Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT9260

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-07-2005
Datum publicatie
13-07-2005
Zaaknummer
200407268/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 december 2003 heeft de gemeenteraad van Middelburg, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 18 november 2003, het bestemmingsplan "Rijksweg N57 2003, inclusief flankerende herziening bestemmingsplan Buitengebied" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 10:27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2005, 91K
JBO 2005/133
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200407268/1.

Datum uitspraak: 13 juli 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    Platform N57, gevestigd te Serooskerke,

2.    [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

3.    [appellant sub 3], gevestigd te [plaats],

4.    [appellant sub 4a] en [appellant sub 4b], beide gevestigd te [plaats],

5.    [appellant sub 5], wonend te [woonplaats],

6.    [appellant sub 6], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Zeeland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 15 december 2003 heeft de gemeenteraad van Middelburg, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 18 november 2003, het bestemmingsplan "Rijksweg N57 2003, inclusief flankerende herziening bestemmingsplan Buitengebied" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 13 juli 2004, kenmerk 0406637/59/10, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellant sub 1 bij brief van 30 augustus 2004, bij de Raad van State ingekomen per faxbericht op dezelfde dag, appellant sub 2 bij brief van 1 september 2004, bij de Raad van State ingekomen op 2 september 2004, appellante sub 3 bij brief van 2 september 2004, bij de Raad van State ingekomen op 3 september 2004, appellanten sub 4 bij brief van 6 september 2004, bij de Raad van State ingekomen op 8 september 2004, appellante sub 5 bij brief van 7 september 2004, bij de Raad van State ingekomen op 9 september 2004, en appellante sub 6 bij brief van 8 september 2004, bij de Raad van State ingekomen op 9 september 2004, beroep ingesteld. Appellant sub 1 heeft zijn beroep aangevuld bij brieven van 16 november 2004, 19 januari 2005 en 3 maart 2005. Appellant sub 2 heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 6 september 2004.

Bij brief van 8 november 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van [appellant sub 2], de gemeenteraad en de Minister van Verkeer en Waterstaat. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 mei 2005, waar appellant sub 1, vertegenwoordigd door [gemachtigden], en mr. J.P.H. Thissen, advocaat te Den Haag, appellant sub 2 in persoon, appellante sub 3, vertegenwoordigd door [gemachtigden], appellanten sub 4, sub 5 en sub 6, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. drs. J.P.J. Geurts, ing. B. Bouwman en drs. F.H. Schumacher, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn daar namens de gemeenteraad mr. E.C.M.  Schippers en mr. J.A.W. van 't Westeinde, beiden advocaat te Den Haag, ing. J. Hoogstrate, J. Minderhoud en P.J.A. Korstanje, ambtenaren van de gemeente, en ing. R.G.M. Louwes en drs. P.G. Eversdijk, werkzaam bij het Adviesbureau voor Ruimtelijk Beleid, Ontwikkeling en Inrichting, en namens de Minister van Verkeer en Waterstaat mr. E.C.M. Schippers en mr. J.A.W. van 't Westeinde, beiden advocaat te Den Haag, ing. J.H. Koevoets, ing. E.A. Mostert, ir. P. Ton en mr. J.C. Hooftman, ambtenaren ten departemente, en ing. H.W.M. Pijnappels, werkzaam bij Goudappel Coffeng B.V., gehoord.

2.    Overwegingen

Toetsingskader

2.1.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

   De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Het plan

2.2.    Het plan voorziet in een juridisch-planologische regeling voor de aanleg van de nieuwe Rijksweg N57 tussen de Rijksweg A58 en de gemeentegrens met Veere.

Archeologische planregeling

2.3.    [appellant sub 2] stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan de plandelen die zien op een terrein ten zuiden van de Golsteinseweg en ten oosten van de Brigdamseweg, voor zover daaraan de medebestemming "Archeologisch waardevol gebied" is toegekend, alsmede aan de hiermee verband houdende artikelen 11 en 15, tweede lid, van de planvoorschriften. Hij acht het besluit op deze punten in strijd met het Verdrag van Valletta (Malta).

Het standpunt van verweerder

2.3.1.    Verweerder heeft het plan in zoverre in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht aangezien uit onderzoek is gebleken dat het door appellant bedoelde terrein geen behoudenswaardige archeologische resten bevat. Voor een planregeling bestaat derhalve in zoverre geen noodzaak, aldus verweerder.

Vaststelling van de feiten

2.3.2.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.3.3.    Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de gronden die op de kaart zijn aangewezen voor "Archeologisch waardevol gebied" mede bestemd voor bescherming van aanwezige archeologische waarden. Ingevolge artikel 15, tweede lid, van de planvoorschriften is het college van burgemeester en wethouders met inachtneming van de in dit artikellid opgenomen bepalingen bevoegd de kaart te wijzigen in die zin dat de bestemming "Archeologisch waardevol gebied" geheel of gedeeltelijk mag worden geschrapt.

2.3.4.    Het doen van archeologisch onderzoek ter plaatse van het terrein ten zuiden van de Golsteinseweg en ten oosten van de Brigdamseweg was in het kader van de voorbereiding van het plan niet mogelijk vanwege het niet verlenen van toestemming door de eigenaar van het perceel. Ten behoeve van de bescherming van mogelijke archeologische waarden is om die reden in het plan een daartoe strekkende regeling opgenomen. Voorafgaand aan het nemen van het bestreden besluit heeft het archeologische onderzoek plaatsgevonden. Hieruit is gebleken dat het terrein geen behoudenswaardige archeologische resten bevat.

2.3.5.    Op 16 januari 1992 is in Valletta (Malta) het Europees verdrag tot bescherming van het archeologisch erfgoed totstandgekomen. Dit verdrag is bij Rijkswet van 26 februari 1998 (Stb. 196) voor het gehele Koninkrijk goedgekeurd.

Het oordeel van de Afdeling

2.3.6.    Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat het standpunt van verweerder, dat zich ter plaatse geen behoudenswaardige archeologische resten bevinden, onjuist is. Het argument dat het bestreden besluit op dit punt in strijd is met het Verdrag van Valletta, wordt door appellant verder in het geheel niet onderbouwd. Gelet hierop kan het standpunt van verweerder dat het plan voor zover het betreft de regeling inzake de archeologische medebestemming, geen doel dient, niet voor onjuist worden gehouden.

2.3.7.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan op deze punten in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

   In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op deze punten anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft onthouden aan de bedoelde planonderdelen.

   Het beroep van [appellant sub 2] is op deze punten ongegrond.

