Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT9666

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-07-2005
Datum publicatie
20-07-2005
Zaaknummer
200407942/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 september 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Wieringermeer (hierna: het college) aan appellante met gebruikmaking van artikel 17 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) vrijstelling verleend voor het gebruik van het perceel aan de Flevoweg 1 te Middenmeer (hierna: het perceel) ten behoeve van een vliegveld voor Ultra Light Vliegtuigen (hierna: ULV-vliegveld) voor een periode van maximaal vijf jaar na datum van het onherroepelijk worden van dit besluit. Voorts heeft het college bij afzonderlijk besluit van 4 september 2001 met gebruikmaking van de artikelen 17 van de WRO en 45 van de Woningwet vrijstelling en bouwvergunning verleend voor de bouw van een hangar op het perceel voor een termijn van vijf jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200407942/1.

Datum uitspraak: 20 juli 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de vereniging "Vliegclub Wieringermeer", gevestigd te Schagen,

appellante,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Alkmaar van 16 augustus 2004 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats]

en

het college van burgemeester en wethouders van Wieringermeer.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 4 september 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Wieringermeer (hierna: het college) aan appellante met gebruikmaking van artikel 17 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) vrijstelling verleend voor het gebruik van het perceel aan de Flevoweg 1 te Middenmeer (hierna: het perceel) ten behoeve van een vliegveld voor Ultra Light Vliegtuigen (hierna: ULV-vliegveld) voor een periode van maximaal vijf jaar na datum van het onherroepelijk worden van dit besluit. Voorts heeft het college bij afzonderlijk besluit van 4 september 2001 met gebruikmaking van de artikelen 17 van de WRO en 45 van de Woningwet vrijstelling en bouwvergunning verleend voor de bouw van een hangar op het perceel voor een termijn van vijf jaar.

Bij besluit van 19 november 2002 heeft het college het daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 november 2003 heeft de rechtbank Alkmaar het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard, de beslissing op bezwaar vernietigd en bepaald dat het college een nieuwe beslissing op bezwaar neemt, met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen.

Bij besluit van 28 april 2004 heeft het college het tegen de besluiten van 4 september 2001 door [wederpartij] gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 augustus 2004, verzonden op 17 augustus 2004, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Alkmaar (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard, de beslissing op bezwaar vernietigd en bepaald dat het college binnen zes weken na de verzending van deze uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar neemt, met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 24 september 2004, bij de Raad van State ingekomen op 27 september 2004, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 25 oktober 2004. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 11 januari 2005 heeft [wederpartij] een memorie ingediend.

Bij besluit van 19 april 2005 heeft het college, opnieuw beslissend op bezwaar, dit bezwaar gegrond verkaard en de besluiten van 4 september 2001 ingetrokken.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 april 2005, waar appellante, vertegenwoordigd door A. Harte, gemachtigde, en het college, vertegenwoordigd door J.K.K. Vroegindeweij, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is [wederpartij], bijgestaan door mr. M.C. Pieck, gemachtigde, daar gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WRO, voorzover thans van belang, kunnen burgemeester en wethouders met het oog op een voor een bepaalde termijn voorgenomen afwijking van een bestemmingsplan voor die termijn vrijstelling verlenen van dat plan. De termijn kan, ook na mogelijke verlenging, ten hoogste vijf jaren belopen.

    Ingevolge artikel 45, eerste lid, aanhef en onder d, van de Woningwet wordt in een bouwvergunning voor een bouwwerk, ten aanzien waarvan artikel 17 van de WRO wordt toegepast, een termijn gesteld, na het verstrijken waarvan het bouwwerk niet langer in stand mag worden gehouden. Ingevolge het vierde lid is de termijn gelijk aan die, waarvoor vrijstelling, als bedoeld in artikel 17 van de WRO, is verleend.

   Ingevolge artikel 19 van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 wordt vrijstelling, als bedoeld in artikel 17 van de wet slechts verleend, indien aannemelijk is dat het beoogde bouwwerk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheid, dan wel gebruik niet langer dan vijf jaren in stand zal blijven respectievelijk voortduren.

2.2.    Appellante betoogt dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de vereiste tijdelijkheid van het gebruik van het perceel en de hangar onvoldoende is gewaarborgd.

2.2.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraak van 27 juni 1995 in zaak nrs. H01.95.0029 en H01.95.0034, de Gemeentestem 7036, nr. 6), biedt de omstandigheid dat de verleende vrijstelling voor maximaal vijf jaar is verleend op zichzelf onvoldoende waarborg dat slechts sprake is van een tijdelijke situatie. Teneinde het tijdelijke karakter te mogen aannemen, dienen daartoe concrete, objectieve gegevens voorhanden te zijn. Bij het ontbreken daarvan is toepassing van artikel 17 WRO niet mogelijk.

