Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT9696

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-07-2005
Datum publicatie
20-07-2005
Zaaknummer
200500507/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 23 januari 2004 heeft appellante een bezwaarschrift ingediend tegen het uitblijven van een beslissing op haar aanvragen van 28 augustus 2003 en 12 november 2003 om een besluit, inhoudende het terugdraaien van het in de brieven van 11 februari 2003 en 20 augustus 2003 door het college ingenomen standpunt geen medewerking te verlenen aan welke besluitvorming dan ook totdat appellante een aanvraag voor een milieuvergunning heeft ingediend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200500507/1.

Datum uitspraak: 20 juli 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak in zaak no. 04/473 van de rechtbank Almelo van 14 december 2004 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente.

1.    Procesverloop

Bij brief van 23 januari 2004 heeft appellante een bezwaarschrift ingediend tegen het uitblijven van een beslissing op haar aanvragen van 28 augustus 2003 en 12 november 2003 om een besluit, inhoudende het terugdraaien van het in de brieven van 11 februari 2003 en 20 augustus 2003 door het college ingenomen standpunt geen medewerking te verlenen aan welke besluitvorming dan ook totdat appellante een aanvraag voor een milieuvergunning heeft ingediend.

Bij besluit van 27 april 2004 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 14 december 2004, verzonden op diezelfde datum, heeft de rechtbank Almelo (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 14 januari 2005, bij de Raad van State ingekomen op 18 januari 2005, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 10 februari 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 18 maart 2005 heeft het college van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellante. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 juni 2005, waar appellante, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door H.H.J. Vennegoor, ambtenaar bij de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder een besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.                             Ingevolge artikel 6:2 van de Awb worden voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit gelijkgesteld:                                               a. de schriftelijke weigering een besluit te nemen, en                      

b. het niet tijdig nemen van een besluit.

2.2.    Ter beoordeling staat de vraag of met de rechtbank moet worden geoordeeld dat het college het door appellante gemaakte bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

2.3.    De brieven van het college van 11 februari 2003 en 20 augustus 2003 zijn niet gericht op enig rechtsgevolg, maar behelzen een feitelijke mededeling, zodat de brieven niet als besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb kunnen worden aangemerkt. Evenmin kunnen de brieven worden opgevat als een weigering een besluit te nemen in de zin van artikel 6:2 van de Awb. De rechtbank heeft dan ook met juistheid geoordeeld dat het college terecht het door appellante gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard.

2.4.    Hetgeen appellante verder in hoger beroep betoogt, ziet op de besluitvorming ter zake van de milieuvergunning en de melding op grond van de Wet milieubeheer en kan derhalve in het kader van het voorliggende geschil niet aan de orde komen. Dit betoog behoeft daarom geen nadere bespreking.

2.5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

2.6.    Het verzoek van appellante het college te veroordelen tot vergoeding van de schade dient te worden afgewezen, reeds omdat artikel 8:73 van de Awb niet de mogelijkheid biedt om schadevergoeding toe te kennen in het geval het beroep ongegrond is verklaard en de daartoe strekkende uitspraak van de rechtbank in hoger beroep wordt bevestigd.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk    w.g. Steinebach-de Wit

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2005

328-494.