Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT8768

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-07-2005
Datum publicatie
06-07-2005
Zaaknummer
200405077/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 maart 2004 hebben provinciale staten van Limburg, op voorstel van het college van gedeputeerde staten van Limburg van 13 januari 2004, vastgesteld het reconstructieplan "Reconstructieplan Noord- en Midden-Limburg".

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Algemene wet bestuursrecht 8:1
Reconstructiewet concentratiegebieden
Reconstructiewet concentratiegebieden 17
Reconstructiewet concentratiegebieden 29
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2005, 296 met annotatie van A.A.J. de Gier
Module Pacht en landelijk gebied 2005/32
Milieurecht Totaal 2005/5531
JB 2005/265
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200405077/1.

Datum uitspraak: 6 juli 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellanten sub 1], beiden wonend te [woonplaats],

2.    [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

3.    [appellant sub 3], wonend te [woonplaats],

4.    [appellante sub 4], gevestigd te [plaats],

5.    [appellant sub 5], wonend te [woonplaats],

6.    [appellante sub 6], gevestigd te [plaats],

7.    [appellante sub 7], gevestigd te [plaats],

8.    het college van burgemeester en wethouders van Beesel,

9.    [appellant sub 9], wonend te [woonplaats],

10.    [appellante sub 10], gevestigd te [plaats],

11.    [appellante sub 11]), gevestigd te [plaats],

12.    [appellante sub 12], gevestigd te [plaats],

13.    [appellante sub 13], gevestigd te [plaats],

14.    [appellante sub 14], gevestigd te [plaats],

15.    [appellanten sub 15], allen wonend te [woonplaats],

16.    [appellante sub 16], gevestigd te [plaats],

17.    [appellante sub 17], gevestigd te [plaats],

18.    [appellant sub 18], wonend te [woonplaats],

19.    [appellante sub 19], gevestigd te [plaats],

20.    [appellanten sub 20], beiden wonend te [woonplaats],

21.    [appellant sub 21], wonend te [woonplaats],

22.    [appellante sub 22]), gevestigd te [plaats],

23.    [appellante sub 23], gevestigd te [plaats],

24.    [appellante sub 24], gevestigd te [plaats],

25.    [appellant sub 25], wonend te [woonplaats],

26.    [appellante sub 26], wonend te [woonplaats],

27.    [appellante sub 27], gevestigd te [plaats],

28.    [appellante sub 28], gevestigd te [plaats],

29.    [appellant sub 29], wonend te [woonplaats],

30.    [appellante sub 30], wonend te [woonplaats],

31.    [appellante sub 31], gevestigd te [plaats],

32.    [appellant sub 32], wonend te [woonplaats],

33.    [appellante sub 33], gevestigd te [plaats],

34.    [appellant sub 34], wonend te [woonplaats],

35.    [appellant sub 35], wonend te [woonplaats],

36.    [appellant sub 36], wonend te [woonplaats],

37.    [appellant sub 37], wonend te [woonplaats],

38.    [appellante sub 38], gevestigd te [plaats],

39.    [appellant sub 39], wonend te [woonplaats],

40.    [appellant sub 40], wonend te [woonplaats],

41.    [appellante sub 41], gevestigd te [plaats],

42.    [appellante sub 42], gevestigd te [plaats],

43.    [appellant sub 42], wonend te [woonplaats],

44.    [appellante sub 44], gevestigd te [plaats],

45.    de stichting "Stichting Werkgroep Behoud De Peel" (hierna: Stichting Werkgroep Behoud De Peel), gevestigd te Deurne,

46.    [appellant sub 46], wonend te [woonplaats],

47.    [appellante sub 47], gevestigd te [plaats],

48.    [appellant sub 48], wonend te [woonplaats],

49.    [appellanten sub 49], allen wonend te [woonplaats],

50.    de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Turkeyfarm Ospel B.V." (hierna: Turkeyfarm Ospel B.V.), gevestigd te Ospel,

51.    [appellante sub 51], gevestigd te [plaats],

52.    [appellante sub 52], gevestigd te [plaats],

53.    [appellante sub 53], gevestigd te [plaats],

54.    [appellante sub 54], gevestigd te [plaats],

55.    [appellanten sub 55], gevestigd respectievelijk wonend te [plaats],

56.    [appellante sub 56], gevestigd te [plaats],

57.    [appellant sub 57], wonend te [woonplaats],

58.    [appellant sub 58], wonend te [woonplaats],

59.    [appellante sub 59], gevestigd te [plaats],

en

provinciale staten van Limburg (hierna: verweerders), de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Minister en de Staatssecretaris).    

