Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU0089

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-07-2005
Datum publicatie
27-07-2005
Zaaknummer
200500762/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 juni 2004 heeft de gemeenteraad van Goes, op voorstel van burgemeester en wethouders van 3 juni 2004, het bestemmingsplan "'s-Heer Hendrikskinderen Oost" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200500762/1.

Datum uitspraak: 27 juli 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Zeeland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 17 juni 2004 heeft de gemeenteraad van Goes, op voorstel van burgemeester en wethouders van 3 juni 2004, het bestemmingsplan "'s-Heer Hendrikskinderen Oost" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 16 november 2004, kenmerk 0411528/73/41, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 21 januari 2005, bij de Raad van State ingekomen op 27 januari 2005, beroep ingesteld.

Bij brief van 4 maart 2005 heeft verweerder aangegeven dat het beroepschrift hem geen aanleiding geeft tot het maken van opmerkingen.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 juli 2005, waar appellanten, in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door J.M. van de Vrie, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn de gemeenteraad van Goes, vertegenwoordigd door J.W. Huisman, ambtenaar van de gemeente, en [partij], vertegenwoordigd door [gemachtigde], daar gehoord.

2.    Overwegingen

Overgangsrecht

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb (wet van 24 juni 2002, Stb. 54) en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb (wet van 26 mei 2005, Stb. 282) in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht, zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten, op dit geding van toepassing blijft.

Toetsingskader

2.2.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Het standpunt van appellanten

2.3.    Appellanten, wonend aan de [locatie] te [plaats], stellen in beroep dat verweerder ten onrechte het plan, dat voorziet in woningbouwmogelijkheden, heeft goedgekeurd. Appellanten voeren in dat verband aan dat zij hun vrije uitzicht verliezen en dat hun woning in waarde zal dalen. De doorgaande (brom)fietsontsluiting langs het perceel van appellanten leidt voorts tot een aantasting van het woongenot. Er bestaat geen kwantitatieve noodzaak voor woningbouw in de gemeente Goes, aldus appellanten. Zij hebben bezwaar tegen de mogelijkheid bijgebouwen te bouwen tot op de achterste perceelsgrens. Hun bedenking aangaande de erfafscheiding is onvoldoende gemotiveerd weerlegd. Bouwverkeer door het dorp is uit een oogpunt van verkeersveiligheid onwenselijk en leidt tot schade aan bestrating en straatmeubilair, aldus appellanten. Voorts is de verslaglegging van een inspraakbijeenkomst onzorgvuldig en is het bestreden besluit te laat ter inzage gelegd.

Het bestreden besluit

2.4.    Verweerder heeft geen reden gezien het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft het plan goedgekeurd.

Vaststelling van de feiten

2.5.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.5.1.    Met het plan wordt beoogd de kern 's-Heer Hendrikskinderen aan de oostzijde uit te breiden met 29 (deels vrijstaande) woningen. Het plangebied ligt tussen de autosnelweg A256 en de bestaande kern, ten oosten van de Jacoba van Beierenstraat.

2.5.2.    In het Ontwikkelingsprogramma Stedelijke Vernieuwing "Goed wonen in Goes", vastgesteld door de gemeenteraad op 24 augustus 2000 (hierna: het Ontwikkelingsprogramma), is neergelegd dat voor de dorpen in de gemeente Goes wordt gebouwd voor de natuurlijke groei. Deze is echter minimaal aanwezig. Ook uit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening wordt het steeds meer zaak een onevenredige uitbreiding van dorpen te voorkomen. Hierbij wordt gesproken over organische groei. Met de planning wordt invulling gegeven aan een meer geleidelijke groei van de dorpen. Het is mogelijk dat het beperkte aantal toelaatbare woningen per jaar wordt opgespaard, zodat eens in de 3-5 jaar kan worden gebouwd. Voor de kern 's-Heer Hendrikskinderen wordt in de periode 2000-2010 uitgegaan van de bouw van 3 woningen per jaar.

2.5.3.    Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de planvoorschriften, zijn de op de plankaart voor "Woondoeleinden" aangewezen gronden bestemd voor de huisvesting van personen.

Ter plaatse van de op de plankaart opgenomen subbestemmingen zijn de gronden, voor zover thans van belang, bestemd voor:

Wv: vrijstaande woningen.

In lid 3.1., respectievelijk 3.2, van dat artikel zijn voorts voor het bouwen van woningen, respectievelijk het bouwen van bijgebouwen, aan- of uitbouwen en andere bouwwerken bepalingen opgenomen met betrekking tot onder meer de voorgevellijn, de dakvoethoogte, de totale hoogte, de afstand tussen de voor- en achtergevel van iedere woning en de bebouwde oppervlakte van het bouwperceel,

Ingevolge artikel 1, zestiende lid, van de planvoorschriften is een bijgebouw een met het hoofdgebouw verbonden of daarvan vrijstaand gebouw ten behoeve van berging dat door zijn ligging, constructie of afmetingen ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.

