Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT8774

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-07-2005
Datum publicatie
06-07-2005
Zaaknummer
200405920/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 september 2003 heeft de gemeenteraad van Bathmen, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 18 september 2003, het bestemmingsplan "Kom Bathmen Supermarkt Larenseweg 2003" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2006/242 met annotatie van J.M.H.F. Teunissen, P.C.M. Heinen
Module Ruimtelijke ordening 2005/1424
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200405920/1.

Datum uitspraak: 6 juli 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellanten sub 1], wonend te [woonplaats],

2.    de naamloze vennootschap "Laurus N.V.", gevestigd te Amersfoort,  de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Laurus Nederland B.V.", gevestigd te 's-Hertogenbosch, en [appellant sub 2A] handelend onder de naam EDAH Supermarkt, gevestigd te Bathmen,

3.    [appellanten sub 3], wonend te [woonplaats],

4.    [appellant sub 4], wonend te [woonplaats],

5.    [appellanten sub 5], gevestigd respectievelijk wonend te [plaats],

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Overijssel,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 25 september 2003 heeft de gemeenteraad van Bathmen, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 18 september 2003, het bestemmingsplan "Kom Bathmen Supermarkt Larenseweg 2003" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 11 mei 2004, no. RWB/2003/3271, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben [appellanten sub 1] bij brief van 16 juli 2004, bij de Raad van State ingekomen per fax op 16 juli 2004, appellanten Laurus N.V, Laurus B.V. en [appellant sub 2A] (hierna: appellanten Laurus) bij brief van 16 juli 2004, bij de Raad van State ingekomen op 19 juli 2004, [appellanten sub 3] bij brief van 17 juli 2004, bij de Raad van State ingekomen per fax op 19 juli 2004, [appellant sub 4] bij brief van 20 juli 2004, bij de Raad van State ingekomen per fax op 20 juli 2004, en [appellanten sub 5] bij brief van 20 juli 2004, bij de Raad van State ingekomen per fax op 21 juli 2004, beroep ingesteld. [appellanten sub 1] hebben hun beroep aangevuld bij brief van 31 augustus 2004. [appellant sub 4] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 11 augustus 2004. [appellanten sub 5] hebben hun beroep aangevuld bij brief van 16 augustus 2004.

Bij brief van 29 september 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 9 februari 2005. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van [appellanten sub 1] en Laurus. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 april 2005, waar [appellanten sub 1], vertegenwoordigd door mr. W.G.C. Wijsman, gemachtigde, en [gemachtigde], appellanten Laurus, vertegenwoordigd door mr. R.C. van Wamel, advocaat te Dordrecht, en mr. A.H.J. Bogaards en [gemachtigde], [appellant sub 4] in persoon, [appellanten sub 5], vertegenwoordigd door mr. F.J.M. Kobossen, advocaat te Deventer, en H.J. Kleinlebbink, en verweerder, vertegenwoordigd door drs. E. Munneke, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is de gemeenteraad van Deventer, vertegenwoordigd door ing. L.B. van Dam en mr. R. Keim, ambtenaren van de gemeente, als partij gehoord.

[appellanten sub 3] zijn, zonder kennisgeving, niet verschenen.

2.    Overwegingen

Ontvankelijkheid

2.1.    De beroepsgrond van [appellanten sub 3], gericht tegen de gevreesde bewoning van de in het plan voorziene kantoorruimte steunt niet op een bij verweerder ingebrachte bedenking. Weliswaar is dit bezwaar op de hoorzitting bij verweerder naar voren gebracht doch uit het bepaalde in artikel 27, eerste en derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening moet worden afgeleid dat op de hoorzitting geen nieuwe bedenkingen naar voren kunnen worden gebracht. De hoorzitting dient slechts ter mondelinge toelichting van de reeds bij verweerder kenbaar gemaakte schriftelijke bedenkingen tegen het plan.

Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, onder d, en 56, tweede lid, gelezen in samenhang met artikel 27, eerste en tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van het college van gedeputeerde staten, voorzover dit beroep een grondslag heeft in een bij het college van gedeputeerde staten ingebrachte bedenking.

Dit is slechts anders voorzover het besluit van het college van gedeputeerde staten strekt tot onthouding van goedkeuring, dan wel indien een belanghebbende aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest terzake bedenkingen in te brengen. Geen van deze omstandigheden doet zich voor. Het beroep van [appellanten sub 3] is dan ook in zoverre niet-ontvankelijk.