Het tracé voor de nieuwe Rijksweg N57

2.4.    Alle appellanten stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan (delen van) de plandelen met de bestemming "Verkeersdoeleinden (V)" die zien op de aanleg van de nieuwe Rijksweg N57 met op- en afritten en parallelwegen.

Procedurele aspecten

2.5.    De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellant sub 4a] en [appellant sub 4b] voeren als formele bezwaren aan dat tijdens de hoorzitting over de door hen ingebrachte zienswijze slechts drie minuten spreektijd is gegeven, dat geen gelegenheid voor hoor en wederhoor is geboden en dat zij geen definitief verslag hebben ontvangen. [appellant sub 5]  voert aan dat zij niet voldoende serieus is genomen en dat het verslag 'gekleurd' is. [appellant sub 6]voert in het beroepschrift aan dat geen afschriften van de met het ontwerpplan ter inzage gelegde stukken konden worden verkregen. Voorts stelt zij dat de hoorzitting niet zorgvuldig is georganiseerd en dat het verslag daarvan onvolledig is.

2.5.1.    Ingevolge artikel 23, eerste lid, onder b, van de WRO ligt het ontwerpplan gedurende vier weken ter inzage gedurende welke periode het ontwerp tevens desgevraagd ten minste gedurende drie aaneengesloten uren per week buiten de werkuren kan worden ingezien. Ingevolge artikel 3:11, derde lid, van de Awb wordt tegen vergoeding van ten hoogste de kosten afschrift van de ter inzage gelegde stukken verstrekt.

   Ingevolge artikel 23, eerste lid, onder d, van de WRO stelt de gemeenteraad degenen die hun zienswijze kenbaar hebben gemaakt in de gelegenheid tot het geven van een nadere mondelinge toelichting.

2.5.2.    Naar ter zitting is gebleken heeft [appellant sub 6], anders dan uit het beroepschrift volgt, afschriften verkregen van de door haar gewenste stukken.

   Het horen zoals bedoeld in artikel 23, eerste lid, onder d, van de WRO, heeft plaatsgevonden door de raadscommissie Ruimte op 8 december 2003. De WRO stelt aan dit horen geen specifieke vormvereisten. De ter beschikking gestelde spreektijd was weliswaar beperkt, maar niet zodanig beperkt dat appellanten redelijkerwijs niet meer in de gelegenheid waren om hun zienswijzen toe te lichten. Daarbij acht de Afdeling van belang dat het horen dient ter mondelinge toelichting op de eerder ingediende bezwaren. Ook anderszins is niet gebleken dat het horen niet op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden.

   Van het horen is een verslag gemaakt. De gemeenteraad heeft zich op de hoogte kunnen stellen van het besprokene op de hoorzitting en dit bij zijn beoordeling kunnen betrekken. In dit verband is niet gebleken dat de gemeenteraad niet alle informatie over de relevante feiten en af te wegen belangen heeft vergaard. De WRO schrijft niet voor dat een verslag van de hoorzitting aan de indieners van zienswijzen dient te worden gezonden dan wel dat dit een woordelijk verslag dient te zijn. Dat het verslag niet op een juiste wijze is opgesteld, is voorts niet gebleken.

   Gelet op het voorgaande treffen deze formele bezwaren geen doel.

Gevolgen voor de waterhuishouding

2.6.    [appellant sub 3] voert aan dat het overleg met het waterschap Zeeuwse Eilanden over de waterhuishouding ten tijde van het goedkeuringsbesluit niet was afgerond.

2.6.1.    Ingevolge artikel 10 van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (hierna: Bro 1985) pleegt het college van burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een structuurplan, een bestemmingsplan of een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO overleg met de besturen van bij het plan of de vrijstelling betrokken waterschappen. Ingevolge artikel 12, tweede lid, van het Bro 1985 gaan een bestemmingsplan alsmede een ontwerp daarvoor vergezeld van een toelichting, waarin onder meer zijn neergelegd de uitkomsten van het in artikel 10 bedoelde overleg alsmede een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding.

2.6.2.    Het overleg in het kader van de watertoets met het waterschap Zeeuwse Eilanden heeft plaatsgevonden op 16 september 2002. In de plantoelichting is een paragraaf over de watertoets opgenomen. Niet is aannemelijk gemaakt dat de gevolgen van de planontwikkeling voor de waterhuishouding in onvoldoende mate inzichtelijk zijn geworden. De omstandigheid dat nadien op een onderdeel nog nader overleg nodig was met het waterschap betekent niet dat het plan in zoverre om die reden in strijd met de artikelen 10 en 12, tweede lid, van het Bro 1985 is vastgesteld en goedgekeurd.

Inhoudelijke bezwaren inzake de aanleg van de Rijksweg N57

2.7.    Platform N57 voert aan dat het indertijd voor de aanleg van de weg gemaakte milieu-effectrapport (hierna: MER) en de aanvulling daarop (hierna: aMER) dusdanig verouderd zijn dat deze om die reden niet aan het bestemmingsplan ten grondslag gelegd hadden mogen worden. Ook latere studies geven geen reële doorkijk naar de ontwikkeling van het verkeer over de nieuwe N57, aldus deze appellant. Hij verwacht dat de nieuwe N57 een nieuwe transportroute voor vrachtverkeer zal worden. In plaats van een nieuwe weg kan volgens hem beter worden voorzien in maatregelen ten aanzien van het bestaande tracé.

   In zijn aanvulling op het beroepschrift van 16 november 2004 en ter zitting verzoekt Platform N57 de Afdeling onder meer het bestreden besluit te toetsen aan de geldende normen voor stikstofdioxide en fijn stof nu hij uit de media heeft vernomen dat de Afdeling de EU-normen terzake in de besluitvorming betrekt. In zijn pleitnota wijst appellant er op dat de nieuwe Rijksweg dicht langs nieuwbouwwijk en sportpark De Veerse Poort wordt aangelegd.

   Platform N57 voert voorts aan dat Walcheren in de Nota Ruimte wordt aangewezen als Nationaal landschap. De weg leidt volgens hem tot een aantasting van het landschap op Walcheren. Appellant wijst er in het kader van de te beschermen natuurwaarden verder op dat de nieuwe weg in de nabijheid van de Oosterschelde ligt.

   [appellant sub 2] wijst op de plannen tot ontwikkeling van een rust- en foerageergebied voor trekvogels aan de Westerscheldemonding bij Breskens en de ligging van het wegtracé parallel aan de trekbaan van trekvogels van Zuid- naar Noord-Europa. De nieuwe weg zal volgens hem een verstorend effect hebben. Hij acht het noodzakelijk dit effect te toetsen aan de Vogelrichtlijn. Appellant voert voorts aan dat onvoldoende aandacht is uitgegaan naar de cultuurhistorische waarden van de naast de kreekruggen gelegen gronden waar de nieuwe weg is voorzien.

