Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT9278

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-07-2005
Datum publicatie
13-07-2005
Zaaknummer
200409570/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 februari 2003 heeft de raad van de gemeente Mook en Middelaar (hierna: de gemeenteraad) een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) genomen voor onder meer de percelen, sectie A, nrs. 2741, 5951, 3386, 3378 gelegen aan de Lierweg te Molenhoek, gemeente Mook en Middelaar. Tevens heeft de gemeenteraad in dit besluit voor genoemde percelen een aanlegvergunningstelsel opgenomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200409570/1.

Datum uitspraak: 13 juli 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. 04/372 WRO K1 van de rechtbank Roermond van 13 oktober 2004 in het geding tussen:

appellant

en

de raad van de gemeente Mook en Middelaar.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 27 februari 2003 heeft de raad van de gemeente Mook en Middelaar (hierna: de gemeenteraad) een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) genomen voor onder meer de percelen, sectie A, nrs. 2741, 5951, 3386, 3378 gelegen aan de Lierweg te Molenhoek, gemeente Mook en Middelaar. Tevens heeft de gemeenteraad in dit besluit voor genoemde percelen een aanlegvergunningstelsel opgenomen.

Bij besluit van 19 februari 2004 heeft de gemeenteraad, voor zover hier van belang, het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 oktober 2004, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Roermond (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 24 november 2004, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 22 december 2004. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 18 januari 2005 heeft de gemeenteraad van antwoord gediend.

Bij brief van 10 mei 2005 is een nader stuk ontvangen van appellant. Deze is aan de gemeenteraad toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 mei 2005, waar appellant in persoon, bijgestaan door A.A.T. Stoffels, gemachtigde, en de gemeenteraad, vertegenwoordigd door A.W. Peters-Sengers, ambtenaar bij de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 21, eerste lid, van de WRO, voorzover hier van belang, kan de gemeenteraad verklaren, dat een bestemmingsplan wordt voorbereid (voorbereidingsbesluit).

   Ingevolge het derde lid van dit artikel kunnen bij een voorbereidingsbesluit voorschriften als bedoeld in artikel 14 van deze wet worden gegeven voor zover zulks noodzakelijk is om te voorkomen, dat een terrein minder geschikt wordt voor de verwerkelijking van een daaraan bij het plan gegeven bestemming.

2.2.    Vooropgesteld wordt dat de gemeenteraad bij de beslissing om al dan niet een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de WRO te nemen een grote mate van beleidsvrijheid heeft. Een dergelijke beslissing is immers in belangrijke mate afhankelijk van de inzichten die bij het bestuursorgaan bestaan over de wenselijke planologische ontwikkelingen. Derhalve dient de rechter een zodanige beslissing terughoudend te toetsen.

2.2.1.    Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de gemeenteraad niet in redelijkheid tot het nemen van een voorbereidingsbesluit heeft kunnen overgaan, omdat naar zijn mening in het gebied waarin de percelen - die hij in gebruik heeft ten behoeve van de exploitatie van een melkrundveebedrijf - zijn gelegen geen bijzondere, te beschermen natuurwaarden aanwezig zijn. Appellant betoogt daartoe dat de rapporten die de gemeenteraad aan zijn besluit ten grondslag heeft gelegd ontoereikend zijn. Ter onderbouwing van zijn betoog heeft appellant een rapport van prof. dr. J. Sevink van juni 2004 overgelegd.

