Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU0103

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-07-2005
Datum publicatie
27-07-2005
Zaaknummer
200500076/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brieven van 23 juni 2003 en van 24 juni 2003 gericht aan het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (hierna: het college) heeft appellant diverse bezwaren geuit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200500076/1.

Datum uitspraak: 27 juli 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Amsterdam,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 03/5224 van de rechtbank Amsterdam van 24 november 2004 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.

1.    Procesverloop

Bij brieven van 23 juni 2003 en van 24 juni 2003 gericht aan het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (hierna: het college) heeft appellant diverse bezwaren geuit.

Bij besluit van 26 september 2003 heeft het college de bezwaren van appellant niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 24 november 2004, verzonden op 26 november 2004, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 4 januari 2005, bij de Raad van State ingekomen op 5 januari 2005, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brieven van 5 januari,18 januari, 24 januari, 9 februari, 21 februari, 15 maart, 21 maart, 22 maart en 31 maart 2005, alle voorzien van diverse bijlagen.

Bij brief van 25 februari 2005 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 april 2005, waar appellant in persoon, bijgestaan door W. Fris, gemachtigde, en het college, vertegenwoordigd door mr. N. Wohlgemuth Kitslaar, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Blijkens de stukken moet worden uitgegaan van de hiernavolgende feiten en omstandigheden.

    Appellant is sinds 3 maart 1988 eigenaar van het op dat moment gekraakte pand [locatie] te Amsterdam (hierna: het pand).

    Bij besluit van 8 november 1988 is de gemeente Amsterdam akkoord gegaan met een voorstel tot vordering van het pand als woonruimte, welk besluit bij besluit van 15 maart 1989 zijn definitieve beslag heeft gekregen. Het daartegen door appellant ingestelde beroep bij de Afdeling rechtspraak van de Raad van State is bij uitspraak van 6 juli 1989 verworpen. Vervolgens heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bij uitspraak van 6 september 1994 het door appellant ingestelde verzoek om herziening van de uitspraak van 6 juli 1989 afgewezen.

    Bij uitspraak van 26 april 1995 heeft de Afdeling het verzoek van appellant tot herziening van de uitspraak van 6 september 1994 afgewezen. Daarbij is overwogen dat indien de door verzoeker (appellant) gestelde schade samenhangt met de door de Afdeling op onjuiste gronden in stand gelaten beslissing tot vordering van het pand, het verzoeker vrij staat zich met een verzoek om schadevergoeding te wenden tot de gemeente.

    Vervolgens heeft appellant bij de burgerlijke rechter een procedure tegen de gemeente aanhangig gemaakt waarbij is gevorderd vergoeding van de ten gevolge van onrechtmatig handelen door de gemeente geleden schade. Bij tussenvonnis van 9 februari 2000 heeft de civiele kamer van de rechtbank Amsterdam geoordeeld dat de gemeente in redelijkheid niet tot het vorderingsbesluit heeft kunnen komen en heeft zij diverse door appellant gevorderde bedragen, zoals in die uitspraak genoemd, toewijsbaar geacht. Bij eindvonnis van 8 mei 2002 heeft de rechtbank Amsterdam aan appellant een bedrag van in totaal € 42.375,86 toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 april 1990 tot aan de dag van voldoening. Tegen deze uitspraken is geen hoger beroep ingesteld.

   Blijkens de stukken heeft appellant op grond van het eindvonnis van de rechtbank een opeisbare vordering op de gemeente van in totaal € 115.837,21, inclusief de wettelijke rente berekend vanaf 23 april 1990 tot en met 8 augustus 2002. Blijkens de stukken stelt de gemeente zich op het standpunt dat appellant op grond van drie op 2 november 1982 aan hem betekende dwangbevelen aan de gemeente een bedrag is verschuldigd van in totaal € 164.051,58, inclusief kosten en rente, berekend tot en met 8 augustus 2002. Partijen hebben over deze vorderingen gecorrespondeerd.

2.2.    Bij brieven van 23 juni 2003 en van 24 juni 2003, die als bezwaarschriften zijn aangemerkt, heeft appellant zich bij het college beklaagd over de gang van zaken.

2.2.1.    Blijkens het bezwaarschrift van 23 juni 2003 richten de bezwaren van appellant zich tegen:

1. de renteberekeningen naar aanleiding van de civiele vonnissen van de rechtbank Amsterdam van 9 februari 2000 en 8 mei 2002;

2. de renteberekening van de beoogde verrekening van dwangbevelen van 18 oktober 1982;

3. de verrekening van dwangbevelen met genoemde vonnissen;

4. de uitvoering van het vorderingsbesluit van 8 november 1988 en de  betaling van achterstallige gebruiks-/vorderingsvergoedingen.

2.3.    De Afdeling stelt vast dat alle bezwaren van appellant zien op of zijn te herleiden tot de financiële afwikkeling van genoemde vonnissen. De op deze afwikkeling betrekking hebbende stukken bevatten geen besluiten in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het college heeft het bezwaarschrift dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het oordeel van de rechtbank is juist.

2.4.    Ten aanzien van het bezwaarschrift van 24 juni 2003, dat, naar appellant stelt, zich richt tegen de weigering door het college een beslissing te nemen naar aanleiding van diverse brieven van de kant van appellant waarbij hij verzoekt om voldoening van door hem geleden schade, heeft de rechtbank geoordeeld dat het hier eveneens een civielrechtelijk geschilpunt betreft.

2.4.1.    Uit de inhoud van de brieven van 8 maart 2000, 24 januari 2003, 21 februari 2003 en van 13 mei 2003 blijkt dat appellant zich niet kan vinden in de financiële afwikkeling naar aanleiding van de vonnissen van de rechtbank. Dat appellant blijkens de inhoud van genoemde brieven heeft verwezen naar de punten 23, 24 en 25 van de dagvaarding van 19 december 1997 terzake door hem gevorderde schadevergoeding, betekent niet dat de reactie van het college op de brieven van appellant als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb moet worden aangemerkt. Ook in zoverre heeft het college dit bezwaarschrift terecht niet-ontvankelijk verklaard en is het oordeel van de rechtbank juist.

    Geoordeeld wordt voorts dat de door appellant aangehaalde brieven van 5 maart en van 4 juni 2003 van de kant van de gemeente Amsterdam en de brief van 16 juni 2003 van de gemeenteadvocaat geen beslissingen bevatten die op rechtsgevolg zijn gericht, zodat het college het bezwaarschrift ook in zoverre terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank is op goede gronden tot het juiste oordeel gekomen.

2.5.    Voorzover appellant in hoger beroep heeft verzocht om schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van de Awb, moet dit verzoek worden afgewezen. Nu de rechtbank het beroep - terecht - ongegrond heeft verklaard en het hoger beroep evenmin doel treft, is voor een vergoeding op de voet van artikel 8:73 van de Awb reeds hierom geen plaats.

2.6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Ettekoven    w.g. Dallinga

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2005

384.