Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT9640

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-07-2005
Datum publicatie
20-07-2005
Zaaknummer
200501977/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 november 2004 heeft verweerder het verzoek van appellant om krachtens artikel 5 van het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer nadere eisen te stellen met betrekking tot de inrichting op het perceel [locatie] te [plaats], afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200501977/1.

Datum uitspraak: 20 juli 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Onderbanken,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 16 november 2004 heeft verweerder het verzoek van appellant om krachtens artikel 5 van het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer nadere eisen te stellen met betrekking tot de inrichting op het perceel [locatie] te [plaats], afgewezen.

Bij besluit van 21 februari 2005, verzonden op 2 maart 2005, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 4 maart 2005, bij de Raad van State ingekomen op 7 maart 2005, beroep ingesteld.

Bij brief van 12 april 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 juni 2005, waar appellant, in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. J.J. Pieters-Janssen, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is de drijver van de inrichting, vertegenwoordigd door J.W.M. Quaedackers, gemachtigde, en mr. S.N. Meijering, advocaat te Woerden, als partij daar gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht, gelezen in samenhang met artikel 6:8, eerste lid, van die wet, moet een bezwaarschrift worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekend gemaakt. Een bezwaar- of beroepschrift is ingevolge artikel 6:9, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.

   Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 24 december 1998 in zaak no. E03.96.1189 (AB 1999, 308) moet er in geval van afgifte van een bezwaarschrift bij het orgaan dat daarop moet beslissen, in beginsel van worden uitgegaan dat dit geschrift bij het orgaan is ingekomen op de datum die is vermeld op het stempel dat er bij binnenkomst op is geplaatst. Dit beginsel lijdt slechts uitzondering indien de aanbieder aannemelijk maakt dat het geschrift eerder is binnengekomen.

2.2.    Het primaire besluit is door toezending op 19 november 2004 aan appellant bekend gemaakt, zodat tot en met 31 december 2004 een bezwaarschrift tegen dat besluit kon worden ingediend. Het op 28 december 2004 gedateerde bezwaarschrift, dat niet per post is verzonden maar door appellant in de brievenbus van het gemeentehuis is gedeponeerd, is blijkens het daarop aangebrachte stempel op 3 januari 2005 bij de gemeente ontvangen en mitsdien niet tijdig ingediend. De enkele uit de stukken blijkende omstandigheid dat het gemeentehuis tussen Kerst en Oud en Nieuw gesloten was, is op zichzelf onvoldoende grond voor het oordeel dat het bezwaarschrift vóór het einde van de termijn is ingediend. Ook anderszins heeft appellant dit niet aannemelijk gemaakt. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat appellant het bezwaarschrift (aangetekend) per post had kunnen versturen, waarbij de datumstempel van TPG als bewijs had kunnen dienen dat het stuk tijdig ter post was bezorgd.

   Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat verweerder het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

2.3.    Het beroep is ongegrond.

2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.R. Schaafsma, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Schaafsma    w.g. Van Hardeveld

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2005

312-443.