2.2.2.    Dit betoog faalt. De gemeenteraad heeft de aanwezigheid van natuurwaarden in het gebied waarbinnen de percelen zijn gesitueerd gebaseerd op het rapport "Landschapsecologische visie Molenhoek" van Grontmij van 4 februari 2002. De paragraaf "actuele natuurwaarden" van dit rapport is als bijlage bij het voorbereidingsbesluit gevoegd. Hierin is vermeld dat onder meer het jarenlange extensieve beheer in het desbetreffende gebied ertoe heeft geleid dat het gebied een geschikte standplaats is geworden voor plantensoorten. Het gaat om een groot aantal algemene soorten en ook om meerdere beschermde en/of bedreigde soorten. Voorts is hierin vermeld dat de planten in het gebied een breed scala aan insecten aantrekken die op hun beurt stapelvoedsel vormen voor een groot aantal vogelsoorten, zoogdieren en reptielen. In de inventarisatielijst "waarnemingen 2001-2002" die de gemeenteraad eveneens aan het voorbereidingsbesluit ten grondslag heeft gelegd is een opsomming gegeven van de flora en fauna die in het desbetreffende gebied voorkomen.

    Gelet op de mededelingen hierin met betrekking tot in het gebied voorkomende dan wel waargenomen planten en diersoorten, waaronder bedreigde, is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat de gemeenteraad tot uitgangspunt heeft kunnen nemen dat er te beschermen natuurwaarden in het gebied waarbinnen de percelen zijn gesitueerd aanwezig zijn. Het door appellant overgelegde rapport leidt niet tot een ander oordeel, nu uit dit rapport eveneens kan worden afgeleid dat er in het desbetreffende gebied te beschermen natuurwaarden voorkomen. Dit brengt de Afdeling met de rechtbank tot het oordeel dat de planologische afweging die aan het nemen van het voorbereidingsbesluit ten grondslag is gelegd, de rechterlijke toets kan doorstaan.

2.3.    Voorts betoogt appellant dat de rechtbank heeft miskend dat het agrarisch gebruik als gevolg van het aanlegvergunningstelsel onredelijk wordt belemmerd.

2.3.1.    Ook dit betoog faalt. Het in het voorbereidingsbesluit opgenomen aanlegvergunningenstelsel strekt, overeenkomstig artikel 21, derde lid, van de WRO, ertoe om te voorkomen dat een perceel minder geschikt wordt voor de verwerkelijking van de daaraan bij het toekomstige bestemmingsplan te geven bestemming. Hoewel bij het voorbereidingsbesluit nog geen bestemming aan de onderhavige percelen is gegeven, is de gemeenteraad voornemens de aanwezige natuurwaarden in het gebied in het toekomstige bestemmingsplan te beschermen. Uit een oogpunt van bescherming van de verwerkelijking van dit toekomstige regime heeft de gemeenteraad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een beperking in de agrarische bedrijfsvoering van appellant gerechtvaardigd is.

    De rechtbank is derhalve terecht tot het oordeel gekomen dat de gemeenteraad een aanlegvergunningenstelsel heeft kunnen koppelen aan het voorbereidingsbesluit.

2.4.    Het betoog van appellant dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet is gebleken dat de gemeenteraad zijn bevoegdheid tot het nemen van het voorbereidingsbesluit voor een ander doel heeft aangewend dan waarvoor deze is gegeven, faalt evenzeer. Ook de Afdeling is van oordeel dat niet is gebleken dat de gemeenteraad ooit voornemens is geweest om ter plaatse woningbouw te realiseren en dat het voorbereidingsbesluit uitsluitend is genomen om, vooruitlopend op een herziening van het bestemmingsplan, de aanwezige natuurwaarden te beschermen.

2.5.    Appellant betoogt ten slotte tevergeefs dat de rechtbank het college ten onrechte niet heeft veroordeeld tot vergoeding van de gestelde schade, nu appellant als grondslag voor de door hem gestelde schade uitsluitend de onrechtmatigheid van het bestreden besluit aanvoert. Schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht kan alleen bij een gegrondverklaring van het beroep worden toegewezen. Nu het beroep van appellant terecht ongegrond is verklaard, komt hem geen geslaagd beroep op artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht toe.

2.6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. F.P. Zwart, Voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. D. Roemers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, ambtenaar van Staat.

w.g. Zwart    w.g. Van Roosmalen

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2005

53-430.