Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT9725

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-07-2005
Datum publicatie
20-07-2005
Zaaknummer
200406049/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 maart 2004, kenmerk 550106, heeft verweerder ten behoeve van de reconstructie van het kruispunt Harlingersingel/Pier Panderstraat te Leeuwarden, op verzoek van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leeuwarden, hogere waarden vastgesteld als bedoeld in artikel 100a van de Wet geluidhinder voor de panden [locatie 1] en [locatie 2] te Leeuwarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200406049/1.

Datum uitspraak: 20 juli 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Fryslân,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 16 maart 2004, kenmerk 550106, heeft verweerder ten behoeve van de reconstructie van het kruispunt Harlingersingel/Pier Panderstraat te Leeuwarden, op verzoek van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leeuwarden, hogere waarden vastgesteld als bedoeld in artikel 100a van de Wet geluidhinder voor de panden [locatie 1] en [locatie 2] te Leeuwarden.

Bij besluit van 2 juni 2004, kenmerk 561866, verzonden op 15 juni 2004, heeft verweerder het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 20 juli 2004, bij de Raad van State ingekomen op 21 juli 2004, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 11 augustus 2004.

Bij brief van 15 september 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 7 februari 2005. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 juni 2005, waar appellant, bijgestaan door mr. W. Sleijfer, advocaat te Leeuwarden, en verweerder, vertegenwoordigd door ing. P.A.D. Hamersma, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.

Voorts is het college van burgemeester en wethouders van Leeuwarden, vertegenwoordigd door mr. A.L. Bennen, ambtenaar van de gemeente, als partij gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Bij besluit van 16 maart 2004 heeft verweerder een hogere waarde op de zuidgevel van de woning van appellant vastgesteld van 55 dB(A) en op de oostgevel van die woning alsmede op de bovenwoning aan de [locatie 2] van 57 dB(A).

2.2.    Ingevolge artikel 100 van de Wet geluidhinder geldt, behoudens het tweede lid en artikel 100a, als de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting vanwege een te reconstrueren weg, van de gevel van woningen binnen een zone, de voor reconstructie ter plaatse heersende geluidbelasting, met dien verstande dat een geluidbelasting waarvan de waarde 50 dB(A) niet te boven gaat, in elk geval als toelaatbaar wordt aangemerkt.

    Ingevolge artikel 100a, eerste lid, aanhef en onder a, kan het college van gedeputeerde staten, voorzover thans van belang, in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen en volgens daarbij te stellen regels, op verzoek van degenen die daartoe bij de maatregel zijn aangewezen, voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting van de gevel van woningen een hogere waarde dan de ingevolge artikel 100 geldende vaststellen, met dien verstande dat de verhoging 5 dB(A) niet te boven mag gaan.

2.3.    Eerst ter zitting heeft appellant betoogd dat ten onrechte op grond van artikel 103 van de Wet geluidhinder een aftrek van 5 dB(A) is toegepast op de berekende geluidbelasting vanwege de weg in 2015. Het aanvoeren van deze grond in dit stadium van de procedure is in strijd met de goede procesorde. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat niet is gebleken dat appellant deze niet eerder in de procedure naar voren had kunnen brengen. Voornoemde grond kan derhalve niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

2.4.    In artikel 112 van de Wet geluidhinder, voorzover hier van belang, is bepaald dat indien met betrekking tot aanwezige of in aanbouw zijnde woningen toepassing is gegeven aan artikel 100a, de gemeenteraad met betrekking tot de geluidwering van de gevels van de betrokken woningen maatregelen treft om te bevorderen dat de geluidbelasting, vanwege de weg, binnen de woning bij gesloten ramen na de reconstructie ten hoogste 35 dB(A) bedraagt.

2.4.1.    Appellant betoogt dat niet is gebleken dat door het treffen van voorzieningen de geluidbelasting binnen zijn woning kan worden teruggebracht tot de in de Wet geluidhinder voorgeschreven norm van 35 dB(A).

2.4.2.    De Afdeling stelt voorop dat de plicht tot het treffen van maatregelen rechtstreeks voortvloeit uit artikel 112 van de Wet geluidhinder. Indien het binnenniveau in een woning, nadat hiervoor door het college van gedeputeerde staten een ten hoogste toelaatbare waarde van de geluidbelasting is vastgesteld, meer bedraagt dan 35 dB(A), dan dient de gemeenteraad rechtstreeks op grond van dit artikel maatregelen te treffen. De omstandigheid dat van gemeentewege nog niet is onderzocht welke maatregelen eventueel worden getroffen teneinde aan de voorgeschreven norm van 35 dB(A) te voldoen, kan gelet hierop niet de rechtmatigheid van  het onderhavige besluit raken.

   De beroepsgrond slaagt niet.

