Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT9648

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-07-2005
Datum publicatie
20-07-2005
Zaaknummer
200505179/1 en 200505179/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 februari 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Veldhoven (hierna: het college) appellant gelast het zonder bouwvergunning in de ontvangstruimte van zijn bedrijf aan de [locatie 1] te [plaats] (hierna: het perceel) aangebrachte sanitair en keukenblok voor 1 mei 2004 te verwijderen, onder oplegging van een dwangsom van € 500,00 per week met een maximum van € 50000,00.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200505179/1 en 200505179/2.

Datum uitspraak: 13 juli 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/1120 05/1121 van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 26 mei 2005 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Veldhoven.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 11 februari 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Veldhoven (hierna: het college) appellant gelast het zonder bouwvergunning in de ontvangstruimte van zijn bedrijf aan de [locatie 1] te [plaats] (hierna: het perceel) aangebrachte sanitair en keukenblok voor 1 mei 2004 te verwijderen, onder oplegging van een dwangsom van € 500,00 per week met een maximum van € 50000,00.

Bij besluit van 15 februari 2005 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, met dien verstande dat het daarbij de begunstigingstermijn heeft verlengd tot 1 juni 2005.

Bij uitspraak van 26 mei 2005, verzonden op 3 juni 2005, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 15 juni 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 15 juni 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, heeft appellant de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 juni 2005, waar appellant in persoon, bijgestaan door P.M. van Herk en mr. P.M.H.M. Bakermans, gemachtigden, en het college, vertegenwoordigd door J.L.G.M. Bogaerts, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.1.    Overwegingen

2.2.    In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.3.    Appellant exploiteert op het perceel een pluimveebedrijf. Binnen het bouwblok waarop de bedrijfsbebouwing is gelegen bevindt zich een woning (adres: [locatie 2]), die door de moeder en een broer van appellant worden bewoond. Appellant staat in de Gemeentelijke Basisadministratie op dit adres ingeschreven en stelt daar thans zelf ook te wonen.

2.4.    Aan appellant is in het verleden bouwvergunning verleend voor de bouw aan een bestaande stal van een opslagruimte en een ontvangstruimte. Appellant heeft in deze ruimten een keuken, een toilet en een badkamer met daarin een bad, een aparte douche en een tweede toilet aangebracht. In 1998 heeft hij alsnog een aanvraag om bouwvergunning voor deze voorzieningen ingediend. Het college heeft deze aanvraag afgewezen, op grond van de overweging dat - kort weergegeven - deze voorzieningen voor het pluimveebedrijf niet noodzakelijk waren en appellant feitelijk in strijd met het bestemmingsplan een tweede bedrijfswoning had gerealiseerd.

2.5.    Niet in geschil is dat appellant de ontvangstruimte destijds ook daadwerkelijk bewoonde. Op 14 juni 1999 is appellant onder oplegging van een dwangsom aangeschreven om de illegale bewoning van de ontvangstruimte te staken en daaruit de voorzieningen te verwijderen die het bewonen van deze ruimte mogelijk maken. Deze procedure is destijds geëindigd, nadat appellant had toegezegd de bewoning van de ontvangstruimte per 1 februari 2000 te staken. Tussen partijen staat vast dat dit laatste ook daadwerkelijk is gebeurd.

2.6.    Tijdens twee controles op onderscheidenlijk 31 oktober 2003 en 10 februari 2004 is volgens het college geconstateerd dat de ontvangstruimte wederom als woning in gebruik is genomen dan wel zodanig is ingericht dat deze als woning in gebruik kan worden genomen. Er waren onder meer een compleet ingerichte woonkamer en - als voorheen - een luxe keuken en badkamer aanwezig. Bovendien echter waren er spullen aanwezig die naar de mening van het college duiden op het gebruik als woning, waaronder kleding in de kast, een voorraad etenswaren, spelletjes en andere persoonlijke zaken. Daarop heeft het college besloten tot oplegging van de aan dit geschil ten grondslag liggende last tot verwijdering van het sanitair en het keukenblok.

2.7.    De Afdeling is van oordeel dat deze voorzieningen - in ieder geval in hun huidige vorm - voor de ontvangstruimte bij het bedrijf van appellant niet noodzakelijk zijn en moeten worden geacht te zijn aangebracht teneinde bewoning van deze ruimte mogelijk te maken. Voor het aanbrengen van deze voorzieningen was bouwvergunning vereist. Nu deze niet was verleend, is de conclusie dat is gehandeld in strijd met artikel 40 van de Woningwet, zodat het college bevoegd was om terzake handhavend op te treden.