   [appellant sub 4a] en [appellant sub 4b] , [appellant sub 5]  en [appellant sub 6] achten de weg landschappelijk onvoldoende ingepast door de voorziene hoge ligging. Zij voeren voorts aan dat de bereikbaarheid van de door hen geëxploiteerde kaasboerderij met de aanleg van de nieuwe weg in geding zal komen. Ten onrechte is volgens deze appellanten niet voorzien in een extra aftakking bij de rotonde aan de President Rooseveltlaan dan wel een rotonde bij de kruising van het tracé met de Van 't Hoffweg ter ontsluiting van het gebied ten oosten van het tracé. Voorts voeren zij aan dat ten onrechte niet is voorzien in een parallelweg aan de westzijde van het tracé.

   [appellant sub 3] richt haar beroep meer in het bijzonder op de goedkeuring van de met het plan voorziene aanleg van een parallelweg ten zuiden van de aansluiting van de N57 met de A58. Door deze parallelweg zal de kavel van de door haar geëxploiteerde melkveehouderij worden verkleind. Bovendien leidt deze weg volgens haar tot verkeersonveilige situaties. Ten onrechte hebben de gemeenteraad en verweerder de door haar ontworpen alternatieve ontsluitingsroute niet willen overnemen, aldus appellante. Zij zijn daarbij volgens haar ten onrechte uitgegaan van vrees voor sluipverkeer over de alternatieve route. Ook is appellante bevreesd voor geluidoverlast vanwege de N57 in samenhang met de nabijgelegen Sloeweg. Zij acht het verder niet mogelijk te beoordelen of een voldoende onderzoek naar beschermde planten en dieren heeft plaatsgevonden. Ter zitting heeft [appellant sub 3] aangevoerd dat het bestreden besluit strijdig is met het Besluit luchtkwaliteit vanwege de verkeersaantrekkende werking van de nieuwe weg.

Het standpunt van verweerder

2.7.1.    Verweerder heeft de plandelen met de bestemming "Verkeersdoeleinden (V)" niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht geacht en deze goedgekeurd. Hij stelt zich onder meer op het standpunt dat de aanleg van de nieuwe weg in overeenstemming is met het tracébesluit van 27 december 1994 (hierna: het tracébesluit) en met de uitgangspunten zoals neergelegd in de voor de weg gemaakte streekplanherziening uit 1996 welke op grond van het streekplan Zeeland 1997 nog steeds van kracht is. Het plan berust naar zijn mening voorts op deugdelijk onderzoek dat voldoende actueel is.

   Verweerder acht de gevolgen van de aanleg van de weg voor de cultuurhistorische waarden aanvaardbaar afgezet tegen de positieve effecten voor de verkeersveiligheid en de leefbaarheid in de omgeving. Negatieve gevolgen worden zoveel mogelijk beperkt en waar mogelijk is voorzien in mitigerende en/of compenserende maatregelen, aldus verweerder.

   Verweerder acht de bereikbaarheid van [appellant sub 4] in de nieuwe situatie afdoende gewaarborgd. De extra rijafstand voor autoverkeer vanuit Veersepoort, Klaarenbeek en Sint Laurens acht hij beperkt, terwijl de situatie voor het fietsverkeer niet verandert. Hij acht extra aftakkingen of een parallelweg mede met het oog op het programma Duurzaam Veilig en het gevaar van sluipverkeer niet gewenst. In extra bewegwijzering naar de kaasboerderij zal worden voorzien, aldus verweerder.

   Wat betreft het beroep van [appellant sub 3] stelt verweerder zich op het standpunt dat de kwaliteit en bereikbaarheid van de resterende kavel ongewijzigd blijven. Onevenredig nadelige gevolgen voor [appellant sub 3] acht hij niet aanwezig aangezien een kavel van voldoende omvang resteert. De verkleining van de kavel zal volgens hem worden gecompenseerd door een schadeloosstelling. Het onderzoek naar beschermde dieren en planten acht hij voldoende. Niet is gebleken dat de wettelijke voorkeursgrenswaarde voor geluid wordt overschreden, aldus verweerder. Verder wijst hij de door [appellant sub 3] voorgestelde alternatieve route in verband met onder andere het gevaar van sluipverkeer af.

Vaststelling van de feiten

2.7.2.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.7.3.    Uit de plantoelichting blijkt het volgende.

   De Rijksweg N57 (hierna ook: de Dammenroute) vormt een schakel in het landelijke hoofdwegennet en verbindt de Rijksweg A15 met de Rijksweg A58. De huidige tracering en dimensionering van de weg tussen de Veersedam en de A58 over het grondgebied van de gemeenten Veere en Middelburg en gedeeltelijk door het stedelijke gebied van Middelburg zijn niet afgestemd op de toekomstige verkeersintensiteiten en op de functie die de weg moet vervullen. Met name op het grondgebied van de gemeente Middelburg worden de problemen inzake de verkeersafwikkeling, de leefbaarheid en de verkeersonveiligheid steeds groter. Voorts is het huidige tracé zeer bochtig en is de desbetreffende route toegankelijk voor zowel snel- als langzaam verkeer. Daarnaast zijn er tal van aansluitingen van het onderliggende wegennet. Om deze redenen en om het middengebied en het noordelijke deel van Walcheren beter bereikbaar te maken, heeft Rijkswaterstaat het initiatief genomen voor de aanleg van een nieuwe Rijksweg N57, gedeeltelijk over het bestaande tracé.

   De noodzaak voor een structurele oplossing voor de problemen in Middelburg is terug te vinden in een groot aantal beleidsdocumenten van Rijk, provincie, regio en gemeente. In het Tweede Structuurschema Verkeer en Vervoer wordt de N57 genoemd als weg in het landelijke hoofdwegennet, die ook als zodanig moet worden vormgegeven. In het Meerjarenprogramma Infrastructuur en Transport Projectenboek 2002 is de aanleg van de Rijksweg N57 als project in categorie 1 opgenomen, zijnde een project waarvan het voornemen bestaat om dit vóór 2010 in uitvoering te nemen en waarover financiële en politiek-bestuurlijke duidelijkheid bestaat. In het Provinciaal Verkeers- en Vervoersplan is neergelegd dat binnen stedelijke netwerken, waartoe Middelburg wordt gerekend, onder andere wordt gestreefd naar de ontwikkeling van een goede bereikbaarheid voor het externe autoverkeer naar en langs de stad en een vermindering van het autoverkeer in de stad. Voor de uitvoering hiervan is de N57 tussen de Veersedam en de A58 in het Provinciaal Verkeers- en Vervoersplan genoemd als een weg met een gebiedsverbindende functie. In de streekplanuitwerking Rijksweg N57 van oktober 1996 is het planologische kader geboden voor de aanleg van de nieuwe Dammenroute. In het streekplan Zeeland 1997 is de aanleg van de Dammenroute als prioritair thema in het uitvoeringsprogramma opgenomen. In de regiovisie Walcheren 2000+ is de N57 aangegeven als belangrijk onderdeel van de (toekomstige) hoofdwegenstructuur. In het gemeentelijke Wegenstructuurplan is de verwezenlijking van de nieuwe Dammenroute als essentieel onderdeel in de Middelburgse wegenstructuur aangemerkt.

