Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT9709

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-07-2005
Datum publicatie
20-07-2005
Zaaknummer
200407435/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 oktober 2002 heeft appellant (hierna: het college) geweigerd op grond van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) vrijstelling te verlenen voor het bouwen van een tankstation aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2005, 321

Uitspraak

200407435/1.

Datum uitspraak: 20 juli 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Tilburg,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 03/1832 van de rechtbank Breda van 23 juli 2004 in het geding tussen:

[wederpartij], gevestigd te [plaats]

en

appellant.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 17 oktober 2002 heeft appellant (hierna: het college) geweigerd op grond van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) vrijstelling te verlenen voor het bouwen van een tankstation aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 30 juni 2003 heeft het college het daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 juli 2004, verzonden op 26 juli 2004, heeft de rechtbank Breda (hierna: de rechtbank) het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief van 2 september 2004, bij de Raad van State ingekomen op 3 september 2004, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 17 september 2004. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 1 december 2004 heeft [wederpartij] van antwoord gediend.

Bij brief van 25 maart 2005 heeft [wederpartij] nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 april 2005, waar het college, vertegenwoordigd door mr. L.P.F. Warnier, ambtenaar der gemeente, en [wederpartij], vertegenwoordigd door mr. E.W.J. de Groot, advocaat te Breda en [gemachtigde], zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het bouwplan ziet op de realisatie van een niet-bemenst tankstation, dat voorziet in de verkoop van brandstoffen (geen LPG) aan zowel bedrijven als particulieren.

2.2.    Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Bedrijventerrein Midden-Brabantweg" (B2) rust op het perceel de bestemming "Bedrijfsdoeleinden".

   Ingevolge artikel 4, lid 1, sub A van de planvoorschriften, voorzover thans van belang, zijn de gronden met deze bestemming bestemd voor bedrijfsmatige, industriële en/of dienstverlenende activiteiten.

   Ingevolge artikel 4, lid 2, sub B, onder 1, aanhef, betreft de bestemming een bedrijventerrein dat in principe gezien de beperkte afstand tot woonbebouwing of daarmee gelijk te stellen functies geschikt is voor activiteiten welke zijn genoemd in de categorieën 1 tot en met 3 van de bij deze voorschriften behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten. Gelet op de aard van het plangebied wordt zoveel mogelijk gestreefd naar vestiging van bedrijven in hindercategorie 3.

   Ingevolge artikel 4, lid 2, sub B, onder 1, onder E, voorzover thans van belang, is detailhandel niet toegestaan, met uitzondering van perifere detailhandel voor wat betreft het ten zuiden van de Zevenheuvelenweg gelegen bestemmingsvlakken B2 en B3. Daarbij geldt als uitgangspunt de ontwikkeling van dit gebied als themacentrum voor autohandel, dit overeenkomstig de nota Detailhandel Tilburg. Alleen op die branche gerichte perifere detailhandel is toegestaan.

2.3.    Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het bouwplan niet in strijd is met het geldende bestemmingsplan. Volgens het college kunnen de activiteiten van [wederpartij] niet worden aangemerkt als alleen op de branche gerichte perifere detailhandel, als bedoeld in artikel 4, lid 2, sub B, onder 1, onder E, van de planvoorschriften.

2.3.1.    Artikel 4, lid 2, sub B, onder 1, onder E, van de planvoorschriften, bepaalt dat alleen op de autohandel gerichte perifere detailhandel is toegestaan. Daarmee stelt dit artikel een zogenaamde branchebeperking ten aanzien van de ter plaatse toegestane detailhandel. Bepalingen die de al dan niet toelaatbaarheid van detailhandelsvestigingen afhankelijk stellen van branche en/of assortiment behoren op grond van artikel 10 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) niet in een bestemmingsplan thuis, tenzij daartoe een planologische noodzaak bestaat. Nu een ruimtelijke onderbouwing van de branchebeperking ontbreekt, hetgeen ter zitting door het college is erkend, is deze beperking van de toegelaten detailhandel derhalve niet aanvaardbaar.

    Gelet hierop is artikel 4, lid 2, sub B, onder 1, onder E, van de planvoorschriften, voorzover weergegeven onder rechtsoverweging 2.2, in strijd met artikel 10 van de WRO en dient deze bepaling buiten toepassing te worden gelaten. Het is aan de planwetgever om te bepalen welke consequenties hieraan moeten worden verbonden.

2.3.2.    Vast staat dat het bouwplan ziet op de realisatie van een niet-bemenst tankstation, dat voorziet in de verkoop van brandstoffen aan zowel bedrijven als particulieren. Gelet op het vorenstaande kan slechts worden getoetst aan de overige bepalingen van artikel 4 van de planvoorschriften. Nu deze bepalingen detailhandel op het perceel niet toestaan biedt het bestemmingsplan geen mogelijkheden voor de realisatie van het bouwplan.

2.3.3.    Het college heeft geweigerd met toepassing van artikel 19 WRO vrijstelling van het bestemmingsplan te verlenen, omdat het, mede gelet op de nota "Brandstofverkooppunten" een benzinestation op de onderhavige locatie een onwenselijke ontwikkeling in het betreffende gebied acht. Er is geen grond voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid tot dit standpunt heeft kunnen komen.

2.4.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het inleidende beroep alsnog ongegrond verklaren.

2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Breda van 23 juli 2004, AWB 03/1832 WRO;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Voorzitter, en mr. J.A.M. van Angeren en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Roelfsema, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump    w.g. Roelfsema

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2005

66-444.