Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU0091

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-07-2005
Datum publicatie
27-07-2005
Zaaknummer
200502073/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 juni 2004 heeft de gemeenteraad van Lelystad, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 4 mei 2004, het bestemmingsplan "Geluidszone Noordersluis 2000" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2005, 96K
Milieurecht Totaal 2005/3774
Module Ruimtelijke ordening 2005/684
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200502073/1.

Datum uitspraak: 27 juli 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Flevoland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 17 juni 2004 heeft de gemeenteraad van Lelystad, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 4 mei 2004, het bestemmingsplan "Geluidszone Noordersluis 2000" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 11 januari 2005, kenmerk ROV/04.031512/A, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 8 maart 2005, bij de Raad van State ingekomen op 9 maart 2005, beroep ingesteld.

Bij brief van 26 april 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 juni 2005, waar appellant, in persoon en bijgestaan door mr. W.G. Tideman, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door drs. H.P.M. Laheij en J.S. Elzinga, gemachtigden, zijn verschenen. Voorts zijn daar namens de gemeenteraad E. Doeve, ing. W. Stinissen en ing. M.A. Kok, ambtenaren van de gemeente, gehoord.

2.    Overwegingen

Overgangsrecht

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb (wet van 24 juni 2002, Stb. 54) en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb (wet van 26 mei 2005, Stb. 282) in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten, op dit geding van toepassing blijft.

Toetsingskader

2.2.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Standpunt appellant

2.3.    Appellant stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan de in het plan voorziene inkrimping van de geluidszone aan de zuidzijde van het bedrijventerrein Noordersluis ter hoogte van zijn woonschip aan het Havendiep te Lelystad. Appellant is van mening dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen ten onrechte minder gewicht heeft toegekend aan zijn belang bij een goed woon- en leefklimaat dan aan de belangen van bestaande bedrijven.

Verweerder is er ten onrechte niet vanuit gegaan dat een woonschip een geluidsgevoelig object is, aldus appellant.

Het bestreden besluit

2.4.    Verweerder heeft het plan gedeeltelijk in strijd met artikel 61 van de Wet geluidhinder geacht en goedkeuring onthouden aan de in het plan voorziene inkrimping van de geluidszone aan de zuidzijde van het bedrijventerrein Noordersluis. Verweerder is van mening dat de desbetreffende inkrimping van de geluidszone ten koste gaat van bestaande geluidsrechten van drie bedrijven.

Vaststelling van de feiten

2.5.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.5.1.    Bij besluit van 30 september 1991, goedgekeurd bij Koninklijk Besluit op 20 augustus 1992, heeft verweerder met gebruikmaking van zijn bevoegdheid ingevolge artikel 57 van de Wet geluidhinder voor het industrieterrein Noordersluis bij de haven van Lelystad een zone als bedoeld in artikel 53, eerste lid, van de Wet geluidhinder vastgesteld, waarbuiten de geluidsbelasting vanwege het terrein de waarde van 50 dB(A) niet mag overschrijden. Het voorliggende plan voorziet in een wijziging van deze geluidszone. De wijziging behelst onder andere een inkrimping van de geluidszone aan de zuidzijde van het bedrijventerrein ter hoogte van de woonschepen aan het Havendiep.

2.5.2.    Aan de zuidzijde van het industrieterrein liggen drie bedrijven die onder een Algemene Maatregel van Bestuur op grond van artikel 8.40 van de Wet milieubeheer vallen. In het akoestische onderzoek, dat aan de wijziging van de geluidszone ten grondslag ligt, is aan deze bedrijven een bepaald bronvermogen toegekend. De drie bedrijven mogen op grond van de Algemene Maatregel van Bestuur meer geluid produceren.

2.5.3.    Appellant is bewoner van een woonschip met een ligplaats langs de zuidelijke oever van het Havendiep. Zijn woonschip ligt zowel binnen de oude als de nieuwe geluidszone van het bedrijventerrein Noordersluis.

2.5.4.    Ingevolge artikel 61, eerste lid, van de Wet geluidhinder kan een krachtens deze paragraaf vastgestelde zone uitsluitend worden gewijzigd of opgeheven bij de vaststelling of herziening van een bestemmingsplan. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat een wijziging of opheffing van de zone er niet toe kan strekken dat enig gebied waarbinnen met inachtneming van de al krachtens de Wet milieubeheer verleende vergunningen en de daaraan verbonden voorschriften een hogere geluidsbelasting, vanwege het industrieterrein, optreedt dan 50 dB(A), ophoudt van de zone deel uit te maken. Blijkens de wetsgeschiedenis wordt met artikel 61, tweede lid, van de Wet geluidhinder beoogd een oneigenlijke sanering bij bestemmingsplan tegen te gaan.

De zonegrens mag niet dichter bij het bedrijventerrein worden gelegd dan de huidige feitelijke 50 dB(A) contour, althans voorzover de geluidsbelasting op die reeks plaatsen wordt veroorzaakt door geluidsemissies die op grond van de geldende vergunningen of een algemene maatregel van bestuur krachtens de Wet milieubeheer zijn toegestaan.

Het oordeel van de Afdeling

2.6.    Gelet op het verhandelde ter zitting heeft de inkrimping van de geluidszone aan de zuidzijde van het bedrijventerrein tot gevolg dat tot het stellen van nadere eisen bij drie bestaande bedrijven dient te worden overgegaan om te kunnen waarborgen dat voldaan wordt aan de nieuwe 50 dB(A)-contour. Niet gebleken is dat ten tijde van het bestreden besluit deze nadere eisen zijn gesteld. Het standpunt van verweerder dat de in het plan voorziene inkrimping van de geluidszone aan de zijde van het bedrijventerrein ter hoogte van de woonschepen in het Havendiep in strijd is met artikel 61, tweede lid, van de Wet geluidhinder is derhalve juist. Dit betekent dat in deze procedure geen plaats is voor een belangenafweging als waarop appellant in beroep doelt. Verweerder heeft in zoverre terecht goedkeuring onthouden aan het plan.

Het beroep is ongegrond.

Proceskostenveroordeling

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, Voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins-de Vin en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel    w.g. Broekman

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2005

12-466.