Toetsingskader

2.2.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Procedurele aspecten

2.3.    Appellanten Laurus stellen dat de toelichting bij het bestemmingsplan ten onrechte geen blijk geeft van het advies van 24 april 2002 van het Klein Beraad van de Provinciale Planologische Commissie en dat zij ook overigens onbekend zijn met dit advies.

   Ingevolge artikel 12, tweede lid, onder b, van het Besluit op de Ruimtelijke Ordening 1985 gaat een bestemmingsplan vergezeld van een toelichting waarin de uitkomsten van het in artikel 10 bedoelde overleg zijn neergelegd.

   Ingevolge artikel 10 van het Besluit op de Ruimtelijke Ordening 1985, voorzover hier van belang, plegen burgemeester en wethouders waar nodig bij de voorbereiding van een plan overleg met de diensten van Rijk en provincie die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening.

   Uit het verweerschrift blijkt dat één advies is uitgebracht over het voorontwerp-bestemmingsplan. Het betreft het advies van de Eenheid Ruimte, Wonen, en Bereikbaarheid van de provincie Overijssel van 21 februari 2003, waarnaar is verwezen in de toelichting van het bestemmingsplan en dat ook integraal is opgenomen in de bijlagen behorende bij het bestemmingsplan. Voorts blijkt uit het verweerschrift dat het Klein Beraad van de Provinciale Planologische Commissie nimmer een advies heeft uitgebracht over dit plan.

Gelet hierop is er geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in zoverre in strijd met bovengenoemde bepalingen is vastgesteld of anderszins in strijd is met het recht.

2.3.1.    [appellant sub 4] acht het gestelde in de toelichting op het bestemmingsplan onvoldoende in het licht van de vereiste waterparagraaf.

   Ingevolge artikel 12, tweede lid, onder c, van het Besluit op de Ruimtelijke Ordening 1985 gaat een bestemmingsplan vergezeld van een toelichting waarin een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding, is neergelegd. Er bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat hetgeen in paragraaf 3.4 van de toelichting op het bestemmingsplan is opgenomen niet voldoet aan deze bepaling dan wel in strijd is met de zorgvuldigheid.

2.3.2.    [appellant sub 4] stelt dat de bijlagen behorende bij het bestemmingsplan ten onrechte niet ter inzage hebben gelegen.

Ingevolge artikel 23, eerste lid, onder b, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, in samenhang met artikel 3:11, eerste lid, onder 1, van de Algemene wet bestuursrecht, voorzover hier van belang, dient het ontwerp met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, gedurende vier weken ter inzage te liggen. Uit de stukken blijkt dat de bijlagen behorende bij het bestemmingsplan ter inzage hebben gelegen. Dat deze bijlagen niet tevens zijn verstuurd tezamen met het aan [appellant sub 4] toegezonden exemplaar van het ontwerpplan is niet in strijd met de bovengenoemde bepalingen en is ook niet in strijd met de zorgvuldigheid.

Onthouding van goedkeuring

Standpunt van appellanten

2.4.    Ter zitting hebben [appellanten sub 5] het beroep voorzover gericht tegen de onthouding van goedkeuring aan artikel 4, eerste lid, sub b, van de planvoorschriften, voorzover dit voorschrift betrekking heeft op het met rood gearceerde deel van de plankaart ter plaatse van het plandeel met de bestemming "Centrumdoeleinden -C-" met de aanduidingen "C" en "9/10,5" ingetrokken.

2.4.1.    [appellanten sub 5] stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan artikel 4, eerste lid, onder c, van de planvoorschriften en aan de hierbij behorende aanduiding "verkooppunt motorbrandstoffen" op de plankaart.

2.4.2.    Daartoe voeren zij aan dat het benzineverkooppunt als zodanig was bestemd in het voorgaande plan zodat de onthouding van goedkeuring aan dit deel van het plan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Het bestreden besluit

2.4.3.    Verweerder heeft het bovengenoemde onderdeel van het plan in strijd geacht met een goede ruimtelijke ordening en heeft daaraan goedkeuring onthouden. Hij heeft daartoe gesteld dat gelet op de jurisprudentie de verkoop van LPG expliciet in de planvoorschriften dient te worden uitgesloten en dat niet kan worden volstaan met een dergelijke mededeling in de plantoelichting.

