Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU0102

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-07-2005
Datum publicatie
27-07-2005
Zaaknummer
200500022/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 april 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmerliede en Spaarnwoude (hierna: het college) appellant onder oplegging van een dwangsom gelast de loods op het perceel [locatie] te verwijderen en verwijderd te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200500022/1.

Datum uitspraak: 27 juli 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/222 van de rechtbank Haarlem van 18 november 2004 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmerliede en Spaarnwoude.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 10 april 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmerliede en Spaarnwoude (hierna: het college) appellant onder oplegging van een dwangsom gelast de loods op het perceel [locatie] te verwijderen en verwijderd te houden.

Bij besluit van 2 december 2003 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 november 2004, verzonden op 23 november 2004, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 3 januari 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 2 maart 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 8 april 2005 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 juni 2005, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. drs. Th.F. Roest, advocaat te Haarlem, en het college, vertegenwoordigd door P.J. Oud, ambtenaar bij de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Woningwet is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders (bouwvergunning). Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Hofambacht 1986" rust op de gronden waarop de loods is gesitueerd, de bestemming "Agrarische doeleinden met recreatief medegebruik (AA)". Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de planvoorschriften, voorzover hier van belang, zijn de op de kaart voor "agrarische doeleinden met recreatief medegebruik" aangewezen gronden bestemd voor de uitoefening van agrarische bedrijven met de daarbij behorende bouwwerken. Ingevolge artikel 26, vierde lid, van de planvoorschriften mogen bouwwerken en gronden, welke op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan op andere wijze in gebruik zijn dan in dit plan is bepaald, als zodanig in gebruik blijven; het is verboden de bestaande afwijking op enigerlei wijze, ook naar de aard, te vergroten of te verzwaren.

2.2.    Vast staat dat appellante heeft gehandeld in strijd met artikel 40 van de Woningwet, zodat het college terzake handhavend kon optreden.

2.3.    Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.4.    Vaststaat dat de loods in strijd is met de bestemming "Agrarische doeleinden met recreatief medegebruik (AA)".

2.5.    Het beroep van appellant op het overgangsrecht kan reeds niet slagen, omdat de loods ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan nog niet bestond.

2.6.    Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat concreet uitzicht op legalisatie bestaat, aangezien de loods door middel van een vrijstelling van het bestemmingsplan gelegaliseerd kan worden. Het college stelt dat geen vrijstelling wordt verleend, aangezien de loods een oppervlakte van meer dan 100 m² heeft en dit indruist tegen het gemeentelijke beleid, inhoudende dat voor bijgebouwen in het buitengebied een maximum oppervlakte van 100 m² wordt gehanteerd. Volgens appellant had door het college aangetoond moeten worden dat dit beleid daadwerkelijk bestaat en wordt uitgevoerd.

2.6.1.    Dit betoog faalt. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat geen concreet zicht op legalisatie bestaat. Het college is niet bereid voor de onderhavige loods vrijstelling van het bestemmingsplan te verlenen. Ter zitting is genoegzaam gebleken dat het college de vaste bestuurspraktijk hanteert dat voor bijgebouwen in het buitengebied slechts een maximale oppervlakte van 100 m² wordt vergund, hetgeen de Afdeling niet onredelijk voorkomt.

2.7.    Ingevolge artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) dient de beslissing op bezwaar te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld.

2.8.    Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de door het college genomen beslissing op bezwaar in strijd is met het motiveringsbeginsel. Appellant voert hiertoe aan dat zijn betoog - inhoudende dat de gemeente de onderhavige bebouwing lange tijd heeft gedoogd - in de bezwaarfase niet door het college is behandeld.

2.8.1.    Dit betoog slaagt. Het college is ten onrechte niet ingegaan op bovengenoemd betoog van appellant. Dit betoog is door het college noch opgevat als een beroep op het vertrouwensbeginsel, noch opgevat als een beroep op overgangsrecht. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Gelet op het voorgaande moet worden geoordeeld dat de beslissing op bezwaar niet in overeenstemming is met het motiveringsbeginsel. De beslissing op bezwaar is in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

2.9.     Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling het door appellant bij de rechtbank ingestelde beroep alsnog gegrond verklaren en de beslissing op bezwaar van 2 december 2003 alsnog vernietigen. Het college dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

2.10.    Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 18 november 2004, AWB 04/222;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmerliede en Spaarnwoude van 2 december 2003;

V.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmerliede en Spaarnwoude tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep en het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1288,00 (zegge: twaalfhonderdachtentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Haarlemmerliede en Spaarnwoude aan appellant onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI.    gelast dat de gemeente Haarlemmerliede en Spaarnwoude aan appellant het door hem voor de behandeling van het hoger beroep en het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 321,00 (zegge: driehonderdeenentwintig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk    w.g. Klein Nulent

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2005

218-494.