Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT9264

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-07-2005
Datum publicatie
13-07-2005
Zaaknummer
200408576/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 augustus 2004, no. 2004-2676, heeft verweerder een vergunning onder voorschriften krachtens de Ontgrondingenwet verleend aan de raad van het stadsdeel Amsterdam-Zuidoost (hierna: de stadsdeelraad) voor het uitvoeren van ontgrondingen op drie percelen, kadastraal bekend gemeente Weesperkarspel, sectie WPK02, nrs. 7463, 7666 en 7665, plaatselijk bekend 's-Gravendijkdreef, Geerdinkhofweg en Bijlmerdreef.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200408576/1.

Datum uitspraak: 13 juli 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid "Groot-Geerdinkhof, vereniging van huiseigenaren", gevestigd te Amsterdam en anderen,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 30 augustus 2004, no. 2004-2676, heeft verweerder een vergunning onder voorschriften krachtens de Ontgrondingenwet verleend aan de raad van het stadsdeel Amsterdam-Zuidoost (hierna: de stadsdeelraad) voor het uitvoeren van ontgrondingen op drie percelen, kadastraal bekend gemeente Weesperkarspel, sectie WPK02, nrs. 7463, 7666 en 7665, plaatselijk bekend 's-Gravendijkdreef, Geerdinkhofweg en Bijlmerdreef.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 20 oktober 2004, bij de Raad van State ingekomen op 21 oktober 2004, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 17 november 2004.

Verweerder heeft met een nader ingekomen stuk, gedateerd 21 januari 2005, een reactie op het beroep gegeven. De stadsdeelraad heeft dit bij brief gedateerd 27 december 2004 eveneens gedaan.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten en van de stadsdeelraad. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 mei 2005, waar (een aantal) appellanten in persoon en bijgestaan door mr. F.J.A. van Ooijen, advocaat te Amsterdam, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. S.M.C. Rooijers, ambtenaar der provincie, zijn verschenen. Tevens is daar gehoord de stadsdeelraad, vertegenwoordigd door mr. I.H. van den Berg, advocaat te Amsterdam en drs. R.A.M. Leferink, ambtenaar der gemeente.

2.    Overwegingen

Doel van de vergunning en ontvankelijkheid

2.1.    De vergunning ziet op het afgraven tot maaiveldhoogte van het 3,5 meter hoge dreeflichaam van de Bijlmerdreef vanaf het metrostation Ganzenhoef overgaand in de 's-Gravendijkdreef tot aan de brug ter hoogte van de Bijlmerweide en ongeveer 200 meter van de Geerdinkhofweg vanaf de aansluiting op de 's-Gravendijkdreef.

2.2.    Verweerder en de stadsdeelraad hebben de ontvankelijkheid van een aantal appellanten betwist.

2.2.1.    Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Ontgrondingenwet kan een belanghebbende tegen een besluit als hier in geding beroep instellen bij de Afdeling.

   Onder belanghebbende wordt blijkens artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Uit het derde lid van dit artikel volgt dat ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen tevens worden beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

   Zoals de Afdeling eerder heeft geoordeeld, bijvoorbeeld in haar uitspraak van 21 januari 2004, in zaak no. 200304188/1, moet het bij de belangen van een rechtspersoon als bedoeld in artikel 1:2, derde lid, van de Awb gaan om een aan de statutaire doelstelling ontleend collectief belang, dat door een besluit direct wordt of dreigt te worden aangetast, waarbij dat belang los kan worden gezien van dat van de individuele leden, en waarvan de behartiging de trekken dient te vertonen van behartiging van boven-individuele belangen.

2.2.2.    De vereniging "Groot-Geerdinkhof", vereniging van huiseigenaren" is een rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging die krachtens de in artikel 2 van haar statuten vermelde doelstelling - zoals die luidt sinds 16 oktober 2003 - onder meer het belang behartigt van het beschermen, handhaven en zo mogelijk verbeteren van de kwaliteit van de leef- en woonomgeving en van de milieu-, natuur- en ruimtelijke kwaliteit, een en ander in de ruimste zin, in de wijk Geerdinkhof te Amsterdam en de omringende omgeving. De vereniging tracht dit doel blijkens het derde lid van artikel 2 van haar statuten onder meer te bereiken door het (doen) voeren van bestuursrechtelijke procedures, met afgedekte middelen, namens de leden, maar tevens op eigen naam, een en ander in de ruimste zin.

