Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT9626

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-07-2005
Datum publicatie
20-07-2005
Zaaknummer
200410649/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 november 2004 heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een kalvermesterij op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Grootegast, sectie […], nummer […]. Dit besluit is op 18 november 2004 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200410649/1.

Datum uitspraak: 20 juli 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats], en anderen,

en

het college van burgemeester en wethouders van Grootegast,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 2 november 2004 heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een kalvermesterij op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Grootegast, sectie […], nummer […]. Dit besluit is op 18 november 2004 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 24 december 2004, bij de Raad van State ingekomen op 27 december 2004 per fax, beroep ingesteld.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 juni 2005, waar van [appellant] in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door T.E.J. Postma, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord vergunninghouder.

2.    Overwegingen

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb (wet van 24 juni 2002, Stb. 54) en de Aanpassingswet uniforme voorbereidingsprocedure Awb (wet van 26 mei 2005, Stb. 282) in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht, zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten, op dit geding van toepassing blijft.

2.2.    Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer, zoals dat vóór 1 juli 2005 luidde, kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a.    degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b.    de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c.    degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d.    belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

   [appellant] heeft de gronden inzake de strijd met het Besluit melkrundveehouderijen milieubeheer, het gemeentelijk- en provinciaal beleid, de schatting van het energieverbruik, het waterverbruik, de opslag van afvalstoffen op het terrein van de inrichting, de aard van de vergunde activiteiten, het gebruik van klinkers als verhardingsmateriaal en de voorschriften 1.1.4 en 3.1.1 niet als bedenkingen tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. De overige appellanten hebben de gronden inzake de strijd met het Besluit melkrundveehouderijen milieubeheer en de schatting van het energieverbruik niet als bedenkingen tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan appellanten redelijkerwijs niet kan worden verweten op deze punten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep in zoverre niet-ontvankelijk is.

2.3.    Appellanten zijn beducht voor stankhinder vanwege de bij het bestreden besluit vergunde mestkalveren. In dit verband hebben zij betoogd dat verweerder ten onrechte de woningen in de directe omgeving van de inrichting in categorie III in plaats van in categorie II in de zin van de brochure Veehouderij en Hinderwet (hierna: de Brochure) heeft ingedeeld. Voorts hebben appellanten betoogd dat verweerder ten onrechte de ventilatoruitlaat van de stallen heeft beschouwd als het dichtstbijgelegen emissiepunt van de inrichting en dat niet kan worden voldaan aan de minimaal in acht te nemen afstanden.

2.3.1.    Verweerder heeft bij de beoordeling van de van de inrichting te duchten stankhinder de Richtlijn veehouderij en stankhinder 1996 (hierna: de Richtlijn) gehanteerd. Voorzover het de indeling in omgevingscategorieën betreft, heeft hij toepassing gegeven aan de Brochure.

   Op grond van de Richtlijn moet voor de afstandsmeting worden uitgegaan van de afstand tussen de buitenzijde van het stankgevoelige object en het dichtst bij dit stankgevoelige object gelegen emissiepunt van de inrichting. Voor mechanisch geventileerde stallen is dit emissiepunt de dichtstbijzijnde ventilatoruitlaat.

2.3.2.    Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting zijn in de directe omgeving van de inrichting diverse burgerwoningen gelegen, doch zijn deze burgerwoningen niet zodanig geconcentreerd dat sprake is van lintbebouwing of dat zij aan het desbetreffende buitengebied een bepaalde woonfunctie verlenen als is vereist voor een categorie II-situatie. Verweerder heeft de directe omgeving van de inrichting dan ook op goede gronden in categorie III van de Brochure ingedeeld.

   Het bij het bestreden besluit vergunde veebestand komt overeen met 1.002 mestvarkeneenheden. Bij een dergelijk veebestand dient op grond van de Richtlijn ten opzichte van een categorie III-object ten minste een afstand van ongeveer 130 meter te worden aangehouden. Anders dan appellanten kennelijk hebben betoogd volgt uit de in de bijlage van de Wet stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden opgenomen berekeningsmethode in dit geval niet dat ten minste een afstand van 137 in acht moet worden genomen ten opzichte van een categorie III-object, reeds omdat deze wet niet van toepassing is op de onderhavige inrichting.

