Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT9687

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-07-2005
Datum publicatie
20-07-2005
Zaaknummer
200505331/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 april 2005, kenmerk DRZZ 05-2613/GV/DvR, heeft verweerder op grond van artikel 12 van de Natuurbeschermingswet aan verzoekster een vergunning onder voorwaarden verleend voor het uitzaaien en weer opvissen van mosselen afkomstig uit het Verenigd Koninkrijk en Ierland in het staats- en/of beschermd natuurmonument "Oosterschelde-buitendijks". De vergunning is geldig tot en met 31 december 2005.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200505331/1.

Datum uitspraak: 15 juli 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) van

[verzoekster], gevestigd te [plaats],

in het geding tussen:

de stichting "Stichting De Faunabescherming", gevestigd te Amstelveen,

en

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 7 april 2005, kenmerk DRZZ 05-2613/GV/DvR, heeft verweerder op grond van artikel 12 van de Natuurbeschermingswet aan verzoekster een vergunning onder voorwaarden verleend voor het uitzaaien en weer opvissen van mosselen afkomstig uit het Verenigd Koninkrijk en Ierland in het staats- en/of beschermd natuurmonument "Oosterschelde-buitendijks". De vergunning is geldig tot en met 31 december 2005.

Tegen dit besluit heeft de Stichting De Faunabescherming bij brief van 12 mei 2005, bij verweerder ingekomen op 13 mei 2005, bezwaar gemaakt.

Bij brief van 16 juni 2005, bij de Raad van State ingekomen op 17 juni 2005, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 8 juli 2005, waar verzoekster vertegenwoordigd door mr. M. van der Bent, advocaat te Middelburg, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. A.E. de Groot, ambtenaar van het ministerie, zijn verschenen.

Voorts is Stichting De Faunabescherming, vertegenwoordigd door H. Baptist, gemachtigde, daar gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de Natuurbeschermingswet, voorzover hier van belang, is de werking van het besluit tot verlenen van een vergunning voor het verrichten van handelingen in een staats- of beschermd natuurmonument opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist.

Zoals de Voorzitter in onder meer zijn uitspraak van 16 april 2002, inzake 200201913/1, heeft overwogen is de opschortende werking van artikel 19, tweede lid, van de Natuurbeschermingswet eveneens op de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift en op het indienen van een bezwaarschrift van toepassing.

2.2.    Verzoekster beoogt met haar verzoek de inwerkingtreding van de vergunning die haar bij besluit van 7 april 2005 is verleend. Zij betoogt dat zij bedrijfseconomisch belang heeft bij het kunnen (blijven) uitzaaien en weer opvissen van uit het Verenigd Koninkrijk en Ierland afkomstige mosselen op haar percelen in het staats- en/of beschermd natuurmonument "Oosterschelde-buitendijks".

2.3.    De Stichting De Faunabescherming heeft bezwaar tegen de verleende vergunning. Zij is van mening dat verweerder ten onrechte geen passende beoordeling als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn heeft gemaakt.

2.4.    De Voorzitter overweegt dat bij uitspraak van 21 april 2005, inzake 200502282/1 e.v. de opschortende werking van ingediende bezwaarschriften tegen soortgelijke vergunningen is opgeheven. Op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting ziet de Voorzitter geen aanleiding voor een ander oordeel dan in die uitspraak is verwoord.

2.5.    Gelet op het vorenstaande komt het verzoek voor inwilliging in aanmerking.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

treft de voorlopige voorziening dat de opschortende werking van het ingediende bezwaar tegen het besluit van 7 april 2005, kenmerk DRZZ 05-2613/GV/DvR wordt opgeheven.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel    w.g. Verbeek

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2005

388.