Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT9282

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-07-2005
Datum publicatie
13-07-2005
Zaaknummer
200407360/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 11 december 2000 heeft de Directeur-Generaal van de Volkshuisvesting voor de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Staatssecretaris) aan appellant meegedeeld dat hij niet in aanmerking komt voor kwijtschelding van zijn huursubsidieschuld in verband met teveel verstrekte huursubsidie over het tijdvak 1 juli 1994 - 1 juli 1995 of opschorting van de incasso ervan, en de betalingsverplichting van appellant vastgesteld op ƒ 58,00 (€ 26,32) per maand, gedurende twaalf maanden, ingaande 25 januari 2001.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2006, 178 met annotatie van N. Verheij
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200407360/1.

Datum uitspraak: 13 juli 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 23 juli 2004 in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.

1.    Procesverloop

Bij brief van 11 december 2000 heeft de Directeur-Generaal van de Volkshuisvesting voor de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Staatssecretaris) aan appellant meegedeeld dat hij niet in aanmerking komt voor kwijtschelding van zijn huursubsidieschuld in verband met teveel verstrekte huursubsidie over het tijdvak 1 juli 1994 - 1 juli 1995 of opschorting van de incasso ervan, en de betalingsverplichting van appellant vastgesteld op ƒ 58,00 (€ 26,32) per maand, gedurende twaalf maanden, ingaande 25 januari 2001.

Bij besluit van 18 september 2003 heeft het Hoofd Unit Correspondentie namens de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Minister) het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 juli 2004, verzonden op 26 juli 2004, heeft de rechtbank Breda (hierna: de rechtbank), voorzover hier van belang, het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen ervan in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 september 2004, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 1 november 2004 heeft de Minister van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 januari 2005, waar appellant in persoon en de Minister, vertegenwoordigd door mr. W.G.G. Jepma, werkzaam bij het ministerie, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Bij besluit van 2 juli 1996 is de aan appellant toegekende huursubsidie over de periode 1 juli 1994 t/m 30 juni 1995 gewijzigd vastgesteld op ƒ 1.440,00 (€ 653,44) en is een bedrag van ƒ 780,00 (€ 353,95) teruggevorderd. Daarbij is vermeld dat appellant bericht ontvangt van het ministerie over de terugbetaling. Tegen dit besluit is geen rechtsmiddel aangewend. De lagere vaststelling en de terugvordering van het teveel betaalde bedrag bij het besluit van 2 juli 1996 vormen thans een gegeven. Voorzover appellant betoogt dat hij indertijd geen onjuiste gegevens heeft verstrekt en dat daarom ten onrechte tot terugvordering is besloten, kan dat in de onderhavige procedure niet aan de orde komen.

   Naar aanleiding van een door appellant opgestuurd formulier Financiële Positie heeft de Staatssecretaris vervolgens bij beslissing van 8 november 1996 voor onder meer de betaling van bovengenoemde schuld voor een jaar uitstel van betaling verleend. In verband met de financiële situatie van appellant is ook nadien uitstel van betaling verleend. Aan de hand van een nieuw opgestuurd formulier Financiële Positie heeft de Staatssecretaris op 11 december 2000 aan appellant meegedeeld dat hij niet in aanmerking komt voor kwijtschelding van het restant van de huursubsidieschuld of opschorting van de incasso ervan, en de betalingsverplichting van appellant vastgesteld op ƒ 58,00 (€ 26,32) per maand, gedurende twaalf maanden, ingaande 25 januari 2001. De Minister heeft dit standpunt bij de thans bestreden beslissing op bezwaar van 18 september 2003 gehandhaafd.

2.2.    De rechtbank heeft de beslissing op bezwaar vernietigd in verband met een mandaatgebrek. Die vernietiging is thans niet in geding. Het geschil in hoger beroep is beperkt tot het in stand laten door de rechtbank van de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit.

2.3.    De Afdeling ziet zich ambtshalve gesteld voor de vraag of in de brief van 11 december 2000 een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is vervat, waartegen op grond van die wet bezwaar en beroep openstaat.

   Ingevolge die bepaling wordt onder een besluit een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling, verstaan.

2.3.1.    Ingevolge artikel 22 van de in de onderhavige zaak nog van toepassing zijnde Wet individuele huursubsidie wordt in de gevallen, waarin omtrent de verstrekking van de bijdrage is beslist met in aanmerking neming van gegevens, die afwijken van de gegevens, die ingevolge deze wet in aanmerking moeten worden genomen, omtrent verstrekking van een bijdrage niet later nader beslist dan vijf jaren na afloop van het tijdvak, waarvoor de bijdrage is verstrekt. Bij de nadere beslissing worden mede vastgesteld het bedrag dat betrokkene als gevolg van de nadere vaststelling aan de Staat verschuldigd is en de termijn waarbinnen betaling van het verschuldigde bedrag moet hebben plaatsgevonden.