Ingevolge het negentiende lid, van dat artikel is de dakvoet de snijlijn tussen bovenkant dakbeschot en buitenkant gevel, waaronder hellende dakvlakken met de daarbij behorende topgevels, dakkapellen en liftopbouwen niet worden begrepen. Bij toepassing van een lessenaarsdak bepaalt het laagste snijpunt de dakvoethoogte.

Ingevolge het tweeëndertigste lid, van dat artikel is de voorgevellijn de denkbeeldige dan wel de op de plankaart aangegeven lijn die strak loopt langs de voorgevel van een gebouw tot aan de perceelsgrenzen.

2.5.4.    De kortste afstand van de woning van appellanten tot de plangrens is ongeveer 10 meter. Deze afstand komt overeen met de afstand van de woning van appellanten tot de achterste perceelsgrens van het bebouwingsvlak aldaar.

Oordeel van de Afdeling

2.6.    Appellanten hebben als formeel bezwaar aangevoerd dat het bestreden besluit te laat ter inzage is gelegd.

Het bezwaar heeft betrekking op een mogelijke onregelmatigheid van na de datum van het bestreden besluit en kan reeds om die reden de rechtmatigheid van het besluit niet aantasten. Deze mogelijke onregelmatigheid kan geen grond vormen voor de vernietiging van het bestreden besluit.

2.7.    Ingevolge artikel 6a van de Wet op de Ruimtelijke Ordening worden de ingezetenen van de gemeente en in de gemeente een belang hebbende natuurlijke en rechtspersonen bij de voorbereiding van ruimtelijke plannen of herziening daarvan betrokken op de wijze zoals voorzien in de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet vastgestelde verordening.

De gemeenteraad van Goes heeft een dergelijke verordening vastgesteld waarin een regeling is getroffen voor het doen van beklag over de uitvoering van de verordening.

Niet gebleken is dat appellanten van deze regeling ten aanzien van de inspraak over het voorliggende plan gebruik hebben gemaakt.

Gelet hierop bestaat er geen aanleiding op de bezwaren van appellanten ter zake van de verslaglegging van de inspraak verder in te gaan.

2.8.    Wat betreft de kwantitatieve noodzaak van woningbouw wijst de Afdeling op hetgeen in overweging 2.5.2. omtrent de inhoud van het Ontwikkelingsprogramma is overwogen. Voor de kern 's-Heer Hendrikskinderen wordt in de periode 2000-2010 uitgegaan van de bouw van 3 woningen per jaar. De beoogde realisering van de in het bestemmingsplan voorziene 29 woningen past binnen het Ontwikkelingsprogramma. Het betreft een kleinschalig woningbouwplan dat blijkens de stukken gefaseerd zal worden ontwikkeld. Voor de jaren 2003-2005 wordt in de bouw van 15 woningen voorzien. Hierin zijn 6 woningen opgenomen voor de periode 2001-2002. Voor de jaren 2006-2008 en 2009-2010 wordt in de bouw van 10, respectievelijk 4 woningen voorzien.

Uit een onderzoek van ABF Research, waaraan appellanten refereren, blijkt volgens hen voor alle dorpen van de gemeente Goes een lagere behoefte aan koopwoningen dan op grond van het Ontwikkelingsprogramma kan worden gerealiseerd. In dit verband is van de zijde van de gemeenteraad ter zitting gesteld dat de op basis van wachtlijsten van de projectontwikkelaar en de gemeente de overtuiging bestaat dat de verkoop van het aantal woningen dat in het bestemmingsplan is voorzien voor de kern 's-Heer Hendrikskinderen verzekerd is en dat van leegstand geen sprake zal zijn.

Verweerder heeft in aanvulling hierop gesteld dat uit eigen onderzoek van de provincie een woningbehoefte voor deze kern in de periode 2000-2010 is gebleken van 26 woningen. In de marginale afwijking van drie woningen, afgezet tegen een periode van tien jaar ziet verweerder geen aanleiding om de door de gemeenteraad berekende woningbouwbehoefte van 29 woningen onjuist te achten.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in hetgeen appellanten op dit punt hebben aangevoerd geen aanknopingspunten voor het oordeel dat aan de uitvoerbaarheid van het plan binnen de planperiode moet worden getwijfeld.

2.9.    Appellanten wonen thans aan de rand van de kern, met vrij uitzicht over de in het buitengebied gelegen weilanden. Er is echter geen grond aan te wijzen op grond waarvan een recht op vrij uitzicht kan worden afgedwongen. Een bestemmingsplan mag echter niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening, hetgeen in dit geval onder meer betekent dat het woon- en leefklimaat van appellanten niet onevenredig mag worden aangetast. Hierover overweegt de Afdeling het volgende.