2.7.4.    De nieuwe N57 loopt vanaf de A58 bij Nieuw en Sint Joosland langs de noordoostkant van Middelburg via Serooskerke naar de Veersedam. In Middelburg wordt de weg via een aquaduct onder het Kanaal door Walcheren doorgeleid. De weg loopt vervolgens niet meer, zoals de huidige weg, door Sint Laurens, maar loopt ten oosten daarvan. Vanaf Serooskerke volgt de nieuwe weg zoveel mogelijk de oude route, zij het dat het tracé een rechter verloop en minder aansluitingen krijgt.

   Tussen de A58 en de aansluiting met de President Rooseveltlaan krijgt de nieuwe weg een functie als stroomweg. De weg wordt op dat gedeelte ingericht volgens het programma Duurzaam Veilig met gescheiden rijbanen, ongelijkvloerse kruisingen en aansluitingen. Vanaf de President Rooseveltlaan tot aan de Veersedam wordt de weg ingericht als gebiedsontsluitingsweg met één rijbaan en twee rijstroken.

2.7.5.    De gemeenteraad en de Minister van Verkeer en Waterstaat stellen zich op het standpunt dat de doorstroming op het traject met de nieuwe weg aanzienlijk zal verbeteren. Het doorgaande verkeer rijdt in de nieuwe situatie om Middelburg heen. Het aquaduct garandeert de doorstroming van weg- en scheepvaartverkeer. Het knelpunt in het centrum van Middelburg, te weten de kruising met het Kanaal door Walcheren, zal daarmee voor het doorgaande verkeer zijn opgeheven. Door de nieuwe weg zal de leefbaarheid in Middelburg en in Sint Laurens sterk worden verbeterd. Ook biedt de concentratie van het verkeer op één weg kansen op andere plaatsen de bijzondere Walcherse kenmerken te versterken onder meer door het verkeersluw maken van het onderliggende lokale wegennet. Voorts zal, nog steeds volgens de gemeenteraad en de Minister van Verkeer en Waterstaat, de verkeersveiligheid verbeteren door het rechtere tracé, het opheffen van de vermenging van snel- en langzaam verkeer, het beperken van het aantal kruisingen en erfontsluitingen en het vormgeven van nieuwe aansluitingen volgens het programma Duurzaam Veilig (viaducten en rotondes).

2.7.6.    Ten behoeve van de tracévaststelling van de nieuwe Rijksweg is een MER opgesteld. Dit MER is geïntegreerd met de tracénota en uitgebracht in juli 1991. Op 8 juni 1993 is het aMER bekendgemaakt. Het aMER betreft nader/aanvullend onderzoek met betrekking tot de verkeersprognose, de optimalisatie van bestaande tracé-alternatieven en het te kiezen wegtype.

2.7.7.    In het MER en het aMER zijn ter bestrijding van de problematische verkeerssituatie verschillende alternatieven bezien. Het opknappen van de bestaande verbinding (tracé-alternatief 0+) is daartoe afgezet tegen een aantal mogelijkheden voor aanleg van een nieuwe weg. De aanleg van een nieuwe verbinding is mogelijk geacht binnen een drietal corridors (west, centraal en oost). Aangezien de centrale corridor op vrijwel alle punten de meest gunstige resultaten oplevert, zijn de oostelijke en westelijke corridor verder buiten beschouwing gelaten en zijn alle alternatieve tracés voor de weg in de centrale corridor gesitueerd. Als alternatieven zijn binnen deze corridor uiteindelijk zes noordelijke tracés (1 tot en met 6; Veersedam-Sint Laurens) en twee zuidelijke tracés (B en C; Sint Laurens-A58) bezien.

2.7.8.    In haar toetsingsadvies van 8 september 1993 over het MER en het aMER stelt de Commissie voor de milieu-effectrapportage dat het MER en het aMER voldoende informatie bieden voor de besluitvorming over de tracékeuze. Voor de verdere besluitvorming beveelt de Commissie aan aandacht te schenken aan de criteria voor toepassing van Zeer Open Asfalt Beton en in het evaluatieprogramma de groei van het recreatie- en vrachtverkeer op te nemen.

2.7.9.    In het tracébesluit van 27 december 1994 heeft de Minister van Verkeer en Waterstaat gekozen voor de combinatievariant 0+/1/4/B.

2.7.10.    Met het project "Open planuitwerking Rijksweg 57" is het tracé in de jaren 1996-1997 verder uitgewerkt. Voor een aantal vraagpunten is binnen het vastgestelde tracébesluit gezocht naar oplossingen. Dit betreft onder meer kleine aanpassingen in de horizontale en verticale ligging van het tracé, eventuele extra aansluitingen op de nieuwe weg, de noodzaak van parallelwegen en de ontsluiting van het noordelijke deel van Arnestein. Ook is het tracé getoetst aan het verkeersveiligheidsbeleid Duurzaam Veilig. Uit de uitgewerkte oplossingen is vervolgens een aantal beslispunten voortgekomen die zien op de functie van de weg, de aansluiting van de N57 op de A58, de aansluiting Arnestein, de aansluiting Veerseweg, de aansluiting Middelburg-Noord en de situatie bij de Van 't Hoffweg en de Golsteinseweg.

2.7.11.    Uit de plantoelichting blijkt dat zich in de periode tot 2002 een aantal belangrijke ontwikkelingen heeft voorgedaan die van belang zijn voor het bestemmingsplan en die het wegontwerp van de N57 hebben beïnvloed. Dit betreft de aangepaste aansluiting bij Nieuw en Sint Joosland, de nieuwe aansluiting Arnepoort II, de afstemming van de N57 op het woongebied Mortiere, de nieuwe aansluiting bij de Veerseweg, nieuwe onderdoorgang(en) bij de Golsteinseweg/Van 't Hoffweg, de nieuwe berekening van de te hanteren verkeersintensiteiten, het nieuw te hanteren Reken- en meetvoorschrift wegverkeerslawaai 2002, de bepaling van de luchtkwaliteit als gevolg van het verkeer op de N57, de watertoets en de toetsing aan de Flora- en faunawet. In dit kader hebben diverse onderzoeken plaatsgevonden naar onder meer bodemkwaliteit, geluid, luchtkwaliteit en natuurwaarden.