1.    Procesverloop

Bij besluit van 5 maart 2004 hebben provinciale staten van Limburg, op voorstel van het college van gedeputeerde staten van Limburg van 13 januari 2004, vastgesteld het reconstructieplan "Reconstructieplan Noord- en Midden-Limburg".

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer hebben bij besluit van 22 april 2004 het reconstructieplan goedgekeurd.

Tegen het besluit tot vaststelling van het reconstructieplan hebben appellanten beroep ingesteld.

Bij brieven van 21 september 2004 en 25 oktober 2004 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 17 januari 2005. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 en 22 maart 2005, waar appellanten in persoon zijn verschenen en/of zich hebben doen vertegenwoordigen. [appellanten sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellante sub 4], [appellante sub 6], [appellante sub 11], [appellante sub 16], [appellante sub 17], [appellante sub 19], [appellanten sub 20], [appellante sub 22], [appellante sub 23], [appellante sub 24], [appellante sub 27], [appellante sub 28], [appellant sub 29], [appellante sub 30], [appellante sub 31], [appellant sub 32], [appellant sub 35], [appellant sub 36], [appellant sub 37], [appellante sub 38], [appellant sub 39], [appellant sub 40], [appellante sub 41], [appellant sub 42], [appellante sub 44], Turkeyfarm Ospel B.V., [appellante sub 51], [appellante sub 52], [appellante sub 53], [appellante sub 56] en [appellant sub 58], zijn niet verschenen.

Provinciale staten van Limburg, de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer hebben zich doen vertegenwoordigen.

2.    Overwegingen

ONTVANKELIJKHEID

I. Vormverzuim

2.1.    Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Reconstructiewet concentratiegebieden (hierna: de Rwc) behoeft het reconstructieplan de goedkeuring van de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (thans: de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) en de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.

Ingevolge artikel 28 van de Rwc wordt het reconstructieplan onverwijld na de goedkeuring bekendgemaakt.

Ingevolge artikel 29, eerste lid, van de wet kan een belanghebbende tegen een besluit tot vaststelling van het reconstructieplan beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, van de wet maakt het besluit tot goedkeuring, voor de toepassing van het eerste lid, deel uit van het daaraan ten grondslag liggende besluit tot vaststelling van het reconstructieplan.

Ingevolge artikel 6:8, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht vangt de termijn voor het indienen van een beroepschrift tegen een besluit dat aan goedkeuring is onderworpen aan met ingang van de dag na die waarop het besluit, op de voorgeschreven wijze is kenbaar gemaakt.

Ingevolge artikel 6:7 van die wet bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken.

Verweerders hebben het besluit tot vaststelling van het reconstructieplan en het daarvan deel uitmakende goedkeuringsbesluit bekendgemaakt op 1 juni 2004. Vast staat dat de wettelijke beroepstermijn en de in de publicatie vermelde beroepstermijn zijn aangevangen op 2 juni 2004 en geëindigd op 13 juli 2004. De beroepsgrond van [appellante sub 13] dat haar gronden aan de [locatie 1] te [plaats] in het reconstructieplan ten onrechte in een extensiveringsgebied zijn komen te liggen is eerst bij brief van 10 februari 2005 aangevoerd. Appellante heeft deze beroepsgrond derhalve na afloop van de beroepstermijn ingediend. Niet is gebleken van feiten en omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs geoordeeld zou moeten worden dat appellante met het indienen van deze beroepsgrond na afloop van de beroepstermijn niet in verzuim is geweest.

2.1.1.    Het beroep van [appellante sub 13] met betrekking tot de [locatie 1] te [plaats] is dan ook niet-ontvankelijk.

II. Wettelijk kader

2.2.    Ingevolge artikel 1 van de Rwc wordt onder reconstructie verstaan de voorbereiding, vaststelling en uitvoering van een onderling samenhangend complex van maatregelen en voorzieningen ter verwezenlijking van de doelstellingen van deze wet.

Onder een varkenshouderij wordt verstaan het geheel van productie-eenheden bestaande uit één of meer gebouwen of afgescheiden gedeelten daarvan en daarbij behorende landbouwgrond, uitsluitend of onder meer dienende tot het bedrijfsmatig houden van varkens, zulks beoordeeld naar de feitelijke omstandigheden.