   De Afdeling is van oordeel dat in deze doelstelling een collectief belang ligt besloten - het voorkomen van een ongewenst geachte ontwikkeling in de woonomgeving van de bewoners - dat door het besluit van verweerder direct wordt of dreigt te worden aangetast en waarvan de behartiging de behartiging van de individuele leden te boven gaat. De stelling van verweerder en de stadsdeelraad dat het beroep voor zover het mede is ingesteld door deze appellante desondanks niet ontvankelijk is, omdat alleen natuurlijke personen die ten minste één woning gelegen op Geerdinkhof (mede) in eigendom en/of erfpacht hebben, lid van appellante kunnen zijn, faalt. Blijkens het derde lid van artikel 1:2 van de Awb gaat het alleen om het belang zoals dat krachtens de statutaire doelstelling wordt behartigt.

Voor zover het beroep mede is ingesteld door deze appellante is dit dan ook ontvankelijk.

2.2.3.    Voor zover het beroep mede is ingesteld door [appellant A], [appellant B], [appellant C], [appellant D], [appellant E], [appellant F], [appellanten G], [appellant H] en door de - op bijlage 2 bij het beroepschrift vermelde - bewoners van woningen in de wijk Geerdinkhof, de Groenhoven en de Gouden Leeuw, overweegt de Afdeling dat een appellant om belanghebbende te zijn bij een besluit als hier in geding een hem persoonlijk aangaand belang dient te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen. In de regel kan slechts als belanghebbende worden aangemerkt degene die op geringe afstand van de te ontgronden percelen woont of vanuit zijn woning daarop zicht heeft.

De Afdeling is ten aanzien van de in het beroepschrift vermelde appellanten [appellant A], [appellant B], [appellant C], [appellant E], [appellant F] en [appellant H] gebleken dat zij vanuit hun woning zicht hebben op de ontgrondingslocatie en dat die woningen op geringe afstand van die locatie staan. Die appellanten kunnen derhalve als belanghebbende worden aangemerkt.

De woningen van de appellanten [appellanten G] en [appellant D] staan op ongeveer 200 meter afstand van die locatie en geven daarop niet of nauwelijks zicht. Van een ander persoonlijk belang van deze appellanten dat hen in voldoende mate onderscheidt van anderen en rechtstreeks is betrokken bij het bestreden besluit is niet gebleken. Het beroep voor zover dat is ingesteld door de appellanten [appellanten G] en [appellant D] is dan ook niet-ontvankelijk.

   Van de appellanten die vermeld staan op bijlage 2 bij het beroepschrift en die appartementen in de woontorens Groenhoven en Gouden Leeuw bewonen met een huisnummer boven de 300 is de Afdeling gebleken dat die appartementen op ruime afstand van de ontgrondingslocatie staan en dat vanuit die appartementen geen dan wel nauwelijks zicht op die locatie mogelijk is. Van een ander persoonlijk belang dat hen in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks is betrokken bij het bestreden besluit is ten aanzien van de appellanten die deze appartementen bewonen evenmin gebleken. Het beroep voor zover ingesteld door die appellanten is dan ook niet-ontvankelijk.

Van de appellanten die vermeld staan op bijlage 2 bij het beroepschrift en die woningen bewonen in de wijk Geerdinkhof is de Afdeling gebleken dat de woningen van appellanten met een huisnummer van 33 tot en met 36, 61 tot en met 65, en 87 en hoger op ruime afstand van de ontgrondingslocatie staan en dat vanuit die woningen geen zicht bestaat op die locatie. Van een ander persoonlijk belang dat hen in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks is betrokken bij het bestreden besluit is ten aanzien van de appellanten die deze woningen bewonen evenmin gebleken. Het beroep voor zover ingesteld door die appellanten is dan ook niet-ontvankelijk.

De overige appellanten op genoemde lijst bewonen woningen die op geringe afstand van de ontgrondingslocatie staan en zijn mitsdien ontvankelijk in hun beroep.

Procedurele aspecten.

2.3.    Appellanten betwijfelen of het bestreden besluit door de juiste personen is ondertekend. Zij stellen dat de eerdere besluiten in mandaat door ambtenaren waren getekend.

