Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT9670

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-07-2005
Datum publicatie
20-07-2005
Zaaknummer
200409428/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 januari 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Westvoorne (hierna: het college) geweigerd aan appellant bouwvergunning te verlenen voor de bouw van een vleesvarkensstal op het perceel kadastraal bekend gemeente Westvoorne, sectie […], nrs. […], plaatselijk bekend [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Bouwregelgeving 2005/235

Uitspraak

200409428/1.

Datum uitspraak: 20 juli 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 oktober 2004 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Westvoorne.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 21 januari 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Westvoorne (hierna: het college) geweigerd aan appellant bouwvergunning te verlenen voor de bouw van een vleesvarkensstal op het perceel kadastraal bekend gemeente Westvoorne, sectie […], nrs. […], plaatselijk bekend [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 10 juni 2003 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 oktober 2004, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 17 november 2004, bij de Raad van State ingekomen op 22 november 2004, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn ingediend bij brief van 17 december 2004. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 3 februari 2005 heeft het college van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 mei 2005, waar appellant in persoon en het college, vertegenwoordigd door mr. N.J.H.M. Slaats en R.M. Nijhuis, beiden ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 184, tweede lid, van het Bouwbesluit, zoals dit gold tot 1 januari 2003 (hierna: het Bouwbesluit), moet materiaal, toegepast aan de binnenzijde van een schacht, koker of kanaal, indien die schacht, die koker of dat kanaal grenst aan meer dan één brandcompartiment als bedoeld in artikel 186, eerste lid, en een inwendige doorsnede heeft die groter is dan 0,015 m2, over een dikte van 0,01 m, gemeten loodrecht op de binnenzijde, onbrandbaar zijn als bedoeld in NEN 6064.

   Ingevolge artikel 185, eerste lid, van het Bouwbesluit, moet een constructie-onderdeel, met uitzondering van een dak, ter beperking van de ontwikkeling van brand, bepaald overeenkomstig NEN 6065 en, voorzover het een vloer of een tredevlak is, NEN 1775, zodanig zijn dat de bijdrage tot brandvoortplanting van het constructie-onderdeel, afhankelijk van de ruimte waarvan het constructie-onderdeel deel uitmaakt, in voldoende mate is beperkt.

   Ingevolge het tweede lid van dit artikel, moet een naar de buitenlucht toegekeerde zijde van een constructie-onderdeel, afhankelijk van de hoogte waarop een vloer van een verblijfsgebied is gelegen, tot een hoogte van ten minste 2,5 m boven het aansluitende terrein, bepaald overeenkomstig NEN 6065, behoren tot klasse 1 van de bijdrage tot brandvoortplanting.

   Ingevolge het derde lid van dit artikel, is het tweede lid niet van toepassing op een deur, raam, kozijn en op een daarmee gelijk te stellen constructie-onderdeel.

   Ingevolge het vierde lid van dit artikel, zijn het eerste en tweede lid niet van toepassing op ten hoogste 5% van de totale oppervlakte van de in die leden bedoelde constructie-onderdelen van elke afzonderlijke ruimte van het gebouw.

   Ingevolge artikel 186, eerste lid, van het Bouwbesluit, moet een gebouw, voorzover dat een voor mensen toegankelijke, overdekte en geheel met wanden omsloten ruimte vormt, zodanig in brandcompartimenten zijn ingericht dat een in dat gebouw begonnen brand zich niet binnen korte tijd kan uitbreiden naar een ander deel van het gebouw of naar een ander gebouw.

   Ingevolge het tweede lid van dit artikel, moet, onverminderd het eerste lid, wat de uitbreiding van brand naar een ander gebouw betreft, voorts zijn uitgegaan van een identiek, doch spiegelsymmetrisch ten opzichte van de perceelsgrens gelegen gebouw.