2.2.2.    Voor het tijdelijke karakter van het gebruik van het perceel als ULV-vliegveld heeft appellante zich in de eerste plaats gebaseerd op een brief van de eigenaar van het perceel, de Regionale Directie Domeinen IJsselmeerpolders, van 31 mei 2000. In deze brief wordt de bereidheid uitgesproken het perceel uiterlijk voor een periode van vijf jaren te verhuren voor het gebruik als vliegveld. Voorts heeft de Inspectie Verkeer en Waterstaat op grond van het Besluit inrichting en gebruik niet aangewezen luchtvaartterreinen bij besluit van 13 maart 2003 aan appellante vergunning verleend voor het gebruik van het perceel als vliegveld, onder de voorwaarde dat de vergunning geldt voor de duur die gelijk is aan de instandhoudingstermijn die is verbonden aan de verleende vrijstelling en bouwvergunning in het kader van artikel 17 van de WRO. Appellante heeft verder gewezen op het vaste voornemen van het college om het gebruik van het perceel als vliegveld na ommekomst van de gestelde termijn niet meer toe te staan en op de intentie van het college en de provincie Noord-Holland te komen tot een permanente oplossing voor de behoefte aan een vliegveld. In het kader daarvan is appellante in overleg met de provincie over een locatie in de gemeente Schermer. Tot slot heeft appellante haar intentie om het gebruik van het perceel na vijf jaren te staken laten vastleggen in een notariële akte.

    Anders dan de voorzieningenrechter is de Afdeling van oordeel dat het college zich met juistheid op het standpunt heeft gesteld dat met de brief van de Regionale Directie Domeinen IJsselmeerpolders van 31 mei 2000 en het besluit van de Inspectie Verkeer en Waterstaat van 13 maart 2003 voldoende concrete, objectieve gegevens voorhanden waren voor het aannemen van het tijdelijk karakter van het ULV-vliegveld met hangar en dat deze tijdelijkheid beperkt blijft tot de maximaal toelaatbare termijn van vijf jaren. Het betoog slaagt derhalve.

2.3.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal de zaak verder zelf afdoen en overweegt ten aanzien van de overige beroepsgronden tegen de beslissing op bezwaar van 28 april 2004 het volgende.

2.4.    [wederpartij] betoogt in beroep dat het college in de beslissing op bezwaar onvoldoende rekening heeft gehouden met de veiligheid van hem, zijn personeel en met mogelijke schade aan zijn percelen en opstallen. Ten onrechte heeft het college het aantal vliegbewegingen van 15.000 per jaar niet naar beneden bijgesteld, aldus [wederpartij].

    Dit betoog faalt. Het college heeft zich met juistheid op het standpunt gesteld dat de veiligheidsaspecten van het gebruik van het ULV-vliegveld vallen onder het toetsingskader van de luchtvaartwetgeving en de door de Inspectie van Verkeer en Waterstaat verleende vergunning. Bij de beslissing op de tegen die vergunning ingediende bezwaren van 1 september 2003 heeft de Inspectie het aantal vliegbewegingen overigens bijgesteld en de resterende bezwaren tegen deze vergunning ongegrond verklaard.

2.5.    Het college heeft zich in de beslissing op bezwaar voorts, anders dan [wederpartij] betoogt, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat, gelet op de afstand tot het vliegveld en de hoogte waarop wordt gevlogen, niet aannemelijk is gemaakt dat de door hem gestelde aantasting van privacy en woongenot als gevolg van het overvliegen van ULV's van zodanige aard is dat de tijdelijke vrijstelling niet in stand zou kunnen blijven.

2.6.    Ook het betoog van [wederpartij] dat het college heeft miskend dat de komst van een ULV-vliegveld een negatieve invloed zal hebben op de bedrijfsvoering, de certificering van zijn producten en de waarde van zijn bedrijf treft geen doel. Het college kon op grond van literatuurstudie en de door appellante verstrekte vluchtgegevens in redelijkheid tot het oordeel komen dat luchtvaart met ultra light vliegtuigen in dit geval niet schadelijk is voor of leidt tot aantoonbare beperkingen van agrarische ontwikkelingen. Door [wederpartij]   zijn geen omstandigheden aangevoerd die ertoe zouden moeten leiden dat het college niet tot dit oordeel had kunnen komen.

2.7.    De conclusie is dat het beroep van [wederpartij] tegen het besluit van 28 april 2004 ongegrond is.

2.8.    Nu het college aan zijn besluit van 19 april 2005 de uitspraak van de voorzieningenrechter ten grondslag heeft gelegd en het beroep ingevolge de artikelen 6:18 en 6:19 juncto 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht geacht wordt mede te zijn gericht tegen dit besluit, dient dit beroep eveneens gegrond te worden verklaard en dat besluit te worden vernietigd.

2.9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Alkmaar van 16 augustus 2004, in zaak nrs, 04/1423 en 04/1254;

III.    verklaart het door [wederpartij] bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

IV.    verklaart het beroep tegen het besluit van burgemeester en wethouders van Wieringermeer van 19 april 2005 gegrond;

V.    vernietigt dat besluit;

VI.    gelast dat de Secretaris van de Raad van State aan appellante het door haar voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 409,00 (zegge: vierhonderdnegen euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Voorzitter, en mr. P.J.J. van Buuren en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump    w.g. Boermans

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2005

429.