Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT9726

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-07-2005
Datum publicatie
20-07-2005
Zaaknummer
200500860/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Bij uitspraak van 29 december 2004, in zaak no. 200405814/1, heeft de Afdeling de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, reg.nr. AWB 03/4343 en AWB 03/4345, bevestigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200500860/1.

Datum uitspraak: 20 juli 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het verzoek van:

[verzoekster], wonend te [woonplaats],

om herziening (artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht) van de uitspraak van de Afdeling van 29 december 2004, in zaak no. 200405814/1.

1.    Procesverloop

Bij uitspraak van 29 december 2004, in zaak no. 200405814/1, heeft de Afdeling de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, reg.nr. AWB 03/4343 en AWB 03/4345, bevestigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Bij brief van 22 januari 2005 heeft verzoekster de Afdeling verzocht die uitspraak te herzien. Deze brief is aangehecht.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft het verzoek ter zitting behandeld op 24 juni 2005, waar verzoekster, bijgestaan door drs. ing. J. van der Perk, en het college van burgemeester en wethouders van Rijnsburg, vertegenwoordigd door mr. A.A.M. Piessens-Verbist, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan de Afdeling op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de Afdeling eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

2.2.    In de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht, heeft de Afdeling overwogen dat het beroep van verzoekster op artikel 8, eerste en tweede lid, van de voorschriften van het voorontwerp-bestemmingsplan "De Vliet" reeds faalt omdat het voorontwerp-bestemmingsplan nog niet ter inzage is gelegd.

2.3.    In het verzoek om herziening stelt verzoekster dat dit voorontwerp-bestemmingsplan ten tijde van de door haar bestreden beslissing op bezwaar van 3 oktober 2003 wel degelijk ter inzage heeft gelegen, namelijk van 9 april 2001 tot en met 6 mei 2001, en dat dit feit tot een andere uitspraak van de Afdeling zou moeten leiden.

2.4.    Uit hetgeen in het verzoek om herziening is betoogd, blijkt dat geen sprake is van feiten en omstandigheden die bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn als bedoeld in artikel 8:88, eerste lid, van de Awb. Zoals verzoekster in haar verzoek om herziening immers heeft aangegeven, bleek reeds uit de destijds overgelegde stukken dat het voorontwerp-bestemmingsplan in het kader van een op de voet van artikel 6a van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) gehouden inspraakprocedure ter visie heeft gelegen.

2.5.    Artikel 8 van het voorontwerp-bestemmingsplan "De Vliet" betreft een overgangsbepaling met als peildatum het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp-bestemmingsplan ingevolge artikel 23 van de WRO. Nu voorts niet in geschil is dat van een terinzagelegging van een ontwerp-bestemmingsplan als in deze bepaling bedoeld ten tijde van de hier van belang zijnde beslissing op bezwaar geen sprake is geweest, moet het ervoor worden gehouden dat de overweging waarvan herziening wordt verzocht hierop betrekking heeft.

   Gelet hierop komt de Afdeling niet toe aan een beoordeling van hetgeen verzoekster verder heeft aangevoerd.

2.6.    Gelet op het vorenstaande dient het verzoek te worden afgewezen, nu geen sprake is van feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:88 van de Awb.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Scholten-Hinloopen          w.g. Lodder

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2005

17-499.