Vaststelling van de feiten

2.4.4.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.4.5.    Ingevolge artikel 4, eerste lid, onder c, van de planvoorschriften zijn de op de plankaart als "Centrumdoeleinden -C-" aangewezen gronden  bestemd voor een verkooppunt voor motorbrandstoffen, ter hoogte van de op de plankaart voorkomende aanduiding "verkooppunt motorbrandstoffen".

Oordeel van de Afdeling

2.4.6.    Dat het verkooppunt voor motorbrandstoffen in het voorgaande bestemmingsplan als zodanig was bestemd, doet op zichzelf niet af aan de rechtmatigheid van het besluit van verweerder tot onthouding van goedkeuring aan de betreffende aanduiding en het bijbehorende planvoorschrift. Niet bestreden is dat bij het verkooppunt geen levering van LPG plaatsvindt en dat appellanten daartoe ook niet willen overgaan. Verder heeft verweerder met zijn besluit alleen beoogd de verkoop van LPG in de planvoorschriften uit te sluiten. Door goedkeuring te onthouden aan de betreffende aanduiding en het bijbehorende planvoorschrift is voor de gemeenteraad op grond van artikel 30 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening de verplichting ontstaan de planvoorschriften op dit punt aan te passen. Er bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid tot zijn standpunt heeft kunnen komen. Daarbij is tevens in aanmerking genomen dat ter zitting is gebleken, hetgeen door [appellanten sub 5] niet is weersproken, dat [appellanten sub 5] niet worden belemmerd in de door hen gewenste exploitatie van dit verkooppunt voor motorbrandstoffen.

Goedkeuring van het plan

Standpunt van appellanten

2.5.     [appellanten sub 1], Laurus, [appellanten sub 3] en [appellant sub 4] stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan voorzover hierin is voorzien in de vestiging van een supermarkt.

2.5.1.    Daartoe stellen appellanten Laurus dat het plan een duurzame ontwrichting van de distributieplanologische structuur in Bathmen tot gevolg heeft nu ten onrechte de detailhandelsbestemming van de oude locatie van de "Golff Kottier Supermarkt" (hierna: Golff-supermarkt) niet is meegenomen in dit plan en deze derhalve ongewijzigd blijft. Volgens appellanten Laurus is de motivering van de distributieplanologische gevolgen van het plan door verweerder onvoldoende, waarbij zij in het bijzonder vrezen voor het voortbestaan van de EDAH supermarkt in Bathmen.

[appellanten sub 1], [appellanten sub 3] en [appellant sub 4] stellen voorts dat het plan in strijd met de VNG Brochure is vastgesteld. [appellanten sub 3] stellen daarbij dat het plan ook in strijd is met de gemeentelijke ruimtelijke visie die voor het plangebied is opgesteld. Voorts vrezen zij een aantasting van hun woongenot waarbij zij wijzen op een inbreuk op hun privacy, de vermindering van hun uitzicht en geluidsoverlast van de supermarkt. Voorts vrezen [appellanten sub 1] en [appellanten sub 3] parkeeroverlast tengevolge van het plan. [appellanten sub 3] vrezen daarbij ook verkeersoverlast. [appellanten sub 1] stellen dat onvoldoende aandacht is besteed aan reclame-uitingen en [appellant sub 4] voorziet een beperking van licht op zijn perceel. Ten slotte achten appellanten Laurus een goed woon- en leefklimaat voor de appartementen niet gewaarborgd vanwege de geluidsbelasting van het wegverkeer. In dit verband stelt [appellant sub 4] zich op het standpunt dat met de instelling van een 30 kilometer-zone ten onrechte getracht wordt een onderzoek naar geluidsbelasting vanwege het wegverkeer achterwege te laten.

Bestreden besluit

2.5.2.    Verweerder heeft het plan in zoverre niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft het goedgekeurd. Daartoe stelt hij dat de gemeenteraad de vrijheid heeft de grenzen van het bestemmingsplan te bepalen en dat er geen reden bestaat om in dit geval inbreuk daarop te maken. Nu de gemeenteraad nog geen duidelijkheid heeft omtrent de functie van de oude locatie van de Golff-supermarkt, is er geen reden deze in het plan mee te nemen. Voorts meent verweerder dat de economische motieven in engere zin van appellanten Laurus geen aanleiding mogen zijn om niet mee te werken aan een verzoek tot verplaatsing en uitbreiding van een andere supermarkt. Ten aanzien van de VNG Brochure stelt verweerder dat alleen voor de woning van [appellanten sub 1] niet wordt voldaan aan de VNG Brochure, maar dat een afstand van 7 meter vanaf de perceelsgrens tot aan de gevel van het hoofdgebouw in dit geval aanvaardbaar is. Voorts stelt verweerder dat voldoende is aangetoond dat het plan binnen de gemeentelijke ruimtelijke visie past.          