2.7.12.    Voor het nieuwe tracé zijn studies uitgevoerd naar de te verwachten verkeersintensiteit. In het rapport Achtergronden Verkeersintensiteit N57 van 5 juli 2004 heeft Goudappel Coffeng B.V. in opdracht van Rijkswaterstaat aan de hand van het gehanteerde verkeersmodel onderzocht of de berekende verkeersintensiteit juist is. In dit rapport is ingegaan op het (inter)nationale (goederen)vervoer. Daarbij is bezien welke routes de voorkeur krijgen van het vrachtverkeer, hoe het vrachtverkeer zich op Walcheren ontwikkelt en wat de herkomst en bestemming zijn van vrachtverkeer dat gebruik maakt van de Westerscheldetunnel. Uit kentekenonderzoek is gebleken dat van al het vrachtverkeer dat gebruik maakt van de Westerscheldetunnel 1% via de Dammenroute naar de plaats van bestemming rijdt. Op basis van de analyse van de routes, de ontwikkeling van het vrachtverkeer en de resultaten van het kentekenonderzoek wordt verwacht dat de nieuwe N57 geen belangrijke rol zal gaan spelen voor het vrachtverkeer dat de regiogrenzen overschrijdt. De vrachtautointensiteit op de N57 zal wel toenemen. In de periode 2000-2010 zal dit naar verwachting maximaal 60% zijn.

2.7.13.    Op 21 juli 2004 heeft TNO Inro in opdracht van het college van burgemeester en wethouders van Veere het rapport Second Opinion N57 uitgebracht. In dit rapport heeft TNO Inro de gebruikte methodiek voor het onderzoeken van de toekomstige verkeersintensiteiten beoordeeld en enkele veiligheidsaspecten van het nieuwe tracé bestudeerd. TNO Inro concludeert in zijn rapport dat de modelexercities van Goudappel Coffeng B.V. zijn uitgevoerd overeenkomstig de gebruikelijke standaards. Wel worden enkele kanttekeningen geplaatst die niet zozeer de gehanteerde methodiek ter discussie stellen als wel de waarde van enkele conclusies nuanceren. Zo geldt voor het vrachtverkeer dat het beschikbare model niet de mogelijkheid heeft om met betrekking tot de vrachtwagenstroom eenzelfde gedetailleerd beeld te genereren als van het personenverkeer beschikbaar is. Het beeld van de vrachtwagenstroom kenmerkt zich hierdoor derhalve door een grotere bandbreedte dan dat van de totale verkeersstroom. Wel gaat TNO Inro ervan uit dat de invloed op de intensiteit van de N57 beperkt blijft. Voorts acht TNO Inro zeer aannemelijk dat de nieuwe N57 voor de trajecten Antwerpen-Maasvlakte en Gent-Maasvlakte geen waarschijnlijk alternatief is. De route over de A15/A4 is sneller en betrouwbaarder. Van de eventuele aanleg van de Westerschelde Container Terminal verwacht TNO Inro ook geen grote toeneming voor de N57 aangezien verwacht mag worden dat het transport over de A58 zal worden afgewikkeld.

2.7.14.    Platform N57 heeft bij brief van 25 november 2004 aan verweerder om inzage in de resultaten van de berekeningen inzake de luchtkwaliteit gevraagd. Hiertoe zijn hem bij brief van 6 januari 2005 berekeningen toegezonden.

2.7.15.    De Oosterschelde is, met uitzondering van de havens, bij besluit 28 november 1989 aangewezen als speciale beschermingszone (hierna: SBZ) als bedoeld in artikel 4 van de richtlijn 79/409/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (hierna: Vogelrichtlijn).

   Het tracé van de nieuwe Rijksweg, zoals die op Walcheren wordt aangelegd, is gelegen op een afstand van ten minste vijf kilometer tot de Oosterschelde.

2.7.16.    Naar uit de door [appellant sub 2] ingezonden stukken blijkt bestaan er plannen voor de aanleg van een pleisterplaats voor trekvogels bij de Westerscheldemonding, in een gebied in en rond de Oud-Breskensepolder, westelijk van Breskens. Langs de kust van Zeeuws-Vlaanderen en over Walcheren maken jaarlijks honderdduizenden vogels hun trek van zuid naar noord. Doordat veel vogels de Westerschelde bij voorkeur op het smalste punt oversteken, ontstaat bij Breskens een concentratiepunt voor grote aantallen vogels. De afstand van het wegtracé tot de mogelijke pleisterplaats bedraagt meer dan tien kilometer.

2.7.17.    Ingevolge artikel 4, vierde lid, eerste volzin, van de Vogelrichtlijn nemen de lidstaten passende maatregelen om vervuiling en verslechtering van de woongebieden in de in het eerste en tweede lid bedoelde beschermingszones te voorkomen, alsmede om te voorkomen dat de vogels aldaar worden gestoord, voor zover deze vervuiling, verslechtering en storing, gelet op de doelstellingen van dit artikel, van wezenlijke invloed zijn.

   Ingevolge artikel 7 van de richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (hierna: Habitatrichtlijn) komen de uit artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn voortvloeiende verplichtingen in de plaats van de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 4, vierde lid, eerste volzin, van de Vogelrichtlijn wat betreft de speciale beschermingszones die overeenkomstig artikel 4, eerste lid, van die richtlijn zijn aangewezen.

   Ingevolge artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn, voor zover hier van belang, wordt voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor zo’n gebied, een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied. Gelet op de conclusies van de beoordeling van de gevolgen voor het gebied en onder voorbehoud van het bepaalde in het vierde lid, geven de bevoegde nationale instanties slechts toestemming voor dat plan of project nadat zij de zekerheid hebben verkregen dat het de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied niet zal aantasten.

2.7.18.    Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft in zijn arrest van 7 september 2004 in zaak C-127/02 (AB 2004, 365) geoordeeld dat de eerste volzin van het derde lid van artikel 6 van de Habitatrichtlijn aldus moet worden uitgelegd dat voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een gebied, een passende beoordeling wordt gemaakt van de gevolgen voor dat gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied, wanneer op grond van objectieve gegevens niet kan worden uitgesloten dat het afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen heeft voor dat gebied.