2.8.    Bij het vorenstaande wordt overwogen dat, anders dan appellant betoogt, met de voorzieningenrechter moet worden geoordeeld dat het handhavingsbesluit van 14 juni 1999, dat kennelijk nimmer uitdrukkelijk is ingetrokken, is uitgewerkt. De in dat besluit bedoelde voorzieningen zijn immers niet verwijderd, zodat moet worden aangenomen dat de dwangsommen inmiddels van rechtswege zijn verbeurd. Bovendien is van de zijde van het college ter zitting uitdrukkelijk aangegeven dat de eerdere last van 14 juni 1999 als vervallen moet worden beschouwd, zodat, gelet op dit standpunt van het college, ook daarom voorbij moet worden gegaan aan het betoog van appellant, dat de rechtszekerheid in het geding zou zijn, nu er twee handhavingsbesluiten tegelijkertijd van toepassing zouden zijn. Gelet op bedoeld standpunt van het college is voor enige onzekerheid op dit punt immers geen aanleiding.

2.9.    Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.10.    In het bestemmingsplan "Buitengebied 1988" is aan het perceel de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke waarde" toegekend.  Tussen partijen is niet in geschil dat in maart 2004 het bestemmingsplan "Buitengebied 1988, herziening [locatie 2]" onherroepelijk is geworden. Bij deze herziening is het bestaande bouwblok vergroot, omdat appellant zijn bedrijfsruimte wil uitbreiden.

2.11.    Ingevolge artikel 4.2.1. van de planvoorschriften mogen binnen de agrarische bouwblokken uitsluitend worden opgericht bouwwerken ten dienste van het agrarisch bedrijf met per bouwblok hoogstens één dienstwoning. Ingevolge artikel 4.3.1. van de planvoorschriften zijn burgemeester en wethouders bevoegd van deze bepaling vrijstelling te verlenen, teneinde binnen het agrarisch bouwblok een tweede dienstwoning toe te staan, mits - onder meer - de woning ter plaatse noodzakelijk is uit oogpunt van doelmatige bedrijfsvoering en/of ontwikkeling van het agrarisch bedrijf. Gelet op de adviezen van de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen van 1995 en 1998, waarin is aangegeven dat geen noodzaak bestaat voor een tweede bedrijfswoning, en het feit dat appellant op geen enkele wijze gemotiveerd te kennen heeft gegeven dat de bedrijfssituatie inmiddels is gewijzigd, heeft het college zich, anders dan appellant betoogt, op het standpunt kunnen stellen dat geen aanleiding bestond om aan te nemen dat ten tijde van het besluit van 15 februari 2005 werd voldaan aan de voorwaarden om toepassing te geven aan laatstgenoemde bepaling. Er bestond voor het college ook geen reden om ter zake nader onderzoek te doen. Daarbij kan er niet aan worden voorbijgegaan dat het niet de bedoeling van appellant is om - in geval hem zodanige vrijstelling zou worden verleend - ook de bestaande bedrijfswoning [locatie 2] ten behoeve van zijn bedrijf te gebruiken.

2.12.    De voorzieningenrechter heeft voorts terecht overwogen dat ten tijde van het besluit van 15 februari 2005 niet werd voldaan aan de voorwaarden om met toepassing van artikel 4.4.4. van de planvoorschriften het bestemmingsplan te wijzigen, omdat geen sprake was van een boerderij die op de kaart is aangeduid als "cultuurhistorisch waardevol bouwwerk" dan wel gelegen binnen een gehucht. Het door appellant in hoger beroep overgelegde advies van de Stichting Historisch Erfgoed Veldhoven van 24 juni 2005 maakt dat niet anders.