   Ingevolge artikel 415 van het Bouwbesluit is, indien bij of krachtens dit besluit een eis is gesteld ten aanzien van een bouwmateriaal of bouwdeel en voor dat bouwmateriaal of bouwdeel een op die eis toegesneden, door Onze Minister erkende kwaliteitsverklaring is afgegeven, aan de desbetreffende eis voldaan, mits dat bouwmateriaal of bouwdeel overeenkomstig die kwaliteitsverklaring is toegepast.

2.2.    Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college de gevraagde bouwvergunning voor de vleesvarkensstal ten onrechte heeft geweigerd wegens strijd met bovengenoemde brandveiligheidseisen.

   Dat betoog faalt. Anders dan appellant heeft gesteld, is niet aannemelijk dat het college ten aanzien van de brandveiligheid van de stal zwaardere eisen heeft gesteld dan voortvloeien uit het Bouwbesluit. De rechtbank heeft op goede gronden overwogen dat het college zich daarbij heeft mogen baseren op de aanbevelingen van de brandweer, zoals onder meer weergegeven in het gespreksverslag van 7 januari 2002. Uit deze aanbevelingen volgt, dat het gebouw, indien het - zoals in dit geval - op minder dan 7,5 meter van de perceelsgrens is gesitueerd, wat betreft de compartimentering, het materiaalgebruik en de zelfsluitendheid van ramen en deuren moet voldoen aan de daarvoor geldende normen ten aanzien van de weerbaarheid tegen brandoverslag en branddoorslag. De gehanteerde afstand van 7,5 meter tot de perceelsgrens volgt uit het gegeven dat bij een afstand van 15 meter tussen gebouwen de kans op brandoverslag gering wordt geacht en dat bij het bepalen van de in acht te nemen afstand tot de perceelsgrens moet worden uitgegaan van een tweede, spiegelsymmetrisch ten opzichte van de perceelsgrens gelegen gebouw. Anders dan appellant betoogt is daarbij niet relevant dat op het naastgelegen perceel thans geen bebouwing aanwezig is, noch dat op grond van het bestemmingsplan ter plaatse geen bebouwing mag worden opgericht.

   Ook de door het college gestelde eisen met betrekking tot de compartimentering van de luchtafvoerkanalen en de zelfsluitendheid van ramen zijn niet ongebruikelijk en niet onredelijk te achten. Nu appellant heeft geweigerd te voldoen aan de herhaaldelijke verzoeken van het college om door middel van het overleggen van certificaten aan te tonen dat de door hem te gebruiken materialen voor de luchtafvoerkanalen en de ramen en raamkozijnen voldoen aan de daarvoor gestelde eisen ten aanzien van de brandwerendheid, kon het college niet beoordelen of in een gelijkwaardige oplossing werd voorzien. Met de enkele stelling van appellant dat de materialen voldoende brandwerend zijn heeft het college geen genoegen hoeven nemen. Nu appellant bovendien in de gelegenheid is gesteld om het bouwplan aan te passen door ook de luchtafvoerkanalen boven de brandcompartimenten gecompartimenteerd uit te voeren en de ramen in de gevels zelfsluitend te maken, doch hiervan geen gebruik heeft gemaakt, heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet is voldaan aan het Bouwbesluit en dat de gevraagde bouwvergunning om die reden diende te worden geweigerd.

   Het betoog van appellant dat met betrekking tot zijn bouwplan zwaardere eisen zijn gesteld aan de brandwerendheid dan aan een bouwplan voor een vergelijkbare vleesvarkensstal aan de Quacksedijk te Rockanje faalt. Het college heeft te kennen gegeven dat voor die stal een bouwvergunning eerste fase is verleend en dat de toetsing aan het Bouwbesluit nog dient plaats te vinden in het kader van de tweede fase. Derhalve is geen sprake van gelijke gevallen.

2.3.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Voorzitter, en mr. F.P. Zwart en mr. D. Roemers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump    w.g. Van Roosmalen

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2005

53-422.