Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT9661

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-07-2005
Datum publicatie
20-07-2005
Zaaknummer
200505008/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 april 2005, kenmerk 79393, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [aanvrager] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een ballonvaartbedrijf en een keuringsbedrijf van gas en heteluchtballonnen, gelegen aan de [locatie 1], [locatie 2] en [locatie 3] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Hengelo, sectie […], nummers […] (ged.).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2005, 173
Milieurecht Totaal 2005/4994

Uitspraak

200505008/2.

Datum uitspraak: 14 juli 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekers], allen wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Hengelo,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 22 april 2005, kenmerk 79393, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [aanvrager] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een ballonvaartbedrijf en een keuringsbedrijf van gas en heteluchtballonnen, gelegen aan de [locatie 1], [locatie 2] en [locatie 3] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Hengelo, sectie […], nummers […] (ged.).

Tegen dit besluit hebben verzoekers bij brief van 1 juni 2005, bij de Raad van State ingekomen op 9 juni 2005, beroep ingesteld.

Bij deze brief hebben verzoekers de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 5 juli 2005, waar verzoekers vertegenwoordigd door [gemachtigden] en verweerder, vertegenwoordigd door H.H. Aalderink en M. Bekker, beiden ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2.    Op grond van de vergunning mag maximaal 5.000 liter propaangas worden opgeslagen in maximaal 111 gasflessen.

2.3.    Verzoekers voeren aan dat op de bij de aanvraag behorende tekening ten onrechte het terrein van de [locatie 3] niet geheel volledig is weergegeven.

   In hetgeen verzoekers hebben aangevoerd ziet de Voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat de aanvraag niet voldoet aan het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer of dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aanvraag voldoende informatie bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen voor het milieu.

2.4.    Verzoekers stellen dat het pand aan de [locatie 2] niet meer wordt gebruikt. Zij verwachten dat de gevraagde activiteiten elders op het terrein van de inrichting zullen worden uitgeoefend, waarin de vergunning niet voorziet. Verder voeren zij aan dat het bedrijventerrein niet geschikt is voor de opslag van 5.000 liter propaangas.

   De Voorzitter overweegt dat uit het stelsel van de Wet milieubeheer volgt dat verweerder moet beslissen op de aanvraag zoals die is ingediend. Dat de feitelijke situatie mogelijkerwijs afwijkt van hetgeen is aangevraagd - daargelaten of dat in het onderhavige geval zo is - doet hieraan niet af. Evenmin kan de vraag of een andere locatie geschikter is voor vestiging van de inrichting hierbij een rol spelen. De Voorzitter merkt op dat indien de bedrijfsvoering afwijkt van hetgeen is vergund of de aan de vergunning verbonden voorschriften niet worden nageleefd, de Algemene wet bestuursrecht voorziet in de mogelijkheid tot het treffen van maatregelen die strekken tot het afdwingen van naleving. Tegen dergelijke besluiten van het bevoegde gezag kan in rechte worden opgekomen.

2.5.    Verzoekers stellen dat het bestreden besluit onvoldoende bescherming biedt wat betreft het aspect externe veiligheid. Vergunningvoorschrift 7.14 biedt volgens verzoekers onvoldoende bescherming tegen brandoverslag. Zij stellen zich op het standpunt dat de afstand van de hoogste stapel van de gascilinders tot de hoogte van de brandmuur 4 meter dient te zijn. Verder is volgens hen in het bestreden besluit ten onrechte geen rekening gehouden met de effecten van de overkapping boven de opslagplaats van gasflessen bij een explosie van gasflessen. Evenmin is rekening gehouden met een mogelijke kettingreactie bij het afblazen van de drukbeveiligingen van de cilinders van de gasflessen en met de aanwezigheid van defecte gasflessen.

2.5.1.    Verweerder stelt zich op het standpunt dat de aan de vergunning verbonden voorschriften voldoende bescherming bieden. Hij stelt, onder verwijzing naar het advies van de brandweer, dat de kans op een explosie van gasflessen door overdruk zeer onwaarschijnlijk is gelet op het feit dat de gasflessen, in tegenstelling tot gewone propaangasflessen, zijn voorzien van overdrukbeveiliging. Daarnaast worden de gasflessen jaarlijks uitwendig geïnspecteerd. Bovendien moet volgens de voorschriften de natuurlijke ventilatie van de opslagplaats steeds zijn gewaarborgd. Indien zich een brand voordoet, beschermt de brandmuur met een brandwerendheid van tenminste 60 minuten, voldoende tegen de overslag van brand, aldus verweerder. Bovendien zal de brandweer ruim binnen deze tijd zijn gearriveerd. De kans dat er zich in de opslagplaats defecte gasflessen zullen bevinden is, gelet op de jaarlijkse keuring van de flessen, volgens verweerder klein.

2.5.2.    De aan de vergunning verbonden voorschriften 7.1 tot en met 7.21 bevatten algemene bepalingen inzake gasflessen alsmede bepalingen met betrekking tot de bewaring en opstelling van gasflessen in een opslagvoorziening.