Inzake het aantal benodigde parkeerplaatsen stelt verweerder dat het plan ruimschoots voldoet aan de geldende parkeernormen. Ten slotte acht verweerder dat het plan geen onevenredige en onaanvaardbare verslechtering van het woongenot voor omwonenden tot gevolg heeft.

Vaststelling van de feiten

2.5.3.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.5.4.    Het plangebied ligt aan de zuidoostzijde van de kom Bathmen. Het plan voorziet in een nieuwe locatie en uitbreiding van de Golff-supermarkt, de bouw van drie appartementen, de nieuwbouw van de fietsenhandel met bedrijfswoning, en een gedeeltelijke verbouwing van het verkooppunt voor motorbrandstoffen.

[appellanten sub 1] wonen aan de [locatie 1] ten zuiden van het plangebied. De woning van [appellant sub 3A] aan de [locatie 2] ligt ten noorden van het plangebied en de percelen van [appellant sub 3B] aan de [locatie 3] en [appellant sub 4] aan de [locatie 4] grenzen aan de noordoostelijke zijde van het plangebied.

2.5.5.    De gronden binnen het plangebied zijn bestemd als "Centrumdoeleinden -C-", "Parkeerterrein" en "Berg- en stallingruimte -BS-".

   Ingevolge artikel 4, eerste lid, onder a, van de planvoorschriften zijn de op de plankaart als "Centrumdoeleinden C-" aangewezen gronden bestemd voor detailhandel, publiekgerichte dienstverlening, maatschappelijke voorzieningen ter zake van religie, verenigingsleven, cultuur, onderwijs, opvoeding, recreatie en zorg, met daarbij behorende kantine-, kantoor- en andere dienstruimten

   Ingevolge artikel 4, tweede lid, van de planvoorschriften mogen op en in de gronden als bedoeld in lid 1, uitsluitend gebouwen en andere bouwwerken, zoals luifels, uitstalkasten, reclametekens, verlichtingselementen, beeldende kunstwerken, vlaggenmasten en terreinafscheidingen worden gebouwd.

   Ingevolge artikel 4, derde lid, onder e, van de planvoorschriften mag de maximale hoogte voor bouwwerken als verlichtingselementen, beeldende kunstwerken en vlaggenmasten niet meer dan 9 meter bedragen.

   Ingevolge artikel 6, eerste lid, onder a, van de planvoorschriften zijn de op de plankaart als "Parkeerterrein" aangewezen gronden bestemd voor parkeerterrein en bevoorradingsvoorzieningen.

2.5.6.    In Bathmen bedraagt het huidige winkelaanbod in dagelijkse artikelen een verkoopvloeroppervlak van 1650 m2. Aan de huidige locatie van de Golff-supermarkt aan de Larenseweg 12 is in het bestemmingsplan "Kom Bathmen 1978" de bestemming "Detailhandel" toegekend, welke bestemming het gebruik als winkel mogelijk maakt. De supermarkt heeft momenteel een verkoopvloeroppervlak van 550 m2. Het plan voorziet in een nieuwe supermarkt met een verkoopvloeroppervlak van 1100 m2 tegenover de oude locatie.

   In opdracht van de projectontwikkelaar is in 2002 door Goudappel Coffeng een distributieplanologisch onderzoek naar de dagelijkse detailhandel in Bathmen uitgevoerd. In dit onderzoek wordt gesteld dat de uit distributieplanologisch oogpunt optimale hoeveelheid verkoopvloeroppervlak 1950 m2  bedraagt, hetgeen een uitbreidingsruimte van 300 m2 biedt. Hierbij is Goudappel Coffeng uitgegaan van een stijging van de koopkrachtbinding van 80% naar 90% en een gemiddelde vloerproductiviteit van € 6000,- per vierkante meter. Voorts wordt in het onderzoek gesteld dat in Bathmen uitgegaan kan worden van een lagere vloerproductiviteit van € 5500,- per vierkante meter, zodat de uitbreidingsruimte toeneemt tot 500 m2. Dit komt volgens Goudappel Coffeng ongeveer overeen met de gewenste uitbreidingsruimte van de Golff-supermarkt.