   Ingevolge het derde lid van artikel 36 van de huidige Huursubsidiewet - in werking getreden op 1 juli 1997 - kan bij herziening van de subsidietoekenning de ten onrechte of te veel uitbetaalde huursubsidie van de huurder worden teruggevorderd, of worden verrekend met aanspraken op huursubsidie van de huurder. De Minister stelt de hoogte van het terug te vorderen of te verrekenen bedrag en de wijze van terugvordering of verrekening vast.

   Uit deze bepalingen volgt dat de beslissing over de terugvordering moet worden genomen tegelijk met de beslissing over de nadere vaststelling van de huursubsidie. De beslissing tot terugvordering maakt deel uit van de publiekrechtelijke bevoegdheid tot het vaststellen van de betalingsverplichting. Beslissingen over de wijze van (terug)betaling, waaronder begrepen beslissingen over kwijtschelding of het treffen van een betalingsregeling, zijn dermate nauw met de terugvordering verweven, dat zij eveneens deel uitmaken van de publiekrechtelijke bevoegdheid tot het vaststellen van de betalingsverplichting. Dat geldt ook indien die beslissingen niet tegelijk met het terugvorderingsbesluit zelve worden genomen maar afzonderlijk en op een later moment, bijvoorbeeld naar aanleiding van een opgestuurd formulier omtrent de financiële positie van de betrokkene, zoals hier aan de orde. Zij hebben gevolgen voor de - publiekrechtelijke - betalingsverplichting. Beslissingen betreffende de terugvordering en daarvan afgeleide beslissingen vormen derhalve besluiten in de zin van de Awb, waartegen in beginsel de rechtsmiddelen van die wet openstaan. Zodra de betalingsverplichting en de - wijze van - betaling echter vast staan, vallen vervolgbeslissingen onder het invorderingstraject. Daartegen staat dan geen beroep open bij de bestuursrechter. In de huursubsidiewetgeving is voorzien in een eigen invorderingstraject.

2.3.2.    Uit het vorenoverwogene volgt dat in de brief van 11 december 2000 een besluit als bedoeld in de Awb vervat is, zodat het daartegen gemaakte bezwaar terecht ontvankelijk is geacht en de Afdeling toekomt aan de vraag of de rechtbank op inhoudelijke gronden terecht de rechtsgevolgen van de vernietigde beslissing op bezwaar in stand heeft gelaten.

2.4.    De rechtbank is op goede gronden tot het juiste oordeel gekomen dat de Minister zich bij de vaststelling van een terugbetalingsregeling heeft kunnen baseren op het voor appellant geldende bestaansminimum en zich op het standpunt heeft mogen stellen dat het daarboven ontvangen bedrag bestemd kan worden voor de afbetaling van schulden en dat, nu het bestaan van de door appellant gestelde schuld geenszins met bewijsstukken aannemelijk is gemaakt, de Minister in dit geval in redelijkheid heeft kunnen besluiten dat het totale bedrag dat appellant ontvangt boven het bestaansminimum kan worden aangewend voor de afbetaling van de huursubsidieschuld. De rechtbank heeft eveneens met juistheid geoordeeld dat de weigering om de schuld kwijt te schelden past binnen het door de Minister terzake gevoerde beleid, dat dit beleid niet onredelijk is te achten en dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden die tot afwijking van dit beleid nopen.

   Wat de voor het eerst bij zijn hoger-beroepschrift door appellant overgelegde stukken betreft, merkt de Afdeling op dat deze niet zien op de financiële positie van appellant ten tijde van het nemen van de beslissing op bezwaar en reeds daarom in deze procedure buiten beschouwing dienen te worden gelaten.

   Naar aanleiding van de overweging van de rechtbank dat de lange beslistermijn omtrent de terugvordering geen reden is daarvan af te zien, overweegt de Afdeling dat van 1996 tot het besluit van 11 december 2000 steeds op verzoek van appellant uitstel van betaling is verleend in verband met diens financiële situatie en dat de procesgang daarna niet zodanig lang is dat hieraan consequenties zouden moeten worden verbonden.

2.5.    Uit het vorenoverwogene volgt dat het hoger beroep ongegrond is. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink    w.g. Dallinga

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2005

18(-209).