   Het bestreden besluit is op de in artikel 74 en artikel 102 van de Provinciewet voorgeschreven wijze ondertekend door de commissaris van de Koningin en de secretaris van de provincie. Dat eerdere besluiten in mandaat door ambtenaren zijn ondertekend, laat onverlet dat ingevolge artikel 10:7 van de Awb de mandaatgever bevoegd blijft de gemandateerde bevoegdheid (zelf) uit te oefenen. Dit betoog faalt derhalve.

2.3.1.    Ook faalt het betoog dat het besluit niet op de juiste wijze tot stand is gekomen, omdat de ambtenaar die betrokken is geweest bij het opstellen van de ontwerptekst geen eigen onderzoek heeft gedaan maar is afgegaan op informatie van de stadsdeelraad, appellanten niet in de gelegenheid heeft gesteld om te worden gehoord, en vervolgens verweerder geen zelfstandige belangenafweging heeft verricht. Niet is betwist dat het besluit is voorbereid met toepassing van de procedure als beschreven in afdeling 3.5 van de Awb en dat appellanten in die procedure in de gelegenheid zijn gesteld hun standpunt kenbaar te maken. Er is geen aanknopingspunt dat verweerder bij het nemen van het besluit geen eigen afweging van de belangen heeft gemaakt.

2.3.2.    Appellanten betogen tevergeefs dat de ontgrondingsvergunning niet had mogen worden verleend, nu de bestemmingsplanprocedure nog gaande is en het, gezien de weerstand tegen delen van het (voor)ontwerpbestemmingsplan, lang zal duren voordat een nieuw bestemmingsplan onherroepelijk zal zijn. Artikel 10, achtste lid, van de Ontgrondingenwet bepaalt - voor zover hier van belang - dat een vergunning niet wordt verleend indien de beoogde ontgronding in strijd zou zijn met een bestemmingsplan, een ter inzage gelegd ontwerp van een herziening van een bestemmingsplan of een geldend voorbereidingsbesluit ter zake, tenzij de raad van de betrokken gemeente heeft meegedeeld planologische medewerking te zullen verlenen. Onder "raad" in deze bepaling dient, nu het gebied in de gemeente Amsterdam ligt en gelet op artikel 28 van de Verordening op de Stadsdeelraden van deze gemeente, de stadsdeelraad te worden verstaan. Reeds in haar uitspraak van 10 december 2003, no. 200206026/1, heeft de Afdeling geoordeeld dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de stadsdeelraad planologische medewerking zal verlenen aan de ontgronding. Overigens is gebleken dat de stadsdeelraad werkt aan de terinzagelegging van een ontwerp-bestemmingsplan dat de ontgronding mogelijk maakt en dat een voorbereidingsbesluit is genomen om het nemen van een vrijstellingsbesluit als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening voor het verlagen van de dreven mogelijk te maken. Gelet hierop is het bestreden besluit niet in strijd met artikel 10, achtste lid, van de Ontgrondingenwet genomen. Dat verweerder aan het besluit het voorschrift heeft verbonden, dat met de ontgronding niet mag worden begonnen, voordat een door de stadsdeelraad te nemen besluit dat de ontgronding planologisch mogelijk maakt in werking is getreden, leidt - anders dan appellanten betogen - niet tot een ander oordeel. Dit vergunningvoorschrift ziet enkel op het tijdstip waarop van de vergunning gebruik mag worden gemaakt.

2.3.3.    Voor zover appellanten stellen dat de aanvraag en het ontwerpbesluit niet met elkaar in overeenstemming zijn, kan dit niet tot vernietiging van het - daarna genomen - bestreden besluit leiden. Voor zover appellanten tevens beogen te stellen dat de aanvraag en het bestreden besluit niet met elkaar in overeenstemming zijn wat betreft de vermelding van de bestemming van de percelen, faalt ook dit betoog, nu is gesteld noch gebleken dat in de vergunning percelen zijn vermeld die niet voorkomen in de aanvraag. Ook de omstandigheid dat de aanvrager het afgraven van de plateaus voor de woontorens van de Gouden Leeuw en Groenhoven en van een deel van het talud in de buitenbocht van de 's-Gravendijkdreef naar de Bijlmerdreef alsnog buiten de aanvraag heeft gehouden, kan niet tot vernietiging leiden. Het staat de aanvrager vrij een deel van de aanvraag in te trekken.

