Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT9258

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-07-2005
Datum publicatie
13-07-2005
Zaaknummer
200503446/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 maart 2005, kenmerk 2845, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan de vereniging "Vereniging Nationaal Jachtschietcentrum Berkenhorst" een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een jachtschietcentrum annex horeca-inrichting, munitieopslag, wapenhandel en geweermakerij op het perceel Stakenbergweg 60 te Elspeet. Dit besluit is op 16 maart 2005 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200503446/2.

Datum uitspraak: 7 juli 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

1.    [verzoeker sub 1], wonend te [woonplaats],

2.    de stichting "Stichting Natuur- en Cultuurbehoud Vierhouten", gevestigd te Nunspeet,

3.    Stoeterij Sterrenhof en andere, alle gevestigd dan wel wonend te Elspeet,

verzoekers,

en

het college van burgemeester en wethouders van Nunspeet,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 8 maart 2005, kenmerk 2845, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan de vereniging "Vereniging Nationaal Jachtschietcentrum Berkenhorst" een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een jachtschietcentrum annex horeca-inrichting, munitieopslag, wapenhandel en geweermakerij op het perceel Stakenbergweg 60 te Elspeet. Dit besluit is op 16 maart 2005 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben verzoeker sub 1 bij brief van 22 april 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, verzoekster sub 2 bij brief van 26 april 2005, bij de Raad van State ingekomen op 28 april 2005, en verzoekers sub 3 bij brief van 22 april 2005, bij de Raad van State ingekomen op 25 april 2005, beroep ingesteld. Bij brief van 22 april 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, heeft verzoeker sub 1 de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij brief van 26 april 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, heeft verzoekster sub 2 de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij brief van 22 april 2005, bij de Raad van State ingekomen op 25 april 2005, hebben verzoekers sub 3 de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 14 juni 2005, waar verzoeker sub 1 in persoon en bijgestaan door mr. H.M. van der Bij, advocaat te Amersfoort, verzoekster sub 2, vertegenwoordigd door J.J. Batenburg, gemachtigde en mr. F.F. Scheffer, advocaat te Zwolle, verzoekers sub 3, vertegenwoordigd door I. Campagne, gemachtigde, en mr. F.P.J.M. Otten, advocaat te Utrecht, en verweerder, vertegenwoordigd door J. Korterink en P. Baas, beiden ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is vergunninghoudster, vertegenwoordigd door J.H. Riesmeyer en drs. H.E. Winkelman, gemachtigden, daar gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2.    Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

   Bij de toepassing van artikel 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.3.    Verzoeker sub 1 heeft zich in het verzoekschrift beperkt tot het verwijzen naar het beroepschrift waarin uitsluitend verwezen wordt naar de tegen het ontwerp van het besluit ingebrachte bedenkingen. In de considerans van het bestreden besluit is verweerder ingegaan op deze bedenkingen. Verzoeker sub 1 heeft noch in het verzoekschrift, noch in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende bedenkingen in het bestreden besluit onjuist zou zijn. Het verzoek van verzoeker sub 1 dient derhalve te worden afgewezen.

2.4.    Verzoekster sub 2 en verzoekers sub 3 vrezen met name geluidhinder ten gevolge van het bovengronds schieten. Zij stellen dat de daarvoor in de vergunning gestelde geluidgrenswaarden te hoog zijn. Volgens verzoekers is, anders dan verweerder betoogt, wat betreft het gebruik van de bovengrondse schietbanen geen sprake van bestaande rechten. Bovendien is volgens verzoekers ten onrechte niet aangesloten bij het heersende referentieniveau.

2.5.    Bij het bestreden besluit is, voorzover hier van belang, vergunning verleend voor het schieten op bovengrondse banen op dinsdag tot en met vrijdag van 12.00 uur tot 19.00 uur en op zaterdag van 9.00 uur tot 19.00 uur.

   Ingevolge het aan de vergunning verbonden voorschrift D.1 mag het rating sound level (Lr) veroorzaakt door schietactiviteiten binnen de inrichting ter plaatse van de in het voorschrift genoemde waarneempunten in de dagperiode maximaal 40 dB(A) bedragen.

   Ingevolge voorschrift D.2, voorzover hier van belang, mag het geluidniveau van een enkelvoudige knal (Lknal) veroorzaakt door de schietactiviteiten binnen de inrichting op de in voorschrift D.1 genoemde beoordelingsplaatsen niet meer bedragen dan 50 dB(A) in de dagperiode.

   Ingevolge voorschrift D.5 moeten, kort weergegeven, geluidbeperkende maatregelen worden getroffen. De voorschriften D.5.1, D.5.2 en D.5.3 gelden totdat deze maatregelen zijn getroffen.

   Ingevolge voorschrift D.5.1 mag het rating sound level (Lr) veroorzaakt door bovengrondse schietactiviteiten binnen de inrichting ter plaatse van de in het voorschrift genoemde waarneempunten maximaal 59 dB(A) respectievelijk 64 dB(A) bedragen.

   Ingevolge voorschrift D.5.2, voorzover hier van belang, mag het geluidniveau van een enkelvoudige knal (Lknal) veroorzaakt door de schietactiviteiten binnen de inrichting op de in voorschrift D.5.1 genoemde beoordelingsplaatsen niet meer bedragen dan 66 dB(A) respectievelijk 73 dB(A) in de dagperiode.

   Ingevolge voorschrift D.5.3 mag van de bovengrondse banen uitsluitend op woensdag van 14.00 tot 17.00 en op zaterdag van 11.00 tot 17.00 gebruik worden gemaakt. Gedurende deze periode zijn de voorschriften D.1 tot en met D.4 niet van toepassing.