Onder een varkensvrije zone wordt verstaan een ruimtelijk begrensd gedeelte van een verwevings- of extensiveringsgebied dat vrij is van varkenshouderijen of daarvan in het kader van de reconstructie vrij zal worden gemaakt.

Onder een landbouwontwikkelingsgebied wordt verstaan een ruimtelijk begrensd gedeelte van een reconstructiegebied met het primaat landbouw dat geheel of gedeeltelijk voorziet, of in het kader van de reconstructie zal voorzien in, de mogelijkheid tot uitbreiding, hervestiging of nieuwvestiging van intensieve veehouderij.

Onder een verwevingsgebied wordt verstaan een ruimtelijk begrensd gedeelte van een reconstructiegebied gericht op verweving van landbouw, wonen en natuur, waar hervestiging of uitbreiding van de intensieve veehouderij mogelijk is mits de ruimtelijke kwaliteit of de functies van het gebied zich daar niet tegen verzetten.

Onder een extensiveringsgebied wordt verstaan een ruimtelijk begrensd gedeelte van een reconstructiegebied met het primaat wonen of natuur, waar uitbreiding, hervestiging of nieuwvestiging van in ieder geval intensieve veehouderij onmogelijk is of in het kader van de reconstructie onmogelijk zal worden gemaakt.

2.2.1.    Ingevolge artikel 11, vijfde lid, van de Rwc, voorzover hier van belang, wordt in het reconstructieplan aangegeven op welke onderdelen het reconstructieplan afwijkingen van streekplannen als bedoeld in artikel 4a van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) inhoudt.

2.2.2.    Ingevolge artikel 16, tweede lid, van de Rwc, geldt de vaststelling van het reconstructieplan ten aanzien van onderdelen van het reconstructieplan die een afwijking inhouden van een vastgesteld streekplan als bedoeld in artikel 4a van de WRO als besluit tot herziening van zodanig streekplan.

2.2.3.    Ingevolge artikel 27, eerste lid, van de Rwc, voorzover van belang, geldt het reconstructieplan voor in het reconstructieplan overeenkomstig artikel 11, zesde lid, van de wet aangewezen delen van het reconstructiegebied als een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de WRO. Het reconstructieplan geldt voor die delen van het reconstructiegebied niet meer als een voorbereidingsbesluit indien voor de desbetreffende onderdelen van het reconstructiegebied een bestemmingsplan in overeenstemming met het reconstructieplan van kracht is geworden.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel is artikel 50 van de Woningwet niet van toepassing op aanvragen om een bouwvergunning ter uitvoering van de in het eerste lid bedoelde delen van het reconstructieplan.

Ingevolge artikel 27, derde lid, van de Rwc, geldt, voorzover de in het eerste lid bedoelde delen van het reconstructieplan en het bestemmingsplan niet met elkaar in overeenstemming zijn, het reconstructieplan voor de uitvoering daarvan als een vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de WRO.

2.2.4.    Ingevolge artikel 29, eerste lid, van de Rwc kan een belanghebbende tegen een besluit tot vaststelling, wijziging of uitwerking van het reconstructieplan beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, van de wet maakt het besluit tot goedkeuring, voor de toepassing van het eerste lid, deel uit van het daaraan ten grondslag liggende besluit tot vaststelling van het reconstructieplan.

Ingevolge artikel 29, derde lid, van de Rwc kunnen, in afwijking van de artikelen 27, eerste en tweede lid, 28, zevende lid, en 29, negende lid, van de WRO, geen bedenkingen of kan geen beroep worden ingediend tegen die onderdelen van een bestemmingsplan die voortvloeien uit een bekendgemaakt reconstructieplan.

2.2.5.    Ingevolge artikel 4a, eerste lid, van de WRO, voorzover hier van belang, kunnen provinciale staten voor één of meer gedeelten of voor het gehele gebied der provincie een streekplan vaststellen, waarin de toekomstige ontwikkeling van het in het plan begrepen gebied in hoofdlijnen wordt aangegeven, alsmede een vastgesteld streekplan herzien.

Ingevolge artikel 54, tweede lid, aanhef en onder a, voorzover hier van belang, gelezen in samenhang met artikel 56, eerste lid, van de WRO, zoals deze bepalingen luidden ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpreconstructieplan, kan door een ieder beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State worden ingesteld tegen een concrete beleidsbeslissing, een herziening of een intrekking daarvan, opgenomen in een streekplan.