2.7.19.    In het MER is een inventarisatie opgenomen van de in het gebied waar het tracé is voorzien, aanwezige natuurwaarden. In oktober 1996 heeft LB&P ecologisch advies B.V. het rapport Werkdocument natuurcompensatie Rijksweg 57 op Walcheren uitgebracht. In dit rapport is ingegaan op de door de aanleg van de nieuwe Rijksweg te verwachten schade aan natuurwaarden en komen voorstellen voor mitigerende en compenserende maatregelen aan de orde, alsmede een overzicht van mogelijke plaatsen waar compensatie kan plaatsvinden. Op 15 oktober 2002 heeft Bureau Waardenburg B.V. het rapport Natuurwaardebepaling in het kader van de Flora- en faunawet tracé nieuwe N57 Walcheren uitgebracht. In dit rapport zijn de resultaten van een studie naar het voorkomen van beschermde soorten in het kader van de Flora- en faunawet neergelegd. Daarbij is met name ingegaan op flora, vogels, zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen en vlinders. Daarnaast is ingegaan op te treffen compenserende en te nemen aanvullende maatregelen.

2.7.20.    Door de Dienst Landinrichting en Beheer Landbouwgronden is in 1996 een Landschapsplan voor de N57 tussen de Veersedam en Middelburg opgesteld. Hierin is een beschrijving van het landschap gegeven, dat bestaat uit duinen, nieuwland (polders en dijken), oudland (kreekruggen en plaat- en poelgebieden) en het stedelijke gebied van Middelburg. Voorts zijn de gevolgen van de aanleg van de weg beschreven. Hiertoe is een onderscheid gemaakt tussen landschappelijke, functionele, visueel-ruimtelijke en ecologische effecten. In dit verband zijn de in acht te nemen uitgangspunten beschreven. Ten slotte zijn de in het kader van het landschapsplan te nemen maatregelen in hoofdlijnen en per deeltraject beschreven.

2.7.21.    In het bestreden besluit is opgenomen dat de zuidelijke parallelweg bij de A58 primair nodig is om op een verkeersveilige wijze de kern Nieuw en Sint Joosland te ontsluiten op de A58 en de N57. Ook ontstaat daarmee een goede verbinding met Vlissingen. Om verkeerstechnische redenen is een directe aansluiting met Nieuw en Sint Joosland vanaf de A58 en de N57 niet haalbaar. Aanvankelijk was de parallelweg ontworpen voor een maximumsnelheid van 70 km/uur. Vanwege het grote ruimtebeslag van dat ontwerp is dit aangepast en gericht op een maximumsnelheid van 50 km/uur. Hierdoor is in plaats van 5,1 hectare grond 2,6 hectare grond van [appellant sub 3] benodigd. Op een totaal van 48 hectare grond is dit 5,5%. Het ontwerp van de parallelweg is voorts afgestemd op het programma Duurzaam Veilig.

2.7.22.    Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de gronden op de plankaart aangewezen voor "Verkeersdoeleinden (V)" bestemd voor:

a. verkeerswegen, parkeerplaatsen, fiets- en voetpaden;

b. bermstroken, taluds en andere groenvoorzieningen;

c. waterlopen en waterpartijen alsmede voor de waterbeheersing en het verkeer te water;

d. ter plaatse van de aanduiding "geluidsafschermende voorzieningen": geluidswallen, geluidsschermen en daarmee vergelijkbare geluidsafschermende voorzieningen […];

e. een en ander met dien verstande dat wegen uit ten hoogste twee rijstroken mogen bestaan, met uitzondering van het weggedeelte van de Rijksweg N57 tussen de Prooijenseweg en Torenweg en de Rijksweg A58, die ieder uit ten hoogste vier rijstroken mogen bestaan.

Het oordeel van de Afdeling

Alternatieve maatregelen

2.7.23.    Met de aanleg van de nieuwe Rijksweg is een zwaarwegend maatschappelijk belang gediend. In het MER zijn daartoe meerdere alternatieven, waaronder het treffen van maatregelen aan het bestaande tracé, bezien. Niet is aannemelijk gemaakt dat niet de redelijkerwijs in beschouwing te nemen alternatieven in het MER zijn opgenomen.

   Naar het oordeel van de Afdeling heeft verweerder bij zijn beslissing inzake de goedkeuring het tracéalternatief zoals neergelegd in het tracébesluit, in redelijkheid als uitgangspunt kunnen nemen. Aan het door Platform N57 voorgestelde alternatief inzake het treffen van de doorstroming bevorderende maatregelen op het huidige tracé heeft hij in redelijkheid geen doorslaggevende betekenis behoeven toe te kennen, aangezien hij voldoende gemotiveerd aannemelijk heeft gemaakt dat deze maatregelen slechts ten dele zullen kunnen voorzien in opheffing van de bestaande knelpunten.

Vrachtverkeer

2.7.24.    De Afdeling stelt voorop dat de vraag of en in hoeverre het vrachtverkeer de nieuwe N57 zal gaan gebruiken niet met zekerheid kan worden beantwoord. Platform N57 heeft daartoe een inschatting gemaakt, uitgaande van de in het beroepschrift aangeduide veronderstellingen en relevant geachte gegevens. Bij de beslissing inzake de goedkeuring van het bestemmingsplan heeft verweerder gebruik gemaakt van het MER, het aMER en de nadien uitgevoerde onderzoeken. De Afdeling moet beoordelen of verweerder in redelijkheid deze onderzoeken aan zijn beslissing ten grondslag heeft kunnen leggen.

   De nadere onderzoeken bevatten naar het oordeel van de Afdeling in voldoende mate actuele en relevante informatie en aannames over de mogelijke gevolgen van de aanleg van de nieuwe Rijksweg voor de verkeersstromen van het vrachtverkeer. Uit deze onderzoeken kan worden afgeleid dat de gevolgen voor het (doorgaande) vrachtverkeer op de nieuwe route, binnen een zekere bandbreedte, beperkt zullen blijven. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de onderzoeken zodanige gebreken of leemten in kennis bevatten dat verweerder zich daarop niet mocht baseren. Evenmin ziet zij aanleiding voor het oordeel dat verdergaande onderzoeken hadden moeten worden uitgevoerd. Hierbij neemt de Afdeling mede in aanmerking dat de resultaten van het onderzoek door Goudappel Coffeng B.V. op dit punt door een second opinion van TNO Inro op hoofdlijnen worden bevestigd.

   Platform N57 heeft niet aannemelijk gemaakt dat met een andere berekeningstechniek tot betere resultaten zou worden gekomen. Evenmin heeft appellant ter staving van zijn inschatting over het gebruik van de N57 door vrachtverkeer een deskundigenrapport ingebracht dat de resultaten van de gedane onderzoeken in twijfel zou trekken. Gelet hierop heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat, gegeven het beschikbare onderzoeksmateriaal, een substantiële toeneming van het aantal vrachtwagens op de nieuwe Rijksweg niet waarschijnlijk zal zijn.