Belangenafweging.

2.4.    Artikel 10, zevende lid, van de Ontgrondingenwet schrijft voor dat een ontgrondingsvergunning wordt verleend na afweging van alle in artikel 3, tweede lid, bedoelde belangen. Artikel 3, tweede lid, van deze wet bepaalt dat aan een vergunning voorschriften kunnen worden verbonden ter bescherming van alle bij een ontgronding betrokken belangen alsmede ter bevordering en bescherming van belangen, betrokken bij de herinrichting van de ontgronde onroerende zaken en de aanpassing van de omgeving van de ontgronde onroerende zaken.

   Uit deze bepaling volgt dat verweerder andere dan de hiervoor genoemde belangen niet bij zijn besluitvorming behoefde te betrekken.

2.4.1.    Appellanten betogen dat de wijken Gouden Leeuw, Groenhoven en Geerdinkhof geen onderdeel zijn van het Bijlmer vernieuwingsgebied, zodat de ontgronding zonder doel plaatsvindt, de vernieuwing ook met handhaving van de hoge dreven kan plaatsvinden, de barrièrewerking in dit geval geen argument is om tot verlaging over te gaan, de sociale veiligheid niet in geding is en hoge dreven niet tot meer bouwvolume zullen leiden. Verlaging van de dreven zal, aldus appellanten, de architectonische waarde aantasten van de woontorens van de Groenhoven en de Gouden Leeuw alsmede de inrichting van de wijk Geerdinkhof.

   Niet in geschil is dat het Structuurplan Amsterdam van 26 maart 2003 de woongebieden van de Bijlmermeer beschrijft als te herstructureren gebieden met een verdichting in de bestaande woongebieden en met een nieuwe wegennet structuur. De verhoogde dreven ten oosten van de Gooise weg (met uitzondering van de Daalwijkdreef) worden in het - op hoofdlijnen in dit structuurplan opgenomen en aan dit structuurplan ten grondslag liggende - Finale Plan van Aanpak Bijlmermeer verlaagd tot maaiveldniveau met als doel de wegstructuur in te passen in het nieuwe stedelijke concept, de sociale veiligheid te vergroten, het beheer van de open ruimte te verbeteren en een stedenbouwkundige en landschappelijke eenheid te bereiken. Met dit structuurplan is de oorspronkelijke opzet van de Bijlmermeer zoals vastgelegd in het geldende bestemmingsplan verlaten. Niet aannemelijk is gemaakt dat verweerder dit ruimtelijk beleid, voor zover dat betrekking heeft op het verlagen van de dreven, als onredelijk had moeten afwijzen.

Verder vallen de in geding zijnde dreeflichamen binnen de plangrenzen van het stedenbouwkundig programma van eisen Grunder-Grubbenhoeve van 23 september 2003, dat als zodanig ook zal worden opgenomen in het ontwerp bestemmingsplan "De Nieuwe Bijlmer". De stadsdeelraad beoogt blijkens dit stedenbouwkundig programma van eisen een stadsstraat te realiseren om de stedelijke samenhang tussen het gebied 'binnen de dreven' en 'buiten de dreven' te bevorderen. Dit heeft onder meer verlaging van de dreven, reductie van de rijstroken voor autoverkeer en woonbebouwing langs die straat tot gevolg. De verlaging van de in geding zijnde dreven maakt derhalve - anders dan appellanten doen voorkomen - wel deel uit van het Bijlmer vernieuwingsgebied en is daarmee in overeenstemming. De omstandigheid dat het woongebied van appellanten buiten de plangrens van het stedenbouwkundig programma van eisen Grunder-Grubbenhoeve valt en naar ter zitting is gemeld met een uit te werken woonbestemming in het ontwerp bestemmingsplan "De Nieuwe Bijlmer" zal worden opgenomen, leidt niet tot een ander oordeel. Verweerder heeft dan ook het doel van de ontgronding aanvaardbaar kunnen achten, nu dit past in het nieuwe ruimtelijke beleid van de gemeente Amsterdam en voor de uitvoering van dat beleid, in het algemeen belang, nodig is. Verder heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat de bezwaren van appellanten tegen de aanleg van de stadstraat niet kunnen worden beschouwd als bij de ontgronding betrokken belangen, nu deze bezwaren niet zozeer zien op de verandering van de hoogteligging van het terrein, maar zijn gericht tegen het gebruik dat na afloop van de ontgronding van de percelen zal worden gemaakt. Dat gebruik dient evenwel in een planologische regeling te worden vastgelegd en de daarbij betrokken belangen dienen in dat kader te worden gewogen.