Ingevolge artikel 1 van de WRO wordt onder een concrete beleidsbeslissing verstaan een als zodanig door het bestuursorgaan aangegeven besluit in een planologische kernbeslissing, een streekplan of een regionaal structuurplan.

Ingevolge artikel 7, derde lid, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 wordt in een streekplan een concrete beleidsbeslissing als zodanig in de tekst of op de kaart benoemd en herkenbaar aangegeven.

Het reconstructieplan

2.2.6.    Het reconstructieplan voorziet in een zonering intensieve veehouderij die is weergegeven op de bij het plan behorende kaarten 1.1 tot en met 1.7. De zonering intensieve veehouderij bestaat uit extensiveringsgebieden, verwevingsgebieden met bovengrens bouwkavel, verwevingsgebieden zonder bovengrens bouwkavel en landbouwontwikkelingsgebieden. Voorts maken de op de genoemde kaarten weergegeven varkensvrije zones deel uit van de zonering intensieve veehouderij.

2.2.7.    Het reconstructieplan bevat op pagina's B-21 en B-22 de volgende begripsomschrijvingen.

2.2.7.1.    Onder intensieve veehouderij wordt in principe verstaan het hebben van een bedrijfsmatige tak van varkens, kippen, vleeskuikens, vleeskalveren, stieren voor de roodvleesproductie, eenden, pelsdieren, konijnen, kalkoenen of parelhoenders (waarvoor een milieuvergunning uiterlijk op het tijdstip van de bekendmaking van het reconstructieplan is verleend). De melkveehouderij wordt niet als intensieve veehouderij beschouwd.

2.2.7.2.    Onder uitbreiding van intensieve veehouderij wordt verstaan de uitbreiding van de, in het rechtsgeldige bestemmingsplan vastgelegde, agrarische bouwkavel met intensieve veehouderij, ten behoeve van de intensieve veehouderij(tak). Dit betekent dat toename van het aantal dieren binnen de bouwkavel niet als uitbreiding van intensieve veehouderij wordt beschouwd.

2.2.7.3.    Met hervestiging van intensieve veehouderij wordt volgens het plan in het normale spraakgebruik bedoeld dat een bestaande intensieve veehouderij zich elders vestigt. In de ruimtelijke ordening is echter alleen de locatie relevant waar gevestigd wordt. Daarbij kunnen zich verschillende situaties voordoen:

- hervestiging op een nieuwe agrarische bouwkavel wordt in het plan gelijkgesteld met nieuwvestiging;

- hervestiging op een bestaande bouwkavel waar nog geen intensieve veehouderijtak is, wordt gelijk gesteld met omschakeling (en dus met nieuwvestiging);

- hervestiging op een bestaande agrarische bouwkavel waar al een intensieve veehouderijtak is, wordt gelijkgesteld met overname.

2.2.7.4.    Onder nieuwvestiging van intensieve veehouderij vallen twee verschillende situaties:

- op een nieuwe agrarische bouwkavel wordt een intensieve veehouderij gevestigd, of

- op een reeds bestaande agrarische bouwkavel waar nog geen intensieve veehouderijtak is, wordt een intensieve veehouderijtak gevestigd.

2.2.7.5.    Onder overname van intensieve veehouderij wordt de situatie verstaan waarin een bestaande agrarische bouwkavel waar al een intensieve veehouderij is gevestigd, volledig wordt overgenomen door een ander. Overname is een privaatrechtelijke aangelegenheid. Het reconstructieplan legt hierin geen beperkingen op.

2.2.8.    Het reconstructieplan bevat op de pagina's B-21 en B-25 de volgende bindende bepalingen over het grondgebruik binnen het gebied waarop het plan betrekking heeft.

2.2.8.1.    Nieuwvestiging van intensieve veehouderij is in het gehele reconstructiegebied verboden, met uitzondering van de in bestemmingsplannen aangewezen:

- projectvestigingen intensieve veehouderij, en

- incidentele nieuwvestigingen aansluitend bij bestaande concentratie van intensieve veehouderij.

Projectvestigingen kunnen in bestemmingsplannen alleen in de landbouwontwikkelingsgebieden in "Het Intensieve Hart" worden aangewezen. Locaties voor incidentele nieuwvestigingen kunnen in alle landbouwontwikkelingsgebieden worden aangewezen.