   Blijkens de aanvraag, die deel uitmaakt van de vergunning, worden de mestkalveren gehuisvest in twee mechanisch geventileerde stallen. De lucht uit de ene stal wordt door middel van een afzuigsysteem naar de centrale ventilatoruitlaat van de andere stal gezogen, alwaar de lucht wordt geëmitteerd. Het afzuigsysteem functioneert dusdanig dat sprake is van continue onderdruk. Appellanten hebben onvoldoende aannemelijk gemaakt dat ondanks dit afzuigsysteem grote ventilatieverliezen zouden kunnen optreden door andere openingen dan de centrale ventilatoruitlaat. Gezien het vorenstaande heeft verweerder deze centrale ventilatoruitlaat op goede gronden als het dichtstbijgelegen emissiepunt van de inrichting aangemerkt.

   Nu de centrale ventilatoruitlaat zich blijkens de stukken op een afstand van meer dan 130 meter van een categorie III-object bevindt, wordt voldaan aan de op grond van de Richtlijn minimaal aan te houden afstand. Gelet hierop heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet behoeft te worden gevreesd voor onaanvaardbare stankhinder.

2.4.    Appellanten hebben betoogd dat door het geluid afkomstig van de transportbewegingen, de ventilatoren, de voervijzels, de pompen, het geloei van kalveren, het vullen van de silo's en het leegzuigen van de mestkelders de geluidgrenswaarden zullen worden overschreden.

2.4.1.    Ter voorkoming dan wel beperking van geluidhinder heeft verweerder onder andere de volgende voorschriften aan de vergunning verbonden.

   In voorschrift 5.1.1 zijn voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau ter plaatse van de gevel van de woning aan de [locatie] grenswaarden gesteld van 40 dB(A), 35 dB(A) en 30 dB(A) voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.

   Uit voorschrift 5.1.2 volgt dat voor het piekgeluidniveau voor de woning aan de [locatie] grenswaarden zijn gesteld van 50 dB(A), 45 dB(A) en 40 dB(A) in de dag-, avond- en nachtperiode.

2.4.2.    Uit de aanvraag, die onderdeel uitmaakt van het bestreden besluit, volgt dat het merendeel van de aangevraagde activiteiten in de dagperiode plaatsvindt. Voorts blijkt uit de aanvraag dat tweemaal daags in de nachtperiode de pompen en de voervijzels in werking zijn. Verder vindt in de avond- en nachtperiode één aan- en afvoerbeweging plaats met de tractor. Uit de aanvraag is voorts gebleken dat vier keer per jaar gedurende twee uur in de nachtperiode aan- en afvoerbewegingen plaatsvinden ten behoeve van het verladen van vee. Bij de aanvraag is geen akoestisch rapport gevoegd.     Vaststaat dat verweerder geen onderzoek heeft verricht naar de geluidbelasting ten gevolge van de activiteiten op de kalvermesterij en de daarmee gepaard gaande vervoersbewegingen. Verder blijkt uit de stukken dat de woning [locatie] op circa 17 meter van de grens van de inrichting is gelegen en op circa 38 meter van de inrit van de onderhavige inrichting.

   Gelet op de aard van voornoemde activiteiten, met name de activiteiten die plaatsvinden in de avond- en nachtperiode alsmede de afstand tot de woning [locatie] en in het bijzonder de hoogte van de piekgeluidgrenswaarden, is het niet zonder meer uitgesloten dat niet aan de in de vergunning opgenomen grenswaarden kan worden voldaan. Nu verweerder heeft nagelaten hiernaar onderzoek te verrichten, is de Afdeling van oordeel dat het bestreden besluit in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht onzorgvuldig is voorbereid.

2.5.    Het beroep, voorzover ontvankelijk, is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd. In verband hiermee behoeven de overige gronden geen bespreking.

2.6.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep ingediend door [appellant], voorzover het de gronden betreft inzake de strijd met het Besluit melkrund-veehouderijen milieubeheer, het gemeentelijk- en provinciaal beleid, de schatting van het energieverbruik, het waterverbruik, de opslag van afvalstoffen op het terrein van de inrichting, de aard van de vergunde activiteiten, het gebruik van klinkers als verhardings-materiaal en de voorschriften 1.1.4 en 3.1.1, en het beroep ingediend door de overige appellanten, voorzover het de gronden betreft inzake de strijd met het Besluit melkrundveehouderijen milieubeheer en de schatting van het energieverbruik, niet-ontvankelijk;

II.    verklaart het beroep voor het overige gegrond;

III.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Grootegast van 2 november 2004;

IV.    gelast dat de gemeente Grootegast aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 136,00 (zegge: honderdzesendertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.R. Schaafsma, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, ambtenaar van Staat.

w.g. Schaafsma    w.g. De Vink

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2005

154-399.