2.5.    Ingevolge artikel 2, vierde lid, van het Besluit grenswaarden binnen zones langs wegen (hierna: het Besluit), kan het college van gedeputeerde staten toepassing geven aan artikel 100a, eerste lid, van de Wet in die gevallen waarin de toepassing van maatregelen gericht op het terugbrengen van de te verwachten geluidbelasting vanwege de weg, van de uitwendige scheidingsconstructie van de betrokken woningen tot de voordien geldende ten hoogste toelaatbare geluidbelasting onvoldoende doeltreffend zal zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoet van stedebouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard.

   Ingevolge het vijfde lid, vindt het vierde lid slechts toepassing indien het verzoek betrekking heeft op een te reconstrueren weg, die een noodzakelijke verkeers- en vervoersfunctie zal vervullen, of een zodanige verkeersverzamelfunctie zal vervullen, dat de reconstructie van die weg zal leiden tot aanmerkelijk lagere geluidbelastingen van woningen binnen de zone van een andere weg.

2.5.1.    Appellant betoogt dat het besluit van verweerder in strijd is met artikel 2, vierde en vijfde lid, van het Besluit. Zo is volgens hem niet gebleken dat de te reconstrueren weg een noodzakelijke verkeers- en vervoersfunctie zal vervullen noch dat sprake is van een verzamelfunctie. Voorts is volgens appellant onvoldoende duidelijk welke geluidreducerende maatregelen mogelijk zijn.

2.5.2.    De Afdeling constateert op basis van de stukken dat verweerder bij de beoordeling van het verzoek van het college van burgemeester en wethouders van Leeuwarden om hogere geluidwaarden vast te stellen, het Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan van de gemeente Leeuwarden van 11 februari 2003 heeft betrokken. Daarin is opgenomen dat het westelijk gedeelte van de binnenring wordt verlegd naar een route buiten de binnenstadsgracht, teneinde het doorgaande stadsverkeer uit de binnenstad te weren. Om de doorstroming te waarborgen is volgens de gemeente aanpassing van de aansluiting op die verlegde binnenring bij het kruispunt Pier Panderstraat-Harlingersingel noodzakelijk. Gelet hierop heeft verweerder zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de te reconstrueren weg een noodzakelijke verkeers- en vervoersfunctie zal vervullen.

   Voorts is in het verzoek opgenomen dat bij die reconstructie geluidreducerend asfalt zal worden gebruikt, maar dat dit niet afdoende is om de geluidbelasting voldoende te reduceren. Uit het bij dat verzoek gevoegde akoestisch rapport van 24 november 2003, uitgevoerd door Milieuadviesdienst Noord-Friesland, blijkt voorts dat andere maatregelen, die de overdracht van geluid kunnen beperken, zoals geluidsschermen, niet inpasbaar zijn vanwege de geringe afstand van de woningen tot de weg. Door appellant is de juistheid van dat rapport niet betwist en evenmin is anderszins aannemelijk gemaakt dat andere maatregelen wel mogelijk en doeltreffend zijn. Naar het oordeel van de Afdeling heeft verweerder op goede gronden aangenomen dat geluidsreducerende maatregelen onvoldoende doeltreffend zijn om het vaststellen van hogere geluidwaarden te voorkomen.

   Gelet op het vorenoverwogene is het besluit niet in strijd met artikel 2, vierde of vijfde lid, van het Besluit, zodat de beroepsgrond faalt.

2.6.    Appellant betoogt dat de vastgestelde hogere waarden in strijd zijn met artikel 100a van de Wet geluidhinder, nu daarin is bepaald dat de verhoging niet meer mag bedragen dan 5 dB(A).

2.6.1.    Verweerder heeft bij de totstandkoming van het bestreden besluit een door het college van burgemeester en wethouders overgelegd akoestisch rapport van 24 november 2003, opgesteld door de Milieuadviesdienst Noord-Friesland, betrokken. Volgens verweerder blijkt uit dat rapport dat de verhoging van de toegestane geluidbelasting minder bedraagt dan 5 dB(A).

2.6.2.    De Afdeling concludeert op basis van het akoestisch rapport dat de vóór reconstructie van de Pier Panderstraat heersende geluidbelasting op de oostgevel van de woning van appellant maximaal 51.1 dB(A) bedraagt en op de zuidgevel maximaal 54.3 dB(A). Ingevolge artikel 100, eerste lid, van de Wet geluidhinder, gelden deze waarden als de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting. Bij de bepaling van de maximaal toelaatbare hogere geluidwaarden dienen deze geluidwaarden als uitgangspunt te worden gehanteerd.

   Nu de vastgestelde hogere waarden respectievelijk 55 dB(A) en 57 dB(A) bedragen, is geen sprake van een verhoging van de toegestane geluidsbelasting met meer dan 5 dB(A). Er is dan ook geen grond voor het oordeel dat verweerder bij de vaststelling van de hogere waarden artikel 100a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet geluidhinder onvoldoende in acht heeft genomen. De beroepsgrond slaagt niet.

2.7.    Het beroep is ongegrond.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, Voorzitter, en mr. J.R. Schaafsma en drs. H. Borstlap, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A.G. Stolker, ambtenaar van Staat.

w.g. van Kreveld    w.g. Stolker

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2005

195-428.