2.2.8.2.    Uitbreiding van intensieve veehouderij is in extensiveringsgebieden verboden.

2.2.8.3.    Vormverandering van de bouwkavels van een intensieve veehouderij ook als dit niet een vergroting van de bouwkavel tot gevolg heeft, wordt in het reconstructieplan aangemerkt als uitbreiding.

Het oordeel van de Afdeling

2.2.9.    Met betrekking tot de ontvankelijkheid van de beroepen gericht tegen het onderhavige besluit tot vaststelling van een reconstructieplan overweegt de Afdeling ambtshalve als volgt.

2.2.9.1.    Zoals hiervoor is overwogen, kan een belanghebbende beroep instellen tegen de vaststelling, wijziging of uitwerking van een reconstructieplan. Gelet op het doel en de strekking van de Rwc betekent dit niet dat beroep openstaat tegen alle onderdelen van het plan. De indicatieve, niet-bindende elementen van het provinciale beleid voor de uivoering van de Rwc zoals neergelegd in het reconstructieplan zijn niet gericht op enig rechtsgevolg. Tegen deze onderdelen van het reconstructieplan kan dan ook geen beroep worden ingesteld. De beroepen voorzover gericht tegen deze onderdelen zijn niet-ontvankelijk.

2.2.9.2.    Wat betreft de onderdelen in het reconstructieplan die als een herziening van een streekplan moeten worden aangemerkt, kan slechts beroep worden ingesteld voorzover deze onderdelen als concrete beleidsbeslissing in de zin van artikel 1 van de WRO zijn aangemerkt, en waartegen derhalve in een procedure omtrent vaststelling of wijziging van een streekplan beroep open staat. Een ander oordeel zou betekenen dat ten aanzien van het streekplanbeleid op grond van de Rwc en de WRO uiteenlopende beroepsmogelijkheden zouden openstaan, hetgeen in strijd met het stelsel van de WRO en met de rechstzekerheid moet worden geoordeeld.

2.2.9.3.    De herbegrenzing van de EHS die in het kader van de Wet ammoniak en veehouderij (hierna: Wav) is vastgesteld, moet worden beoordeeld aan de hand van de regeling inzake besluiten die zijn genomen op grond van artikel 2, tweede lid, van de Wav. Een ander oordeel zou betekenen dat ten aanzien van de herbegrenzing op grond van de Rwc en de Wav verschillende organen bevoegd zijn, hetgeen in strijd met het stelsel van de Wav en met de rechtszekerheid moet worden geoordeeld.

2.2.9.4.    Uit het voorgaande vloeit voort dat ten aanzien van dit reconstructieplan beroep openstaat tegen de onderdelen van het reconstructieplan waarvoor toepassing is gegeven aan artikel 27 van de Rwc, de in het reconstructieplan neergelegde zonering intensieve veehouderij, met inbegrip van de varkensvrije zones, alsmede de bindende bepalingen over het grondgebruik binnen het gebied waarop de zonering betrekking heeft. Voorzover het voorliggende reconstructieplan begripsomschrijvingen bevat die bepalend zijn voor de reikwijdte van de hiervoor bedoelde bepalingen en die niet reeds in de Rwc zijn opgenomen, staat hiertegen eveneens beroep open.

2.2.9.5.    Met het oog op mogelijke rechtsbeschermingprocedures inzake bestemmingsplannen die (mede) ter uitvoering van het provinciale beleid inzake de reconstructie dienen, overweegt de Afdeling dat uitsluitend die onderdelen van bestemmingsplannen die uit de onder 2.2.9.4. genoemde onderdelen van het onderhavige reconstructieplan voortvloeien, onder de reikwijdte van artikel 29, derde lid, van de Rwc vallen.

II.a. Beroepen tegen indicatieve, niet-bindende elementen

2.3.      [appellanten sub 1], [appellant sub 2], [appellante sub 4], [appellante sub 7], [appellant sub 9], [appellante sub 10], [appellante sub 11], [appellante sub 14], [appellanten sub 15], [appellante sub 16], [appellante sub 17], [appellante sub 24], [appellant sub 29], [appellante sub 31], [appellant sub 32], [appellant sub 35], [appellant sub 39], [appellante sub 41], [appellante sub 42], [appellant sub 46], [appellante sub 52], [appellante sub 53] en [appellanten sub 55] stellen in beroep onder meer dat het reconstructieplan onvoldoende duidelijk maakt hoe de verplaatsing van intensieve veehouderijen uit met name extensiveringsgebieden zal worden gefinancierd. In dit verband trekken enkele appellanten de doeltreffendheid van de Publiek Private Samenwerking in twijfel.