2.5.7.    In opdracht van appellanten Laurus hebben MKB Adviseurs in 2003 eveneens een distributieplanologisch onderzoek naar de dagelijkse detailhandel in Bathmen uitgevoerd. Blijkens dit onderzoek bedraagt de uit distributieplanologisch oogpunt optimale hoeveelheid verkoopvloeroppervlak 1820 m2, hetgeen een uitbreidingsruimte van 170 m2 biedt voor Bathmen. Hierbij zijn MKB Adviseurs uitgegaan van een stijging van de koopkrachtbinding van 80% naar 85% en een vloerproductiviteit van € 5800,- per vierkante meter. Op basis van deze gegevens wordt in het rapport gesteld dat bij de door Golff-supermarkt gewenste uitbreidingsruimte van 550 m2 de winkelstructuur in Bathmen wordt verstoord waarbij de EDAH supermarkt het onderspit delft en zal moeten sluiten. Daarbij wordt opgemerkt dat de winkelstructuur wel in stand kan blijven indien aan beide supermarkten uitbreidingsruimte wordt gegund met een totale omvang van ongeveer 600 m2.

2.5.8.    Door de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak is een advies uitgebracht waarin wordt gesteld dat de uitbreiding van de Golff-supermarkt weliswaar een grotere oppervlakte omvat dan uit distributieplanologisch oogpunt als optimaal kan worden aangemerkt, maar dat dit niet leidt tot een ernstige verstoring van de distributieplanologische situatie. Ten aanzien van de oude Golff-supermarkt wordt in het advies gesteld dat de detailhandelsbestemming van de oude locatie de vestiging van een nieuwe supermarkt niet uitsluit. Daarmee zou het verkoopvloeroppervlak voor dagelijkse goederen in Bathmen stijgen tot 2750 m2. In dit kader acht de Stichting Advisering bestuursrechtspraak een situatie van overbewinkeling niet uitgesloten.

2.5.9.    In de VNG Brochure "Bedrijven en Milieuzonering" wordt voor supermarkten zonder een met ammoniak gekoelde koelinstallatie aanbevolen wegens geluid een afstand van 10 meter van de perceelsgrens tot aan de gevel van een woning aan te houden.

Wettelijk kader

2.5.10.    Ingevolge artikel 9, eerste lid, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 verrichten burgemeester en wethouders ten behoeve van de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling van het gebied der gemeente onderzoek naar de bestaande toestand in en naar de mogelijke en wenselijke ontwikkeling van de gemeente.

    Ingevolge artikel 9, tweede lid, heeft dit onderzoek bij de voorbereiding van een ontwerp voor een bestemmingsplan van stonde af aan mede betrekking op de uitvoerbaarheid van het plan.

Oordeel van de Afdeling

2.5.11.    De Afdeling stelt voorop dat, voorzover de bezwaren van appellanten Laurus zijn ingegeven door concurrentievrees, er in beginsel geen aanleiding bestaat om in het kader van een goede ruimtelijke ordening terzake regulerend op te treden. Slechts in het geval zich een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau in dit opzicht zal voordoen, zodanig dat sprake is van een in planologisch opzicht onaanvaardbare situatie, is hiervoor plaats.

   Weliswaar is, gelet op het onderzoek van Goudappel Coffeng en het deskundigenbericht, niet aannemelijk dat de enkele uitbreiding van de Golff-supermarkt zal leiden tot een ernstige verstoring van het voorzieningenniveau, maar het onderzoek van Goudappel Coffeng heeft zich niet uitgestrekt tot de gevolgen voor het voorzieningenniveau indien, zoals in dit geval, de detailhandelsbestemming van de huidige locatie van de Golff-supermarkt wordt gehandhaafd. De planologische regeling voor deze gronden aan de Larenseweg 12 sluit de vestiging van een andere supermarkt op die plek niet uit, zodat het mede gelet op het deskundigenbericht, ervoor moet worden gehouden dat het verkoopvloeroppervlak dat bestemd is voor detailhandel stijgt tot 2750 m2. Dit betekent een overschrijding van tussen de 800 m2 tot 930 m2 ten opzichte van de uit distributieplanologisch oogpunt optimaal geachte situatie. De gemeenteraad heeft dit punt ten onrechte niet bij het onderzoek naar de uitvoerbaarheid van het plan betrokken, zodat een ernstige verstoring van het voorzieningenniveau op voorhand niet uitgesloten kan worden. Verweerder heeft dit miskend.

