Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT9689

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-07-2005
Datum publicatie
20-07-2005
Zaaknummer
200501571/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 januari 2004 is namens de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de minister) de aan appellant op grond van de Huursubsidiewet (hierna: de Hsw) toegekende bijdrage over het tijdvak van 1 juli 2002 tot 1 juli 2003 gewijzigd in nihil en is het teveel uitgekeerde bedrag aan huursubsidie ten bedrage van € 1.626,12 teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200501571/1.

Datum uitspraak: 20 juli 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/1123 van de rechtbank

's-Hertogenbosch van 7 januari 2005 in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 27 januari 2004 is namens de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de minister) de aan appellant op grond van de Huursubsidiewet (hierna: de Hsw) toegekende bijdrage over het tijdvak van 1 juli 2002 tot 1 juli 2003 gewijzigd in nihil en is het teveel uitgekeerde bedrag aan huursubsidie ten bedrage van € 1.626,12 teruggevorderd.

Bij besluit van 21 april 2004 heeft het Hoofd Unit Correspondentie op last van de Directeur-Generaal Wonen voor de minister het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij mondelinge uitspraak van 7 januari 2005, waarvan het opgemaakte proces-verbaal is verzonden op 12 januari 2005, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 18 februari 2005, bij de Raad van State ingekomen op 21 februari 2005, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 21 maart 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 13 mei 2005 heeft de minister van antwoord gediend.

Bij brief van 2 juni 2005 heeft appellant nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 juli 2005, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. W.A. Braams, advocaat te Helmond, en de minister, vertegenwoordigd door mr. W.G.G. Jepma, ambtenaar bij het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Hsw, wordt in deze wet en de bepalingen die daarop berusten onder rekeninkomen verstaan: het gezamenlijk inkomen van de huurder en de medebewoners in het peiljaar.

   Ingevolge het derde lid wordt in deze wet en de bepalingen die daarop berusten onder inkomen verstaan:

a.    als over het peiljaar een aanslag inkomstenbelasting is of wordt vastgesteld: het gecorrigeerde verzamelinkomen, over het peiljaar;

b.    in een ander geval dan bedoeld onder a: het gecorrigeerde belastbare loon over het peiljaar.

   Ingevolge artikel 1a van de Hsw, wordt in deze wet en de bepalingen die daarop berusten onder het gecorrigeerde verzamelinkomen verstaan: het verzamelinkomen, bedoeld in artikel 2.18 van de Wet inkomstenbelasting 2001, verminderd met de in onder a tot en met g vermelde aftrekposten.

   Ingevolge artikel 26, eerste lid, aanhef en onder b, van de Hsw kan de minister ambtshalve of op verzoek van de verhuurder, als in een bepaald geval de onverkorte toepassing van de desbetreffende bepalingen, gelet op het belang dat deze wet beoogt te beschermen, tot een onbillijkheid van overwegende aard zou leiden, bij de toepassing van de artikelen 3, derde lid, of 4, derde lid, bepaalde inkomsten of vermogensbestanddelen geheel of gedeeltelijk buiten beschouwing laten.

2.2.    Het geschil betreft de wijziging in nihil van de aan appellant toegekende huursubsidie over het tijdvak van 1 juli 2002 tot 1 juli 2003 en terugvordering van het over dit tijdvak teveel betaalde bedrag, omdat het inkomen van appellant in het jaar 2001, in verhouding tot zijn huur, hoger was dan het maximuminkomen waarbij hij volgens de Hsw een bijdrage kon krijgen.

2.3.    Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de minister ten onrechte niet is uitgegaan van een lager inkomen, nu tot zijn door de belastingdienst vastgestelde verzamelinkomen over 2001 een bedrag van € 68.658,--  behoorde terzake van stakingswinst in verband met de beëindiging van zijn onderneming. Deze stakingswinst had bij de vaststelling van zijn inkomen buiten beschouwing moeten worden gelaten, nu dit slechts een administratief inkomen betreft waarover hij niet heeft kunnen beschikken, aldus appellant.

2.3.1.    Uit de stukken blijkt dat over het jaar 2001 ten aanzien van appellant een aanslag inkomstenbelasting is vastgesteld en dat het daarbij vastgestelde verzamelinkomen € 52.500,00 bedraagt. De door appellant gestelde stakingswinst, die een bestanddeel vormt van zijn inkomen uit werk en woning, wordt niet als zodanig in deze aanslag vermeld. Niet is gebleken dat appellant tegen deze aanslag een rechtsmiddel heeft aangewend. De rechtbank heeft derhalve met juistheid overwogen dat de minister op goede gronden na verrekening van de aftrekposten, als bedoeld in artikel 1a van de Hsw, op basis van deze aanslag een rekeninkomen heeft kunnen berekenen van € 49.681,00, met welk inkomen appellant geen recht op huursubsidie heeft.

2.4.    Voorts heeft de rechtbank terecht overwogen dat niet is gebleken van feiten en omstandigheden op grond waarvan het onverkort vasthouden aan dit rekeninkomen van bijzondere hardheid getuigt. Het enkele feit dat volgens appellant sprake is van stakingswinst maakt niet dat sprake is van zodanige feiten en omstandigheden.

2.5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.E. Larsson-van Reijsen, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek    w.g. Larsson-van Reijsen

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2005

344.