Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT9652

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-07-2005
Datum publicatie
20-07-2005
Zaaknummer
200408814/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 september 2004, kenmerk IJH, heeft verweerder met toepassing van artikel 8.23, eerste lid, van de Wet milieubeheer voorschrift 1.1 verbonden aan de op 21 oktober 1997 aan appellante krachtens de Wet milieubeheer verleende vergunning, aangevuld en tevens het verzoek van appellante om met toepassing van artikel 8.24 van deze wet de geluidsvoorschriften te verruimen, afgewezen. Dit besluit is op 16 september 2004 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200408814/1.

Datum uitspraak: 20 juli 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [plaats], gemeente Littenseradiel,

en

het college van burgemeester en wethouders van Littenseradiel,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 1 september 2004, kenmerk IJH, heeft verweerder met toepassing van artikel 8.23, eerste lid, van de Wet milieubeheer voorschrift 1.1 verbonden aan de op 21 oktober 1997 aan appellante krachtens de Wet milieubeheer verleende vergunning, aangevuld en tevens het verzoek van appellante om met toepassing van artikel 8.24 van deze wet de geluidsvoorschriften te verruimen, afgewezen. Dit besluit is op 16 september 2004 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 26 oktober 2004, bij de Raad van State ingekomen op 27 oktober 2004, beroep ingesteld.

Bij brief van 25 november 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 15 maart 2005. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 juni 2005, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. E. Wiarda en ing. U.K. Jonker, gemachtigden, en verweerder, vertegenwoordigd door W. Kroese en ing. IJ. Heijnis, ambtenaren der gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Bij besluit van 21 oktober 1997 heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan appellante een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor de handel in en het plaatsen van grafmonumenten, gelegen op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummer […].

   De bij het bestreden besluit gegeven aanvulling houdt in dat aan vergunningvoorschrift 1.1 is toegevoegd dat voor de nieuwe referentiepunten 4 en 5 dezelfde geluidsnorm geldt als voor de referentiepunten 2 en 3.

2.2.    Appellante stelt dat verweerder niet bevoegd is het vergunningvoorschrift aan te vullen, aangezien de activiteiten van de inrichting vallen onder de werkingssfeer van het Besluit van 7 oktober 1998, houdende regels voor inrichtingen voor de uitoefening van detailhandel of een ambachtsbedrijf (Besluit detailhandel en ambachtsbedrijven milieubeheer; hierna: het Besluit), hetgeen inhoudt dat de vergunning van 21 oktober 1997 is vervallen.

2.2.1.    Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het Besluit niet van toepassing is, omdat de inrichting niet is aan te merken als ambachtsbedrijf in de zin van het Besluit, aangezien geen activiteiten worden verricht als omschreven in bijlage 1 bij het Besluit.

2.2.2.    Het Besluit is een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 8.40 van de Wet milieubeheer. Het is op 1 december 1998 in werking getreden.

   Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit, voorzover thans van belang, is dit besluit van toepassing op een inrichting die uitsluitend of in hoofdzaak bestemd is voor:

a. het verkopen of verhuren aan particulieren van roerende zaken, met uitzondering van binnenlandse en buitenlandse wettige betaalmiddelen;

b. het verrichten van ambachtelijke of dienstverlenende activiteiten voorzover deze, gelet op hun aard, geschieden in rechtstreeks verband met activiteiten als bedoeld onder a, of

c. het uitoefenen van een of meer vormen van een ambachtsbedrijf, als bedoeld in bijlage 1.    

2.2.3.    Blijkens de stukken, waaronder het deskundigenbericht, en het verhandelde ter zitting, bestaan de activiteiten die in de inrichting feitelijk worden verricht hoofdzakelijk uit het bewerken van natuursteen tot grafmonumenten. Daarnaast vinden binnen de inrichting voor een klein deel van de bedrijfstijd verkoopactiviteiten plaats.

2.2.4.    De Afdeling stelt vast dat de activiteiten die binnen de inrichting worden verricht, zoals hiervoor kort beschreven, niet zijn omschreven in bijlage 1 bij het Besluit. De inrichting is derhalve geen inrichting die uitsluitend of in hoofdzaak is bestemd voor het uitoefenen van een ambachtsbedrijf als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c, van het Besluit. Voorts overweegt de Afdeling, gelet op die hiervoor beschreven activiteiten, dat de inrichting in hoofdzaak niet is bestemd voor het verkopen aan particulieren van roerende zaken, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit, maar voor het vervaardigen van grafmonumenten. Gelet hierop is van het in hoofdzaak verrichten van ambachtelijke diensten of dienstverlenende activiteiten in rechtstreeks verband met activiteiten als bedoeld onder a van dit artikel, als bedoeld in artikel 2, onder b, evenmin sprake.

   Op grond van het vorenstaande concludeert de Afdeling dat het Besluit niet van toepassing is op de inrichting. De beroepsgrond treft derhalve geen doel.

2.3.    Inzake het met toepassing van artikel 8.23, eerste lid, van de Wet milieubeheer aan de vergunning verbonden voorschrift 1.1 stelt appellante dat de geluidsnorm van 40 dB(A) voor het equivalente geluidsniveau (LAeq) op de referentiepunten 4 en 5 niet realistisch is. Zij voert hierbij aan dat ten behoeve van de vergunningverlening in 1997 verweerder destijds is uitgegaan van een feitelijk onjuiste en onvolledige beschrijving van de representatieve bedrijfssituatie.