2.5.12.    Ten aanzien van de in acht te nemen afstand vanaf de perceelsgrens tot de gevel van de woning van [appellanten sub 1] is verweerder bij zijn bestreden besluit van een onjuiste afstand uitgegaan. Gelet op het verhandelde ter zitting had verweerder in ieder geval het deel van de aanbouw dat in directe verbinding staat met het hoofdgebouw en waarin zich de keuken bevindt, moeten aanmerken als deel uitmakend van het hoofdgebouw. In verband hiermede bedraagt de afstand tussen de keuken van de woning van [appellanten sub 1] en de perceelsgrens van de in het plan voorziene supermarkt ongeveer 3 meter. De Afdeling stelt vast dat het plan hiermee in niet geringe mate afwijkt van de in de VNG Brochure aanbevolen afstand van 10 meter. Gelet op de bouw- en gebruiksmogelijkheden van de als "Centrumdoeleinden -C-" en "Parkeerterrein" bestemde gronden zoals weergegeven in overweging 2.5.5. en gezien de ligging van die gronden tot aan de perceelsgrens van appellanten, acht de Afdeling een goed woon- en leefklimaat voor appellanten onder deze omstandigheden niet gewaarborgd. Verweerder heeft zich dan ook niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

2.5.13.    Gelet op het vorenstaande is het plan vastgesteld in strijd met artikel 9 van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985. Voorts heeft verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan wat betreft [appellanten sub 1] niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Door het plan niettemin goed te keuren heeft verweerder in strijd gehandeld met artikel 9 en artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.6.    Gelet op de overwegingen 2.4.6., 2.5.10. en 2.5.11 zijn het beroep van [appellanten sub 3], voorzover ontvankelijk, en de beroepen van [appellanten sub 1], Laurus, [appellant sub 4] en [appellanten sub 5] gegrond en dient het bestreden besluit te worden vernietigd. Uit het bovenstaande volgt dat er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om goedkeuring te onthouden aan het plan.

De overige bezwaren van [appellanten sub 1], Laurus, [appellanten sub 3] en [appellant sub 4] behoeven in verband hiermee geen verdere bespreking.

Proceskostenveroordeling

2.7.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep van [appellanten sub 3] niet-ontvankelijk voorzover het is gericht tegen de gevreesde bewoning van de in het plan voorziene kantoorruimte;

II.    verklaart het beroep van [appellanten sub 3] voor het overige en de beroepen van [appellanten sub 1], Laurus, [appellant sub 4] en [appellanten sub 5] gegrond;

III.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten Overijssel van 11 mei 2004, no. RWB/2003/3271;

IV.    onthoudt goedkeuring aan het plan "Kom Bathmen Supermarkt Larenseweg 2003";

V.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VI.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Overijssel tot vergoeding van de in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.922,87 (zegge: tweeduizend negenhonderdtweeëntwintig euro en zevenentachtig cent), waarvan een gedeelte groot € 2.898,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient als volgt door de provincie Overijssel onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald:

- aan [appellanten sub 1]: een bedrag van € 805,00 (zegge: achthonderdvijf euro)

- aan appellanten Laurus: een bedrag van € 829,87    (zegge: achthonderdnegenentwintig euro en zevenentachtig cent)

- aan [appellanten sub 3]: een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro)

- aan [appellant sub 4]: een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro)

- aan [appellanten sub 5]: een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro)

VII.    gelast dat de provincie Overijssel aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 136,00 (zegge: honderdzesendertig euro) voor [appellanten sub 1], € 273,00 (zegge: tweehonderddrieënzeventig euro) voor appellanten Laurus, € 136,00 (zegge: honderdzesendertig euro) voor [appellanten sub 3], € 136,00 (zegge: honderdzesendertig euro) voor [appellant sub 4], en € 273,00 (zegge: tweehonderddrieënzeventig euro) voor [appellanten sub 5] vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R. Cleton, Voorzitter, en mr. M. Oosting en mr. M.G.J. Parkins-de Vin, Leden, in tegenwoordigheid van mr. F.W.M. Kooijman, ambtenaar van Staat.

w.g. Cleton    w.g. Kooijman

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2005

177-461.