Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU0099

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-07-2005
Datum publicatie
27-07-2005
Zaaknummer
200408894/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 10 februari 2003 heeft [wederpartij] appellant verzocht handhavend op te treden tegen de aanleg en het gebruik van een paardenbak door [partij] op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200408894/1.

Datum uitspraak: 27 juli 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Putten,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 27 september 2004 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats]

en

appellant.

1.    Procesverloop

Bij brief van 10 februari 2003 heeft [wederpartij] appellant verzocht handhavend op te treden tegen de aanleg en het gebruik van een paardenbak door [partij] op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij brief van 3 juni 2003 heeft appellant meegedeeld dat is besloten niet handhavend op te treden tegen de paardenbak op het perceel.

Bij brief van 7 augustus 2003 heeft appellant het daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 september 2004, verzonden op 28 september 2004, heeft de rechtbank Zutphen (hierna: de rechtbank) het tegen dit besluit door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 2 november 2004, bij de Raad van State ingekomen op 3 november 2004, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 1 december 2004. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 8 januari 2005 heeft [wederpartij] een reactie ingediend.

Bij brief van 12 januari 2005 heeft [partij] een reactie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 mei 2005, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. G.J. Vooren en B.R. den Boer, ambtenaren van de gemeente, is verschenen. Verder zijn [wederpartij] en [partij] verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Woningwet, is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders (bouwvergunning).

2.2.    Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college bevoegd is handhavend op te treden tegen de inrichting van het perceel ten behoeve van een paardenbak en tegen het gebruik daarvan.

2.3.    Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting is op het perceel een paardenbak gecreëerd doordat een terrein aan twee zijden is afgezet met palen met daartussen gespannen een wit lint, aan één zijde wordt begrensd door bomen met daartussen gespannen een wit lint en aan één zijde door losse bomen. Deze inrichting van het terrein kan - gelet op de uitspraak van de Afdeling van 8 februari 2001, zaak no. 200001824/1 (aangehecht) - niet worden aangemerkt als het gevolg van bouwen, zodat de bouwvoorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied" niet toepasselijk zijn. Het betoog van appellant, voorzover het betrekking heeft op de inrichting van het terrein, slaagt.

2.4.    Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied" is het perceel [locatie] bestemd voor "Agrarische doeleinden IV".

   Ingevolge het bepaalde in artikel 5, eerste lid, van de planvoorschriften, mogen de als zodanig bestemde gronden slechts worden gebruikt voor land- en tuinbouw, vee- en pluimveehouderij - met uitzondering van fokkerij van kleine pelsdieren -,  fruitteelt, bloem- en boomkwekerij.                          

     Ingevolge het bepaalde in artikel 1, onder x, van de planvoorschriften wordt onder "agrarisch bedrijf" verstaan: een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen, waaronder bomen en heesters begrepen en/of het houden van dieren, waaronder tevens is begrepen een paardenbedrijf.  

    Ingevolge het bepaalde in artikel 1, onder y, van de planvoorschriften, wordt onder "paardenbedrijf" verstaan: een bedrijf dat is gericht op het fokken van paarden.

2.5.    Mede gezien de omstandigheid dat - naar ter zitting is gebleken - voorafgaande aan het bestreden besluit af en toe gebruik werd gemaakt van dressuurbordjes, is de Afdeling van oordeel dat de bak is aangelegd als paardenbak ten behoeve van het hobbymatig africhten en berijden van paarden, anders dan in het kader van de uitoefening van een agrarisch bedrijf. Gelet op onder meer de uitspraak van de Afdeling van 16 april 2003, zaak no. 200205984/1 - heeft de rechtbank dit gebruik terecht aangemerkt als strijdig met het bestemmingsplan en geoordeeld dat het college bevoegd is tegen dit gebruik als paardenbak handhavend op te treden. Het betoog van appellant, voorzover het betrekking heeft op het gebruik, slaagt niet.

2.6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient met verbetering van gronden te worden bevestigd.

2.7.    Niet tijdig is gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en  mr. W. van den Brink en mr. D. Roemers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek    w.g. Klein Nulent

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2005

218-381.