Voorts is onbetwist dat het gebied Groenhoven, Gouden Leeuw en Geerdinkhof alleen aan de rand door de verlaging van de dreeflichamen wordt beïnvloed. Appellanten hebben onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het standpunt van verweerder - in navolging van de stadsdeelraad - dat de architectonische waarde van de woontorens van de Groenhoven en van de Gouden Leeuw niet wordt aangetast en evenmin de inrichting van de wijk Geerdinkhof, onjuist of onredelijk is.

2.4.2.    Appellanten betogen voorts dat verweerder de grote landschappelijke waarde van de dreven heeft miskend. Zij stellen dat de begroeide dreven beeld bepalend en van grote ecologische waarde zijn en dat bij afgraving van de parkachtige omgeving vrijwel niets overblijft.

   Niet is betwist dat rondom en tussen de flats van Gouden Leeuw en Groenhoven alle bomen behouden blijven alsmede de bomen tussen de meest zuidelijke woontorens en het - op ongeveer 38 respectievelijk 25 meter liggende - talud van de Bijlmerdreef. De bomen tussen de woningen van de Geerdinkhof en het talud van de 's-Gravendijkdreef en van de Geerdinkhofweg blijven eveneens staan. Alleen de bomen op het talud worden gekapt. Aan de vergunning is echter het voorschrift (3) verbonden dat op de plaats van het huidige af te graven talud van de Geerdinkhofweg na overleg met de betrokken bewoners groen moet worden herplant in de vorm van bomen en/of struiken. Van de 337 te kappen bomen op het talud van de Bijlmerdreef en van de 's-Gravendijkdreef zullen 175 bomen in laanbeplanting worden herplant. Voorts raakt de verlaging van de 's-Gravendijkdreef en de Geerdinkhofweg slechts een klein deel van de wijk Geerdinkhof. Deze wijk blijft aan drie zijden omgeven door de groene Bijlmerweide. Gelet hierop is het standpunt van verweerder dat de parkachtige omgeving van deze wijken niet in belangrijke mate zal veranderen door het afgraven van de taluds, niet onjuist of onredelijk.

Voorts is niet in geding dat de dreven vanuit provinciaal beleid geen beschermde status hebben. De taluds staan weliswaar in verbinding met de Bijlmerweide, die tot de provinciale ecologische hoofdstructuur behoort, maar maakt daarvan geen deel uit. Voorts is er, mede gelet op het oordeel van de Afdeling in haar uitspraak van 18 mei 2005 in de zaak met nummer 200409211/1, betreffende het hoger beroep van een aantal appellanten tegen de verleende kapvergunning, geen aanknopingspunt dat de beplanting langs de 's-Gravendijkdreef tot aan Groenhoven en ten noorden van de Geerdinkhofweg van hoge ecologische waarde is. Gelet hierop is het standpunt van verweerder dat de dreeflichamen niet van grote landschappelijke en ecologische waarde zijn evenmin onjuist of onredelijk.

2.4.3.    Voor zover appellanten betogen dat verweerder heeft miskend dat de dreven tot het oorspronkelijke inrichtingsconcept van de Bijlmermeer horen en deel uitmaken van het culturele erfgoed van het stadsdeel, faalt ook dit betoog. In het Structuurplan Amsterdam van 26 maart 2003 is uitdrukkelijk afstand genomen van het oorspronkelijke inrichtingsconcept van de Bijlmermeer en worden de verhoogde dreven beleidsmatig niet langer beeld bepalend geacht. Verder komen de dreven niet voor op de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie en is ook anderszins niet gebleken dat verweerder de dreven ten onrechte niet als cultureel erfgoed heeft aangemerkt.

2.4.4.    Appellanten betogen verder dat de gevolgen van de ontgronding voor de grondwaterstand ondeugdelijk zijn onderzocht. Zij verwachten een hogere grondwaterstand en meer wateroverlast onder en rondom hun woningen als gevolg van het verlagen van de dreven, het verwijderen van het groen en het aanleggen van meer verhard oppervlak. Zij trekken ook de objectiviteit, de representativiteit en de actualiteit van de MER-rapporten in twijfel.

