Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT9719

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-07-2005
Datum publicatie
20-07-2005
Zaaknummer
200500446/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 april 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Leusden (hierna: het college) appellant verzocht om binnen zes weken een aanvraag om een bouwvergunning in te dienen dan wel de verhuur van kamers aan derden te (doen) staken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200500446/1.

Datum uitspraak: 20 juli 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nos. SBR 04/2848 en SBR 04/2861 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht van 8 december 2004 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Leusden.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 6 april 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Leusden (hierna: het college) appellant verzocht om binnen zes weken een aanvraag om een bouwvergunning in te dienen dan wel de verhuur van kamers aan derden te (doen) staken.

Bij besluit van 28 september 2004 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar, voor zover van belang, gegrond verklaard. Het college heeft een nieuwe last onder dwangsom opgelegd, inhoudende dat appellant binnen zes weken na het besluit de kamerverhuur aan derden diende te staken.

Bij uitspraak van 8 december 2004, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 14 januari 2005, bij de Raad van State ingekomen op 17 januari 2005, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 8 april 2005 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 juni 2005, waar appellant in persoon en het college, vertegenwoordigd door J. in 't Veld, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Bij besluit van 5 april 2005 is aan appellant een lichte bouwvergunning verleend voor het maken van een verblijfsruimte ten behoeve van kamerverhuur en het plaatsen van dakkapellen op het pand. Bij brief van 8 april 2005 en ter zitting heeft het college aangegeven niet over te gaan tot invordering van de dwangsom.

   De door appellant gestelde kosten, namelijk de leges voor de bouwvergunning, leveren in de onderhavige procedure geen procesbelang op, omdat een oordeel van de Afdeling over de aangevallen uitspraak dan wel de beslissing op bezwaar niet kan leiden tot een grond voor vergoeding van die kosten. De last onder dwangsom zoals deze is geformuleerd bij de beslissing op bezwaar heeft uitsluitend betrekking op de beëindiging van het gebruik in strijd met het bestemmingsplan, zodat de Afdeling in haar oordeel niet kan toekomen aan de beantwoording van de vraag of voor de verrichte bouwwerkzaamheden bouwvergunning was vereist. Ook overigens is niet aannemelijk gemaakt dat nog procesbelang aanwezig is.

2.2.    Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.

2.3.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk    w.g. Lodder

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2005

17-499.