bestemmingsplan toegekende bestemmingen is hiervan geen sprake. Dat de rechtbank het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet heeft gehonoreerd uitsluitend vanwege het onderscheid tussen legalisatie van een bestaande praktijk en een op te richten inrichting, zoals appellant stelt, mist feitelijke grondslag.

2.4.    Ten slotte heeft de rechtbank het beroep van appellant op het vertrouwensbeginsel op goede gronden verworpen.

2.5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak    w.g. Lodder

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2005

17-499.