2.13.    Appellant heeft ook een beroep gedaan op het in de planvoorschriften neergelegde overgangsrecht voor bouwwerken. De Afdeling begrijpt dit aldus dat hij zich beroept op het bepaalde in artikel 41, eerste lid, aanhef en onder a. Wanneer, zoals appellant doet, ervan uit wordt gegaan dat de peildatum van dit overgangsrecht is de datum van het ter visie leggen van het ontwerp van het bestemmingsplan "Buitengebied 1988, herziening [locatie 2]", kan het beroep op voormelde bepaling hem niet baten, reeds omdat deze geen grondslag biedt voor legalisering van datgene wat voor deze peildatum zonder bouwvergunning is gebouwd. Wanneer er daarentegen van uit wordt gegaan dat de peildatum van het overgangsrecht is de datum van tervisielegging van het ontwerp van het bestemmingsplan "Buitengebied 1988" dan wel een latere herziening daarvan, moet worden vastgesteld dat door appellant niet is gesteld dat op die datum reeds sprake was van een afwijking van dat plan. Bij het doen van een beroep op een overgangsbepaling ligt het op de weg van appellant om terzake de feiten te stellen en aannemelijk te maken, dat aan de daarbij gestelde voorwaarden wordt voldaan. Bedoelde overgangsbepaling kan hem derhalve bij die lezing van de bepaling evenmin baten.

2.14.    Gelet op het vorenstaande heeft de voorzieningenrechter terecht geoordeeld dat ten tijde van het besluit van 15 februari 2005 geen concreet zicht bestond op legalisering.

2.15.    Appellant betoogt voorts dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het college in 1999, na de oplegging van de eerste last op 19 juni 1999, alsnog heeft besloten de voorzieningen als het keukenblok en het sanitair voor onbepaalde tijd te gedogen, mits de ontvangstruimte niet weer voor woondoeleinden zou worden gebruikt. Nu van bewoning nog steeds geen sprake is, kon het college na zovele jaren niet alsnog tot handhaving besluiten, aldus appellant. Hierover overweegt de Afdeling dat, gelet op de op 31 oktober 2003 en 10 februari 2004 gehouden controles, gerede twijfel ten aanzien van de stelling van appellant dat de bewoning van de ontvangstruimte niet is hervat, gerechtvaardigd was. Gelet hierop, moet worden geoordeeld dat de situatie ten opzichte van de jaren 1999 en 2000 wezenlijk was gewijzigd. Onder deze omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat appellant er ten tijde van het besluit van 15 februari 2005 rechtens op mocht vertrouwen dat nog steeds van handhavend optreden tegen de door hem aangebrachte voorzieningen zou worden afgezien. Het betoog leidt derhalve niet tot het daarmee beoogde doel.

2.16.    Ook de door appellant geschetste gang van zaken bij de  totstandkoming van het bestemmingsplan "Buitengebied 1988, herziening [locatie 2]" kan niet tot het oordeel leiden dat hij met vrucht een beroep op het vertrouwensbeginsel doet. Van concrete toezeggingen van terzake bevoegde instanties - bij bestemmingsplannen respectievelijk de gemeenteraad en gedeputeerde staten - dat een tweede bedrijfswoning zou worden toegestaan is niet gebleken.

2.17.    Gelet op het vorenstaande en op hetgeen appellant overigens naar voren heeft gebracht, moet worden geoordeeld dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden in de hiervoor bedoelde zin. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat het college niet de algehele afbraak van meerbedoelde voorzieningen mocht gelasten. Het college was immers bevoegd de algehele afbraak te gelasten. In het midden kan blijven of indien appellant slechts een deel van de voorzieningen zou hebben gerealiseerd handhaving ten opzichte van dat deel mogelijk was geweest. Die situatie doet zich immers niet voor en het was aan appellant om - mede in aanmerking genomen de voorgeschiedenis - niet opnieuw een met de voorschriften strijdige situatie in het leven te roepen en bij twijfel met het college in overleg te treden wat gelet op de regelgeving wel zou worden toegestaan en wat niet.

2.18.    Voor het oordeel dat de hoogte van de dwangsom niet in redelijke verhouding staat tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsom bestaat net zomin grond. Tot slot kan, anders dan appellant betoogt, niet worden geoordeeld dat de hem geboden begunstigingstermijn in redelijkheid niet toereikend is om aan de last te kunnen voldoen.

2.19.    Gezien het vorenstaande, heeft de voorzieningenrechter het beroep van appellant tegen het besluit van 15 februari 2005 terecht ongegrond verklaard.

2.20.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.21.    Gelet hierop ziet de Voorzitter aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.22.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Boer, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak    w.g. Boer

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2005

201.