Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT9671

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-07-2005
Datum publicatie
20-07-2005
Zaaknummer
200409587/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 maart 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zwolle (hierna: het college) geweigerd aan appellant bouwvergunning te verlenen voor het veranderen van een café op de percelen [locatie 1], [locatie 2] en [locatie 3], kadastraal bekend, gemeente Zwolle, sectie […], nummer […], (hierna: de percelen).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2005, 354
Module Horeca 2005/2200
Module Ruimtelijke ordening 2005/1568

Uitspraak

200409587/1.

Datum uitspraak: 20 juli 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 03/1613 van de rechtbank

Zwolle-Lelystad van 18 oktober 2004 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Zwolle.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 10 maart 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zwolle (hierna: het college) geweigerd aan appellant bouwvergunning te verlenen voor het veranderen van een café op de percelen [locatie 1], [locatie 2] en [locatie 3], kadastraal bekend, gemeente Zwolle, sectie […], nummer […], (hierna: de percelen).

Bij besluit van 10 november 2003 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar, onder aanvulling van de motivering, ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 oktober 2004, verzonden op die dag, heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 26 november 2004, bij de Raad van State ingekomen op die dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 10 januari 2005 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 juni 2005, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. S.J.Th. Homan, advocaat te Zwolle, en het college, vertegenwoordigd door F.H. de Vries, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het bouwplan voorziet in het aanbrengen van een doorgang tussen de - niet als monument aangewezen - panden aan de Voorstraat [locatie 1] en [locatie 2].

2.2.    Ingevolge het bestemmingsplan "Beschermd Stadsgezicht" rust op de betrokken percelen de bestemming "Centrumvoorzieningen". De op die bestemming betrekking hebbende bebouwingsvoorschriften zijn opgenomen in artikel 3, lid C.

    Ingevolge artikel 3, lid C, aanhef en onder 10b, zijn ter bescherming van het historisch karakter van de binnenstad doorbraken voor monumenten in beginsel niet toegestaan; hiervan kan worden afgeweken indien de bouwhistorische substantie reeds is verdwenen of indien de economische bruikbaarheid een probleem is. Ook voor niet-monumenten wordt terughoudendheid betracht in het toestaan van doorbraken; afhankelijk van de korrelgrootte van de panden in de omgeving en economische aspecten zal een afweging worden gemaakt.

2.3.    Appellant komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat het college de bouwvergunning terecht heeft geweigerd omdat het bouwplan in strijd is met artikel 3, lid C, aanhef en onder 10b, tweede volzin, van de planvoorschriften. Daartoe voert hij aan dat van een doorbraak als in dit voorschrift bedoeld geen sprake is, de korrelgrootte waarop het voorschrift ziet feitelijk niet wordt aangetast en onvoldoende gewicht is toegekend aan de met de doorbraak te behalen verhoging van het bedrijfsresultaat.

2.4.    Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 10 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening blijkt dat een bestemmingsplan een goede ruimtelijke ordening tot doel heeft. Wat de in het bestemmingsplan gegeven mogelijkheden van inpandige doorbraken voor niet-monumenten betreft, moet het ervoor worden gehouden dat bij de planvaststelling de ruimtelijke consequenties hiervan zijn beoordeeld. Uit de tekst van artikel 3, lid C, aanhef en onder 10b, tweede volzin, volgt evenwel dat de mogelijkheid van een doorbraak voor niet monumenten is onderworpen aan niet, aan de hand van het bestemmingsplan en de daarbij behorende voorschriften zelve, objectief bepaalbare voorschriften, doch dat voorafgaand aan de daadwerkelijke uitvoering daarvan een nader afwegingsmoment is vereist ten aanzien van de door appellant betwiste aspecten. De Wet op de Ruimtelijke Ordening biedt daartoe - behoudens door uitdrukkelijk toepassing te geven aan de in artikel 11 of 15 van die wet geboden mogelijkheden om het college de bevoegdheid toe te kennen tot het uitwerken, wijzigen, verlenen van vrijstelling of het stellen van nadere eisen - geen mogelijkheden. Nu in dit geval van de laatstgenoemde mogelijkheden geen gebruik is gemaakt, is het hier aan de orde zijnde onderdeel van artikel 3, lid C, aanhef en onder 10b, van de planvoorschriften in strijd met de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Het college was derhalve niet bevoegd om zijn besluit tot het weigeren van een bouwvergunning op artikel 3, lid C, aanhef en onder 10b, te baseren. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

2.5.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling het beroep gegrond verklaren en de beslissing op bezwaar vernietigen.

2.6.    Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 18 oktober 2004, AWB 03/1613;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Zwolle van 10 november 2003, kenmerk PU03.7183;

V.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Zwolle tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep en het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1288,00 (zegge: twaalfhonderdachtentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Zwolle aan appellant onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI.    gelast dat de gemeente Zwolle aan appellant het door hem voor de behandeling van het hoger beroep en het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 321,00 (zegge: driehonderdeenentwintig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.M. van Angeren, Voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. R. van der Spoel, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Angeren    w.g. Boermans

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2005

429.