2.3.1.    Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de referentiepunten 4 en 5 binnen de vigerende vergunning passen en de vergunde bedrijfsvoering niet onmogelijk is gemaakt met de toevoeging van die punten.

2.3.2.    De Afdeling stelt voorop dat de bij besluit van 21 oktober 1997 verleende vergunning onherroepelijk is, zodat in deze procedure de rechtmatigheid van die vergunning niet ter beoordeling staat. Hetgeen appellante daartegen heeft aangevoerd, inzake de representatieve bedrijfssituatie, kan dus geen doel treffen.

2.3.3.    Ingevolge artikel 8.23, eerste lid, van de Wet milieubeheer kan het bevoegd gezag beperkingen waaronder een vergunning is verleend, en voorschriften die daaraan zijn verbonden, wijzigen, aanvullen of intrekken, dan wel alsnog beperkingen aanbrengen of voorschriften aan een vergunning verbinden in het belang van de bescherming van het milieu.

   Ingevolge artikel 8.23, derde lid, in samenhang met artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer, worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

   Bij de overeenkomstige toepassing van artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

   De toepassing van artikel 8.23, eerste lid, mag niet tot gevolg hebben dat de vergunde bedrijfsvoering onmogelijk wordt. Dit zou neerkomen op een intrekking van de vergunning, waartoe artikel 8.23 van de Wet milieubeheer niet de bevoegdheid geeft.

2.3.4.    Uit de stukken komt naar voren en ter zitting is door partijen bevestigd dat de hoogte van de voor de referentiepunten 4 en 5 vastgestelde geluidsnorm volgt uit de vigerende vergunning. In de stukken en het verhandelde ter zitting vindt de Afdeling geen aanknopingspunt voor het oordeel dat de hiermee een beperking is ontstaan voor de bedrijfsvoering, zoals zij was vergund. Gelet hierop is de toepassing die verweerder heeft gegeven aan artikel 8.23, eerste luid, van de Wet milieubeheer, niet onrechtmatig. De beroepsgrond treft derhalve geen doel.

2.4.    Inzake het verzoek om met toepassing van artikel 8.24 van de Wet milieubeheer de geluidsvoorschriften te verruimen, stelt appellante dat verweerder dit verzoek ten onrechte heeft afgewezen.

2.4.1.    Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de door appellante verzochte verruiming van de geluidsvoorschriften alleen kan worden gerealiseerd door een uitbreidingsvergunning of een revisievergunning, omdat zijns inziens sprake zal zijn van een ten opzichte van de vergunde situatie veranderde bedrijfssituatie. Verweerder heeft het verzoek in het bestreden besluit dan ook afgewezen.

2.4.2.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb (wet van 24 juni 2002, Stb. 54) en de Aanpassingswet uniforme voorbereidingsprocedure Awb (wet van 26 mei 2005, Stb. 282) in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht, zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten, op dit geding van toepassing blijft.

   Ingevolge artikel 8.24, derde lid, van de Wet milieubeheer, zoals dat vóór 1 juli 2005 luidde, zijn met betrekking tot de totstandkoming van de beschikking de paragrafen 3.5.2 tot en met 3.5.5 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

2.4.3.    Uit de stukken blijkt dat voor het bestreden besluit met betrekking tot de afwijzing van het verzoek van appellante om met toepassing van artikel 8.24 van de Wet milieubeheer de vigerende vergunning te wijzigen niet de procedure van de paragrafen 3.5.2 tot en met 3.5.5 van de Algemene wet bestuursrecht, zoals deze vóór 1 juli 2005 luidden, is gevolgd. De Afdeling is van oordeel dat het besluit met betrekking tot het verzoek van appellante om met toepassing van artikel 8.24 van de Wet milieubeheer de geluidsvoorschriften te verruimen niet op de juiste wijze tot stand is gekomen. Het beroep is in zoverre gegrond.

2.5.    Het beroep is gedeeltelijk gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd voorzover daarin op het verzoek van appellante om met toepassing van artikel 8.24 van de Wet milieubeheer de vigerende vergunning te wijzigen, is beslist. Het beroep is voor het overige ongegrond. Verweerder dient met inachtneming van deze uitspraak alsnog te beslissen op het verzoek.

2.6.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van het verzoek van appellante om verweerder te veroordelen in de kosten van het opmaken van het deskundigenrapport van "Stoop raadgevende ingenieurs", overweegt de Afdeling dat deze kosten niet op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht voor inwilliging in aanmerking komen, omdat deze kosten niet in verband met de behandeling van het beroep zijn gemaakt.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Littenseradiel van 1 september 2004, kernmerk IJH, voorzover daarin op het verzoek van appellante om met toepassing van artikel 8.24 van de Wet milieubeheer de vigerende vergunning te wijzigen, is beslist;

III.    verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

IV.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Littenseradiel tot vergoeding van door appellante in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Littenseradiel aan appellante te worden betaald;

V.    gelast dat de gemeente Littenseradiel aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 273,00 (zegge: tweehonderddrieënzeventig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H. Beekhuis, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.C. Rijntjes-Lindhout, ambtenaar van Staat.

w.g. Beekhuis    w.g. Rijntjes-Lindhout

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2005

194-424.