   Het afgraven van de dreeflichamen is geen activiteit waarvoor ingevolge artikel 7.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer in samenhang met onderdeel C van het Besluit milieu-effectrapportage 1994 een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Gelet hierop staat het "Milieueffectrapport Vernieuwing Bijlmermeer, Amsterdam Zuidoost" (hierna: het MER), dat - zoals is geoordeeld in de uitspraak van 1 oktober 2003 in de zaak met nummer 200202033/1, Laag Koningshoef, onverplicht - is opgesteld ten behoeve van de besluitvorming over het bestemmingsplan "De Nieuwe Bijlmer" als zodanig niet ter beoordeling in deze procedure. Aan het MER komt in deze procedure slechts informatieve betekenis toe voorzover daarin informatie staat over het ontgraven van de dreeflichamen (MER-deelrapport 'Aspect bodem') en over de effecten daarvan op het grondwatersysteem (MER-deelrapport 'Aspect water'). In het MER wordt geconcludeerd dat de ontgraving van de dreven - met inbegrip van de verwijdering van de bomen - op zich geen effect heeft op het grondwatersysteem. Alleen indien de ontgraving gepaard gaat met gewijzigd grondgebruik verwacht het rapport een effect op de grondwaterstand. De Commissie voor de milieueffectrapportage komt in haar toetsingsadvies tot dezelfde slotsom. Het door de Stichting advisering bestuursrechtspraak (hierna: Stab) in de procedure die heeft geleid tot de uitspraak van de Afdeling van 10 december 2003 in de zaak met nummer 200206026/1, uitgebrachte deskundigenbericht bevestigt dat de grondwaterstand na ontgraving van de dreven nagenoeg niet zal wijzigen. Van de huidige inrichtingsplannen in samenhang met het verwijderen van groen is volgens het MER en het deskundigenbericht een licht positief effect op de grondwaterstand te verwachten. Het rapport van Fugro Ingenieursbureau B.V., houdende aanvullende berekeningen, van oktober 2003 bevestigt de cijfers van de MER en komt eveneens tot de conclusie dat de herinrichting van het gebied zal leiden tot verlaging van de grondwaterstanden.

Appellanten stellen tegenover deze deskundigenrapporten niet een tegenrapport waaruit blijkt dat de conclusies van de genoemde rapporten ondeugdelijk zijn. In de door appellanten overgelegde notitie van De Straat Milieu-adviseurs van 29 november 2003 worden alleen kanttekeningen geplaatst bij het MER en het deskundigenbericht van de Stab, maar wordt niet geconcludeerd dat de conclusies van de hiervoor genoemde rapporten ondeugdelijk zijn. De stelling van appellanten dat het MER niet meer actueel zou zijn, hebben zij desgevraagd ter zitting niet aannemelijk gemaakt. Onder deze omstandigheden moet worden geoordeeld dat het niet onjuist of onredelijk is dat verweerder de genoemde rapporten aan zijn besluit ten grondslag heeft gelegd en op de inhoud daarvan is afgegaan.

2.4.5.    Appellanten betogen voorts dat het ontgronden van de dreven met inbegrip van het verwijderen van de bomen en het aanleggen van een stadsstraat tot een toeneming van de geluidsoverlast op de aanliggende woningen zal leiden en tot een toeneming van de lokale luchtverontreiniging van fijn stof en stikstofdioxiden doordat dit verkeer op maaiveldniveau wordt gebracht. Voorts stellen zij dat verweerder heeft miskend dat een hoge dreef met ongelijkvloerse kruisingen verkeersveiliger is en bij dijkdoorbraak een veilige vluchthaven voor bewoners.

   Voor zover deze bezwaren gevolgen betreffen van de verwijdering van de bomen, zijn deze in de uitspraak van 18 mei 2005, betreffende het hoger beroep van een aantal appellanten tegen de verleende kapvergunning, gewogen. Voor zover deze bezwaren gevolgen betreffen van de aanleg van een stadstraat met kruisende infrastructuur, kunnen deze bezwaren - zoals hiervoor onder 2.4.1. overwogen - niet worden beschouwd als bij de ontgronding betrokken belangen, maar kunnen deze worden ingebracht bij de vaststelling van de planologische regeling waarin de aanleg van de stadstraat wordt voorzien. Dat verlaging van de dreven op zichzelf de door appellanten gestelde gevolgen zal hebben, is niet aannemelijk gemaakt.