Luchtkwaliteit

2.7.25.    De Afdeling overweegt op dit punt allereerst dat [appellant sub 3] eerst ter zitting heeft gewezen op de mogelijke achteruitgang van de luchtkwaliteit. Zij acht dit in strijd met de goede procesorde. Daarbij neemt zij in aanmerking dat niet is gebleken dat appellante dit argument ter ondersteuning van het beroep niet eerder in de procedure had kunnen inbrengen. Het argument ter ondersteuning van het beroep van [appellant sub 3] dient dan ook buiten beschouwing te blijven.

2.7.26.    Wat betreft Platform N57 overweegt de Afdeling dat deze appellant op zijn verzoek de beschikking heeft verkregen over berekeningen inzake de luchtkwaliteit. Appellant heeft deze niet bestreden en deze evenmin tezamen met zijn bevindingen voorafgaand aan de zitting aan de Afdeling doen toekomen. Hij heeft volstaan met het enkele verzoek aan de Afdeling het bestreden besluit te toetsen aan de normen voor zwevende deeltjes en stikstofdioxide. Dit verzoek heeft hij eerst ter zitting voor een aantal plaatsen in Middelburg geconcretiseerd. De Afdeling acht dit in strijd met een goede procesorde. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat appellant dit aspect gezien het verzoek aan verweerder om informatie over de luchtkwaliteit eerder heeft onderkend. Hij heeft mitsdien dit argument ter ondersteuning van het beroep eerder in de procedure kunnen inbrengen en het een begin van uitwerking kunnen geven. Het enkele verzoek aan de Afdeling de normen te toetsen kan niet als een zodanig begin van uitwerking worden aangemerkt. Dit argument ter ondersteuning van het beroep van Platform N57 dient dan ook buiten beschouwing te blijven.

Gevolgen voor het landschap en natuurwaarden

2.7.27.    Wat betreft de verwijzing naar de Nota Ruimte en de omstandigheid dat Walcheren in deze nota wordt aangewezen als Nationaal landschap overweegt de Afdeling dat deze nota nog geen rijksbeleid is. Hieraan behoefde derhalve niet te worden getoetst. Overigens betekent de aanwijzing als Nationaal landschap niet dat de nieuwe weg niet zou mogen worden aangelegd. In de nota is immers bij wijze van ruimtelijke reservering rekening gehouden met de aanleg van de nieuwe N57.

2.7.28.    Wat betreft de cultuurhistorische waarden van de laaggelegen gronden overweegt de Afdeling dat [appellant sub 2] dit argument ter ondersteuning van het beroep niet verder heeft uitgewerkt. Mitsdien is niet aannemelijk gemaakt dat deze waarden door de aanleg van de nieuwe weg in geding komen dan wel in ernstige mate worden geschaad.

2.7.29.    Voor zover [appellant sub 4a] en [appellant sub 4b], [appellant sub 5] en [appellant sub 6] zich op het standpunt stellen dat het plan erin zou moeten voorzien de nieuwe weg op maaiveldniveau aan te leggen, overweegt de Afdeling dat bij de planvorming de inrichting volgens het programma Duurzaam Veilig als uitgangspunt is gekozen. Dit programma voorziet ter bevordering van de verkeersveiligheid onder meer in ongelijkvloerse kruisingen. De Afdeling acht de toepassing van dit programma niet onredelijk. Verweerder heeft de in het plan voorziene mogelijkheid tot een verhoogde aanleg van zwaarwegend belang kunnen achten. Niet is aannemelijk gemaakt dat de verhoging dusdanig is dat deze het landschap ingrijpend beïnvloedt.

2.7.30.    Niet in geschil is dat het nieuwe wegtracé een plan of project als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn is. De activiteiten kunnen niet worden aangemerkt als een plan of project dat direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van de SBZ Oosterschelde. Derhalve moet worden nagegaan of verweerder terecht heeft geconcludeerd dat deze activiteiten geen significante gevolgen hebben voor de SBZ Oosterschelde.

   De Afdeling ziet, gelet op de afstand van het tracé tot de Oosterschelde, in hetgeen Platform N57 heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat op grond van objectieve gegevens niet kan worden uitgesloten dat het project afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van de SBZ Oosterschelde, significante gevolgen heeft voor het gebied. Er behoefde daarom in zoverre geen passende beoordeling te worden gemaakt als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn, zodat het bestreden besluit niet in strijd is met deze bepaling.

2.7.31.    Over het argument ter ondersteuning van het beroep van [appellant sub 2] inzake de pleisterplaats in Zeeuws-Vlaanderen en de vogeltrek over Walcheren overweegt de Afdeling dat Walcheren noch het door appellant bedoelde gebied in Zeeuws-Vlaanderen is aangewezen als SBZ als bedoeld in de Vogelrichtlijn. Gelet hierop berust het argument van appellant op een onjuiste feitelijke grondslag.

2.7.32.    Wat betreft het bezwaar dat onvoldoende inzichtelijk is dat rekening wordt gehouden met in het plangebied voorkomende soorten, overweegt de Afdeling dat niet is aannemelijk gemaakt dat de gedane onderzoeken naar flora en fauna zodanige gebreken of leemten in kennis vertonen dat verweerder hier niet van mocht uitgaan. In hetgeen appellanten op dit punt hebben aangevoerd kan geen aanleiding worden gevonden voor het oordeel dat deze onderzoeken naar de in het plangebied aanwezige natuurwaarden onvoldoende zijn geweest. Dat de nieuwe Rijksweg zal leiden tot een verstorend effect op de trekbaan over Walcheren is evenmin aannemelijk gemaakt.

Bereikbaarheid [appellant sub 4]

2.7.33.    Voor zover de beroepen van [appellant sub 4a] en [appellant sub 4b] , [appellant sub 5]  en [appellant sub 6] zien op de bereikbaarheid van [appellant sub 4] moeten deze worden aangemerkt als gericht tegen de nadere uitvoering van het bestemmingsplan. De wegaanduidingen op de plankaart binnen de plandelen met de bestemming "Verkeersdoeleinden (V)" zijn in dit opzicht niet bindend. Niet is gebleken dat het plan zich verzet tegen de door appellanten bedoelde infrastructurele voorzieningen bij de President Rooseveltlaan en de Van 't Hoffweg alsmede de parallelweg aan de westzijde van het tracé. Dat het niet in het voornemen ligt deze voorzieningen bij de uitvoering van het plan aan te brengen, maakt het voorgaande niet anders.