2.6.    Verweerder heeft bij de beoordeling van de geluidhinder vanwege de inrichting de Circulaire schietlawaai van het Ministerie van Volksgezondheid en Milieuhygiëne van 1 augustus 1979 (hierna: de Circulaire) tot uitgangspunt genomen.

   Bij het vaststellen van de grenswaarden is door verweerder aansluiting gezocht bij de in de Circulaire gehanteerde omgevingscategorie "gebied met verspreide bebouwing". De Voorzitter ziet voor afwijking van deze karakterisering geen aanleiding.

   In de Circulaire wordt aanbevolen dat de grenswaarde voor het rating sound level (Lr) in een gebied met verspreide bebouwing gedurende de dagperiode het heersende referentieniveau niet overschrijdt, tenzij dit meer bedraagt dan 45 dB(A). Indien het heersende referentieniveau meer bedraagt dan 45 dB(A) mag de grenswaarde voor het rating sound level (Lr) maximaal 45 dB(A) bedragen.

2.6.1.    Niet in geschil is dat het referentieniveau van het omgevingsgeluid 36 dB(A) bedraagt.

2.7.    Met betrekking tot de in de voorschriften D.1 en D.2 gestelde geluidgrenswaarden overweegt de Voorzitter als volgt. Het is de Voorzitter uit de stukken gebleken dat de in voorschrift D.1 gestelde grenswaarde voor de dagperiode het referentieniveau in geringe mate overschrijdt, maar de in de Circulaire voor de van toepassing zijnde omgevingscategorie aanbevolen waarde van 45 dB(A) niet te boven gaat. Het is de Voorzitter tevens gebleken dat het in voorschrift D.2 gestelde geluidniveau van een enkelvoudige knal (Lknal) voor de dagperiode de in de Circulaire aanbevolen richtwaarde niet te boven gaat. De Voorzitter ziet, gelet op het vorenstaande, geen aanleiding om de verzoeken in zoverre in te willigen.

2.7.1.    Wat betreft de voorschriften D.5.1 en D.5.2 overweegt de Voorzitter het volgende. De in voorschrift D.5.1 gestelde grenswaarden voor het rating sound level (Lr) overschrijden niet alleen het heersende referentieniveau, maar tevens de in de Circulaire voor de van toepassing zijnde omgevingscategorie aanbevolen waarde van 45 dB(A) aanzienlijk. Anders dan verweerder meent, kan deze overschrijding niet worden gerechtvaardigd met een beroep op bestaande rechten als bedoeld in artikel 8.4, derde lid, van de Wet milieubeheer voor het schieten op bovengrondse banen. Zoals de Voorzitter in zijn uitspraak van 22 december 2004 in zaak no. 200402227/1 en 200402227/2 heeft overwogen is niet sprake van bestaande rechten. De Voorzitter ziet, gelet op het vorenstaande, aanleiding voorschrift D.5.1, en in samenhang daarmee de voorschriften D.5, D.5.2 en D.5.3 te schorsen.

2.7.2.    Ingevolge het aan de vergunning verbonden voorschrift D.4 mogen maximaal 12 maal per jaar wedstrijden worden gehouden waarbij de schotfrequentie op het buitenterrein maximaal 1000 schoten per uur mag bedragen. Mede gelet op hetgeen in rechtsoverweging 2.7.1 is overwogen en gelet op de maximale schotfrequentie die gedurende deze wedstrijden is vergund, is de Voorzitter aannemelijk geworden dat indien deze wedstrijden plaatsvinden gedurende de periode dat de geluidbeperkende maatregelen nog niet zijn getroffen de op grond van de Circulaire aanbevolen grenswaarden aanzienlijk zullen worden overtreden. De Voorzitter ziet gelet hierop aanleiding de hierna vermelde voorlopige voorziening te treffen.

2.8.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Nunspeet van 8 maart 2005, kenmerk 2845, voorzover het de voorschriften D.4, D.5, D.5.1, D.5.2 en D.5.3 betreft;

II.    treft de voorlopige voorziening dat voorschrift D.4 als volgt komt te luiden:

"Wedstrijden waarbij de schotfrequentie hoger is dan de frequentie genoemd in voorschrift D.3 mogen maximaal 6 maal per jaar worden gehouden en moeten minimaal zes weken van tevoren worden gemeld aan het bevoegd gezag. Tijdens de in de voorgaande zin genoemde wedstrijden mag de maximale schotfrequentie op het buitenterrein niet meer bedragen dan 1000 schoten per uur. Tijdens de wedstrijddagen is voorschrift D.1 niet van toepassing.";

III.    wijst het verzoek van verzoeker sub 1 af;

IV.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Nunspeet tot vergoeding van bij verzoekster sub 2 in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 691,23 (zegge: zeshonderdeenennegentig euro en drieëntwintig cent), waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en van bij verzoekers sub 3 in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 676,07 (zegge: zeshonderdzesenzeventig euro en zeven cent), waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; deze dienen door de gemeente Nunspeet aan verzoekster sub 2 en verzoekers sub 3 onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

V.    gelast dat de gemeente Nunspeet aan verzoekster sub 2 en verzoekers sub 3 het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 276,00 (zegge: tweehonderdzesenzeventig euro) voor verzoekster sub 2 en € 276,00 (zegge: tweehonderdzesenzeventig euro) voor verzoekers sub 3 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.J. Van der Zijpp, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink    w.g. Van der Zijpp

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2005

262-415.