Verder hebben de verhoogde dreven geen status van vluchtplaats bij overstroming als gevolg van dijkdoorbraak en worden deze als zodanig ook niet vermeld in een calamiteitenplan. Verweerder heeft dit belang dan ook niet bij zijn afweging behoeven te betrekken.

2.4.6.    Voorzover appellanten betogen dat verweerder ten onrechte de door hen aangedragen alternatieve plannen niet in zijn besluitvorming heeft betrokken, overweegt de Afdeling dat verweerder gehouden is op basis van de aanvraag te beoordelen of de vergunning gelet op het bepaalde in artikel 10, achtste lid, van de Ontgrondingenwet en na afweging van alle in artikel 3, tweede lid, van die wet bedoelde belangen kan worden verleend en welke voorschriften daaraan moeten worden verbonden. Ter toetsing staat dan ook slechts de vraag of verweerder de vergunning zoals deze is aangevraagd na afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid heeft kunnen verlenen.

2.5.    Voorschriften en schadevergoeding.

2.5.1.    Appellanten betogen dat verweerder heeft miskend dat de waarde van hun woningen door het verlagen van de dreven en door het verdwijnen van het groen zal verminderen. Zij stellen dat verweerder hen bij het bestreden besluit een naar redelijkheid te bepalen schadevergoeding had moeten toekennen en aan de vergunning het voorschrift had moeten verbinden van een ruimere herplantplicht als aangegeven in het advies van de Commissie voor de bezwaar en beroepschriften van 14 juni 2004 naar aanleiding van het bezwaarschrift van appellanten tegen de verleende kapvergunning alsmede het voorschrift dat de plateaus voor de Gouden Leeuw en Groenhoven ook in de toekomst in stand zullen blijven.

   Voorzover appellanten beogen te stellen dat verweerder hen bij het bestreden besluit op de voet van artikel 26, eerste lid, van de Ontgrondingenwet een schadevergoeding had moeten toekennen, overweegt de Afdeling dat een daadwerkelijke schade niet is vastgesteld. Voorts is in artikel 28 van de Ontgrondingenwet bepaald dat, indien bij een beschikking als bedoeld in artikel 8 geen vergoeding is toegekend, zij kan worden aangevraagd.

   Mede gelet op de uitspraak van 18 mei 2005, betreffende het hoger beroep van een aantal appellanten tegen de verleende kapvergunning, is er geen aanknopingspunt voor het oordeel dat verweerder een voorschrift tot bredere herplanting van groen aan de vergunning had moeten verbinden.

   De vraag of de plateaus voor de Gouden Leeuw en Groenhoven ook in de toekomst in stand dienen te blijven, behoefde verweerder niet bij zijn besluitvorming op de voorliggende aanvraag, waarvan die plateaus geen deel uitmaken, te betrekken.

2.5.2.    Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in hetgeen appellanten hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder bij afweging van alle bij de ontgronding betrokken belangen in redelijkheid aan de belangen die zich tegen de ontgronding verzetten, een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de ontgronding zijn gediend.

Uit hetgeen appellanten hebben aangevoerd kan de Afdeling evenmin de conclusie trekken dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel.

Uit het vorenstaande volgt dat het beroep ongegrond is.

2.5.3.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep niet-ontvankelijk voorzover het mede is ingesteld door de appellanten [appellanten G] en [appellant D], voor zover het mede is ingesteld door de appellanten die vermeld staan op bijlage 2 bij het beroepschrift en die appartementen bewonen in de woontorens Groenhoven en Gouden Leeuw met een huisnummer boven de 300 alsmede voor zover het mede is ingesteld door de appellanten die vermeld staan op bijlage 2 bij het beroepschrift en die woningen bewonen in de wijk Geerdinkhof met huisnummer 33 tot en met 36, 61 tot en met 65, en 87 en hoger;

II.    verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, Voorzitter, en mr. A. Kosto en dr. J.J.C. Voorhoeve, Leden, in tegenwoordigheid van E.J. Nolles, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra    w.g. Nolles

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2005

291.