   Overigens merkt de Afdeling nog op dat het beleid ter uitvoering van het bestemmingsplan dat erop ziet het verkeer zoveel mogelijk van de polderwegen te weren en op de N57 te concentreren om daarmee de polderwegen autoluw en minder verkeersonveilig te maken, haar niet onredelijk voorkomt. Bij uitvoering van dit beleid zal de bereikbaarheid van de kaasboerderij zonder de bedoelde voorzieningen minder worden maar door de bouw van tunnels bij de Prooijenseweg en de Golsteinseweg zal de bereikbaarheid voor fietsers, brommers en scooters niet veranderen. De bereikbaarheid voor het autoverkeer blijft gewaarborgd, zij het dat vanuit enkele richtingen een extra omrijafstand van ongeveer drie kilometer moet worden afgelegd. De plaatsing van bewegwijzeringsborden is toegezegd. Dat de bedrijfsvoering van de kaasboerderij door de uitvoering van het bestemmingsplan in dusdanig ernstige mate nadelig zal worden beïnvloed dat van uitvoering van dat beleid moet worden afgezien, acht de Afdeling, gelet op de voorliggende stukken, echter niet aannemelijk gemaakt.

Zuidelijke parallelweg bij de A58

2.7.34.    De gronden waar de zuidelijke parallelweg is voorzien liggen aan de rand van de gronden van [appellant sub 3]. De omvang van de kavel van [appellant sub 3] wordt relatief beperkt verkleind en de kavel wordt niet door de weg doorsneden. [appellant sub 3] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het plan tot ernstige bezwaren voor haar bedrijfsvoering zal leiden. Daarbij overweegt de Afdeling dat [appellant sub 3] voor de gronden die zij voor de parallelweg zal moeten afstaan hetzij bij minnelijke verwerving, hetzij bij onteigening, schadeloos gesteld zal worden.

   Terzake van de geluidhinder stelt de Afdeling op grond van de overgelegde stukken vast dat het plan in overeenstemming is met de Wet geluidhinder, waar het betreft de geluidhinder voor de bedrijfswoning van [appellant sub 3]. Er bestaan voorts in de aangevoerde argumenten geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het plan ernstige geluidhinder tot gevolg zal hebben.

   Over de door [appellant sub 3] voorgestelde alternatieve ontsluitingsroute van Nieuw en Sint Joosland naar de N57 overweegt de Afdeling dat het bestaan van alternatieven op zichzelf geen grond kan vormen voor het onthouden van goedkeuring aan het bestemmingsplan. Het karakter van de besluitvorming omtrent de goedkeuring brengt immers mee dat alternatieven daarbij in beginsel eerst aan de orde behoeven te komen indien blijkt van ernstige bezwaren tegen het voorgestane gebruik waarop het plan ziet. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze situatie zich in dit geval niet voordoet. Daarbij heeft de Afdeling betrokken dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de door [appellant sub 3] voorgestelde route sluipverkeer van en naar het industriegebied Arnestein en het Sloegebied in de hand zou kunnen werken en niet past in het streven het verkeer op de N57 te concentreren. [appellant sub 3] heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat de voorziene zuidelijke parallelweg tot verkeersonveilige situaties aanleiding zal geven.

Conclusie inzake de bezwaren tegen de nieuwe Rijksweg

2.7.35.    Gelet op al het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder de belangen bij de aanleg van de weg niet in redelijkheid zwaarder heeft kunnen laten wegen dan de door appellanten hierboven verwoorde belangen.

2.7.36.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

   In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan de plandelen.

   De beroepen van Platform N57, [appellant sub 3], [appellant sub 4a] en [appellant sub 4b] , [appellant sub 5]  en [appellant sub 6] zijn ongegrond. Het beroep van [appellant sub 2] is in zoverre ongegrond.

Artikel 11, zevende lid, van de WRO

2.8.    [appellant sub 2] stelt verder in beroep dat verweerder artikel 11, zevende lid, van de WRO ten onrechte op artikel 7, vierde lid, van de planvoorschriften van toepassing heeft verklaard. Hij vreest als gevolg hiervan voor woningbouwontwikkelingen in het gebied tussen de Noordweg en de N57.

Het standpunt van verweerder

2.8.1.    Verweerder heeft artikel 11, zevende lid, van de WRO van toepassing verklaard op artikel 7, vierde lid, van de planvoorschriften voor het wijzigen van de bestemming "Agrarische doeleinden (A)" in de bestemming "Woondoeleinden" na bedrijfsbeëindiging. Hij stelt zich op het standpunt dat hiermee geen woningbouw mogelijk wordt gemaakt.

Vaststelling van de feiten

2.8.2.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.8.3.    Ingevolge artikel 11, zevende lid, van de WRO, voor zover hier van belang, behoeven in afwijking van het tweede artikellid de besluiten van het college van burgemeester en wethouders tot wijziging van het bestemmingsplan geen goedkeuring van het college van gedeputeerde staten, voor zover deze in zijn besluit tot goedkeuring van het bestemmingsplan zulks heeft omschreven en tegen die wijziging niet van zienswijzen is gebleken.

   Ingevolge artikel 7, vierde lid, van de planvoorschriften is het college van burgemeester en wethouders bevoegd de bestemming "Agrarische doeleinden (A)" van een bebouwingsvlak na bedrijfsbeëindiging te wijzigen in de bestemming "Woondoeleinden" met inachtneming van de volgende bepalingen:

a. het aantal woningen binnen het bebouwingsvlak en het bouwvolume van de gebouwen mogen niet worden vergroot;

b. de aanwezige goot- of boeibordhoogte van de gebouwen mag niet worden gewijzigd;

c. toepassing van de wijzigingsbevoegdheid mag niet leiden tot onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden ter plaatse van de in de nabijheid gelegen bestemmingen en functies.

Het oordeel van de Afdeling

2.8.4.    Anders dan appellant meent volgt uit artikel 7, vierde lid, van de planvoorschriften niet dat daarmee woningbouwontwikkelingen mogelijk gemaakt kunnen worden. De reikwijdte van dit voorschrift is beperkt tot het omzetten van een agrarische dienstwoning in een burgerwoning indien de agrarische bedrijfsvoering is beëindigd. Voorts maakt het plan ook anderszins geen woningbouw mogelijk in het gebied waarop appellant doelt.

   In hetgeen appellant op dit punt heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

   Het beroep van [appellant sub 2] is op dit punt ongegrond.

Proceskostenveroordeling

2.9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, Voorzitter, en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens en mr. M.W.L. Simons-Vinckx, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Bechinka, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel    w.g. Bechinka

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2005

371.