   In voorschrift 7.14 is bepaald dat bij de opslagplaats op de erfscheiding een brandmuur aanwezig moet zijn, vervaardigd van onbrandbaar materiaal met een weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van tenminste 60 minuten. De wand moet aan weerszijden van de opslagplaats een lengte hebben van minimaal 3 meter, horizontaal gemeten vanaf de opslagplaats. De overkapping boven de gasflessen moet zijn vervaardigd van onbrandbaar materiaal met een weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van tenminste 30 minuten. De afstand tussen de hoogste opgestelde gasflessen en de bovenzijde van de brandmuur, vermeerderd met tweemaal de breedte van de overkapping boven de gasflessen, moet tenminste 4 meter bedragen.

   In voorschrift 7.15 is bepaald dat natuurlijke ventilatie steeds moet zijn gewaarborgd. De overkapping moet zodanig zijn uitgevoerd dat eventueel vrijkomende gassen zich daaronder niet kunnen ophopen.

2.5.3.    Ter invulling van zijn beoordelingsvrijheid wat betreft externe veiligheid heeft verweerder zich blijkens het bestreden besluit gebaseerd op het Handboek milieuvergunningen en de definitieve conceptversie van de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 van oktober 2004 (opslag van verpakte gevaarlijke afvalstoffen), hierna te noemen: de PGS 15 versie oktober 2004.

   In tabel 6 van paragraaf 8.6.1 van het hoofdstuk ‘Gassen’ van het Handboek milieuvergunningen zijn minimumafstanden opgenomen die in acht moeten worden genomen tussen een opslagplaats van gasflessen en woningen van derden en zijn vereisten gesteld aan de brandmuur. De brandmuur moet een lengte hebben die tenminste 1 meter uitsteekt buiten de opgeslagen flessen, een hoogte hebben van tenminste 0,5 meter boven de bovenkant van de hoogste (gestapelde) gasflessen en de brandmuur moet zich bevinden tussen opgeslagen gasflessen en de woning(en) op een afstand van ten hoogste 10 meter van de opgeslagen flessen.

   Zoals de Afdeling eerder in uitspraak 200001425/1 van 3 oktober 2001 (aangehecht) heeft overwogen, is het hanteren van paragraaf 8.6.1 van het Handboek milieuvergunningen niet in strijd met het recht. De vraag of de PGS 15 versie oktober 2004 de meest recente algemeen aanvaardbare milieutechnische inzichten bevat, leent zich niet voor beantwoording in de onderhavige procedure. De Voorzitter gaat vooralsnog, met het oog op zijn voorlopige beoordeling van het bestreden besluit, uit van de milieutechnische inzichten uit het Handboek milieuvergunningen.

2.5.4.    Bij de van de vergunning deel uitmakende aanvraag is een rapport gevoegd van Aviv Adviserende ingenieurs, genaamd 'Risico's [aanvrager] te [plaats]'. In dit rapport zijn de resultaten weergegeven van een risico-inventarisatie van de in geding zijnde opslag van gasflessen. De risico's van de opslag betreffen volgens het rapport het vrijkomen en (explosief) verbranden van propaan als gevolg van het falen van één of meerdere cilinders. In het rapport wordt geconcludeerd dat gezien de aanwezigheid van een overdrukbeveiliging het falen van één of meer cilinders tegelijkertijd, niet waarschijnlijk is. Verweerder heeft zich bij het beoordelen van de externe veiligheid mede op dit rapport gebaseerd.

   De in voorschrift 7.14 gestelde eisen terzake van de opslag van gasflessen voldoen aan het gestelde in het Handboek milieuvergunningen, met uitzondering van de afstand tussen de bovenkant van de hoogste gestapelde gasflessen en de brandmuur. De Voorzitter overweegt ten aanzien van dit aspect dat voorschrift 7.14 in zoverre weliswaar niet overeenstemt met het gestelde in het Handboek milieuvergunningen, maar dat in dit voorschrift wel specifieke eisen worden gesteld aan de brandwerendheid van de muur en de overkapping boven de hoogst gestapelde gasflessen. Gelet vervolgens op de voorgeschreven maatregelen en de omstandigheid dat de gascilinders een overdrukbeveiliging hebben, ziet de Voorzitter in hetgeen verzoekers hebben aangevoerd en na afweging van de betrokken belangen geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. De Voorzitter neemt hierbij mede in aanmerking dat blijkens het verhandelde ter zitting in de thans aanwezige opslagplaats maximaal 2.000 liter propaangas kan worden opgeslagen en dat voor de uitbreiding van deze opslagplaats voor de gevraagde opslag van 5.000 liter propaangas, nog een bouwvergunning moet worden aangevraagd en dat het uitgaande van hetgeen door verzoekers ter zitting naar voren is gebracht omtrent het tegen de aanvraag daarvan te voeren verweer - wat daarvan inhoudelijk zijn moge - onaannemelijk is dat die vergunning zal worden verleend vóór de behandeling van de onderhavige revisievergunning in de bodemprocedure.

2.6.    De Voorzitter wijst het verzoek af.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll    w.g. Van Driel

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2005

414.