Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT9279

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-07-2005
Datum publicatie
13-07-2005
Zaaknummer
200500767/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 mei 2003  heeft het college van burgemeester en wethouders van Skarsterlân (hierna: het college) het verzoek afgewezen van appellante om handhavend op te treden tegen de illegaal gewijzigde dakkapel aan de achterzijde van de woning [locatie] te [plaats] van [partij].

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 7:15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2005/257

Uitspraak

200500767/1.

Datum uitspraak: 13 juli 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. 04/215 GEMWT van de rechtbank Leeuwarden van 15 december 2004 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Skarsterlân.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 16 mei 2003  heeft het college van burgemeester en wethouders van Skarsterlân (hierna: het college) het verzoek afgewezen van appellante om handhavend op te treden tegen de illegaal gewijzigde dakkapel aan de achterzijde van de woning [locatie] te [plaats] van [partij].

Bij besluit van 6 augustus 2003 heeft het college aan [partij] bouwvergunning verleend voor wijziging van de dakkapel aan de achterzijde van haar woning.

Bij besluit van 22 december 2003  heeft het college het door appellante bij afzonderlijke brieven gemaakte bezwaar tegen de besluiten van 16 mei 2003 en 6 augustus 2003 ongegrond verklaard.

Bij besluit van 7 mei 2004 heeft het college met toepassing van artikel 59, eerste lid, onder e, van de Woningwet de bij besluit van 6 augustus 2003 verleende bouwvergunning voor wijziging van de dakkapel aan de achterzijde van de woning van [partij] ingetrokken.

Bij besluit van 15 juni 2004 heeft het college aan [partij] bouwvergunning verleend voor een kleinere dakkapel aan de achterzijde van haar woning.

Bij uitspraak van 15 december 2004, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het door appellante tegen het besluit van 22 december 2003 ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 24 januari 2005, bij de Raad van State ingekomen op 25 januari 2005, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 21 februari 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 14 maart 2005 heeft het college van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellante. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 mei 2005, waar appellante in persoon, bijgestaan door mr. J. Nijenhuis, advocaat te Heerenveen, en het college, vertegenwoordigd door C.L. de Hoop-Dijkstra, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    In het hoger beroep richt appellante zich tegen de aangevallen uitspraak voorzover de rechtbank daarbij niet heeft beslist op haar verzoek om het college te veroordelen tot vergoeding aan haar van de kosten van rechtsbijstand met betrekking tot zowel het bezwaarschrift tegen het besluit van 16 mei 2003 tot afwijzing van het verzoek om handhavend op te treden tegen de illegaal gewijzigde dakkapel aan de achterzijde van de woning van [partij], als het bezwaarschrift tegen de aan [partij] bij besluit van 6 augustus 2003 verleende bouwvergunning voor wijziging van de dakkapel aan de achterzijde van haar woning. Appellante heeft er op gewezen dat zij in beide bezwaarschriften ook al om vergoeding van deze kosten had verzocht, maar dat het college daarop in de beslissing op bezwaar niet is ingegaan.

2.2.    Het betoog van appellante dat de rechtbank heeft miskend dat zij belang heeft bij haar beroep voorzover dat was gericht tegen het niet vergoeden van de kosten van rechtsbijstand in de bezwarenprocedures slaagt. De rechtbank had zich daarover dienen uit te spreken, zodat voor een niet-ontvankelijkverklaring van het beroep geen grond bestaat.

2.3.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling het beroep van appellante voorzover betrekking hebbend op bovengenoemde kosten alsnog ongegrond verklaren. Daartoe overweegt de Afdeling dat ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht de kosten in bezwaar uitsluitend worden vergoed voorzover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuur te wijten onrechtmatigheid. Van een dergelijke herroeping van de besluiten van 16 mei 2003 en 6 augustus 2003 is geen sprake.

2.4.    Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 15 december 2004, 04/215 GEMWT;

III.    verklaart het door appellante bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

IV.    veroordeelt het college tot vergoeding van bij appellante in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Skarsterlân aan appellante onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

V.    gelast dat de gemeente Skarsterlân aan appellante het door haar voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 205,00 (zegge: tweehonderdvijf euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.A.A.M. Boot, ambtenaar van Staat.

w.g. Claessens    w.g. Boot

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2005

202.