Wat betreft de stedenbouwkundige opzet is aangesloten bij het karakter van de bestaande bebouwing in de kern.

Ter plaatse van het perceel van appellanten zijn door middel van de bestemming "Woondoeleinden Wv" enkel vrijstaande woningen toegestaan. Voorts is de zogenoemde dakvoethoogte maximaal 4,5 meter en de maximale hoogte van de woningen 10 meter. Op deze wijze voorziet het plan in bebouwing van anderhalve bouwlaag met een kap.

Anders dan bij de overige gronden met deze bestemming is de maximale diepte van woningen binnen het bebouwingsvlak nabij het perceel van appellanten begrensd op 12 meter in plaats van 15 meter. Verder is bepaald dat de woningen met de voorgevel worden gebouwd in de op de plankaart aangegeven voorgevellijn, terwijl de totale diepte van het bouwperceel, gerekend vanaf de voorgevellijn ongeveer 25 meter bedraagt. De bebouwde oppervlakte van het bouwperceel, met inbegrip van bijgebouwen en aan- of uitbouwen en andere bouwwerken, bedraagt maximaal 50 procent. De hoogte van de dakvoet van bijgebouwen en aan- of uitbouwen en andere bouwwerken bedraagt maximaal 3 meter.

Ter zitting is verder gebleken dat het college van burgemeester en wethouders een besluit tot vrijstelling hebben genomen, als bedoeld in artikel 8 van het bestemmingsplan, als gevolg waarvan onder meer de voorziene woningen ter hoogte van het perceel van appellanten nog ongeveer vijf meter in noordoostelijke richting - en derhalve van het perceel van appellanten vandaan - verschuiven. Dit besluit, dat weliswaar nog niet onherroepelijk is, komt het woon- en leefklimaat van appellanten ten goede.

Gelet op het vorenstaande is het niet aannemelijk dat een aanbouw aan de woning tot op de achterste perceelsgrens wordt gebouwd.

Het plaatsen van een bijgebouw op de achterste perceelsgrens behoort wel tot de mogelijkheden. Een bijgebouw heeft echter ingevolge artikel 1, zestiende lid, van de planvoorschriften een bergingsfunctie en is ondergeschikt aan het hoofdgebouw.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het woon- en leefklimaat van appellanten ten gevolge van het plan onevenredig wordt aangetast.

2.10.    De door appellanten bestreden (brom)fietsontsluiting betreft de op de plankaart ter hoogte van dwarsprofiel 3 aangegeven gronden die zijn bestemd als "Verkeers- en verblijfsdoeleinden".

Het bezwaar van appellanten is gericht op de te verwachten overlast van een mogelijke (brom)fietsontsluiting langs hun perceel. Het plan voorziet hier echter niet in, aangezien hun perceel, en ook de desbetreffende gronden langs hun perceel, buiten het plangebied liggen.

Voor de door appellanten gevreesde ontsluiting is herziening van het bestemmingsplan 's-Heer Hendrikskinderen 1991 noodzakelijk. Het bezwaar van appellanten richt zich derhalve op iets dat in het voorliggende plan niet is geregeld. Het beroep treft in zoverre geen doel.

2.11.    Wat de gestelde nadelige invloed van het plan op de waarde van de woning van appelanten betreft, bestaat geen grond voor het oordeel dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat verweerder hieraan in redelijkheid een doorslaggevend gewicht had moeten toekennen.

2.12.    Appellanten hebben voorts bezwaren aangevoerd die verband houden met het bouwverkeer ten behoeve van de voorziene woningbouwlocatie. Ter zitting is duidelijk geworden dat de gemeenteraad inmiddels een tracé voor een externe bouwontsluiting op de noordelijk gelegen Parallelweg Nieuwe Rijksweg heeft aangewezen. De projectontwikkelaar heeft hiervoor gronden aangekocht. Het bouwverkeer zal derhalve buiten de bestaande kern worden afgewikkeld, zodat het bouwverkeer geen schade aan bestrating of een verkeersonveilige situatie zal meebrengen.

De Afdeling overweegt bovendien dat dit bezwaar geen betrekking heeft op het plan zelf maar op de uitvoering daarvan. Uitvoeringsaspecten kunnen in deze procedure niet aan de orde komen.

Hetgeen appellanten hebben aangevoerd met betrekking tot een te realiseren erfafscheiding dient eveneens als een aspect van uitvoering te worden beschouwd. Deze bezwaren kunnen derhalve verder buiten beschouwing blijven.

2.13.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep is ongegrond.

Proceskosten

2.14.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R. Cleton, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van Staat.

w.g. Cleton    w.g. Van Dorst

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2005

357.