2.3.1.    [appellante sub 4] en [appellante sub 16] stellen in beroep onder meer dat het reconstructieplan ten onrechte voorziet in de aanduiding "Stimuleren uitplaatsing en afbouw glastuinbouw" ter plaatse van hun glastuinbouwbedrijven.

2.3.2.    Het college van burgemeester en wethouders van Beesel stelt in beroep dat de financiering van het reconstructieplan niet inzichtelijk en ontoereikend is.

2.3.3.    [appellante sub 17] stelt in beroep onder meer dat de naburige boerderijcamping "De Beierhof" ten onrechte op een van de stimuleringskaarten bij het reconstructieplan is aangeduid als een verblijfsrecreatieve voorziening.

2.3.4.    [appellante sub 23] stelt in beroep dat haar bedrijfsgronden in het reconstructieplan ten onrechte zijn aangewezen voor de ontwikkeling van water- en natuurgerichte functies.

2.3.5.    Stichting Werkgroep behoud de Peel stelt in beroep dat het reconstructieplan ten onrechte geen maatregelen en voorzieningen bevat ter verbetering van de kwaliteit van natuur en landschap en van milieu en water, met name met betrekking tot het terugdringen van de emissie van ammoniak en de verdrogingsbestrijding.

2.3.5.1.    Ter zitting heeft appellante haar beroep voorzover betrekking hebbende op artikel 5 van de Richtlijn 2001/81/EG van 23 oktober 2001 inzake nationale emissieplafonds voor bepaalde luchtverontreinigende stoffen ingetrokken.

Het oordeel van de Afdeling

2.3.6.     De beroepen van appellanten genoemd onder 2.3.-2.3.5. zijn niet gericht tegen de zonering intensieve veehouderij of een onderdeel van het reconstructieplan dat een bepaling betreft over het grondgebruik binnen die zonering, maar tegen indicatieve, niet bindende elementen van het reconstructieplan.

2.3.7.    Gelet op hetgeen is overwogen onder 2.2.9.1. en 2.2.9.4. zijn de beroepen van [appellanten sub 1], [appellant sub 2], [appellante sub 7], [appellant sub 9], [appellante sub 10], [appellante sub 11], [appellante sub 14], [appellanten sub 15],  [appellante sub 24], [appellant sub 29], [appellante sub 31], [appellant sub 32], [appellant sub 35], [appellant sub 39], [appellante sub 41], [appellante sub 42], [appellant sub 46], [appellante sub 52], [appellante sub 53] en [appellanten sub 55] met betrekking tot de financiering van bedrijfsverplaatsingen, de beroepen van [appellante sub 4], het college van burgemeester en wethouders van Beesel, [appellante sub 16], [appellante sub 23] en Stichting Werkgroep behoud de Peel, in hun geheel, en het beroep van [appellante sub 17] met betrekking tot de stimuleringskaart en de financiering van bedrijfsverplaatsingen niet-ontvankelijk.

II.b. Beroepen tegen wijzigingen streekplan

2.4.    [appellant sub 21], [appellant sub 42] en [appellant sub 58] stellen in beroep dat het reconstructieplan ten onrechte voorziet in de wijziging van het Provinciaal Omgevingsplan Limburg (hierna: POL) voor zover betreft de kwaliteitsprofielen van de gebieden waarin hun bedrijven liggen.

2.4.1.    [appellante sub 59] stelt in beroep onder meer dat de zandwinlocatie ten onrechte is opgenomen in de Ecologische Hoofdstructuur/Provinciale Ecologische Structuur (hierna: de EHS/PES).

Vaststelling van de feiten

2.4.2.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.4.3.    De kwaliteitsprofielen waarop de beroepen betrekking hebben, zijn in het POL niet als concrete beleidsbeslissingen aangemerkt. In het reconstructieplan is aan deze gewijzigde kwaliteitsprofielen evenmin de aanduiding concrete beleidsbeslissing toegekend.

2.4.4.    Gebiedsperspectieven zijn in het POL niet als concrete beleidsbeslissing aangemerkt.

Het oordeel van de Afdeling

2.4.5.    Gelet op overweging 2.4.3. en hetgeen is overwogen onder 2.2.9.2. zijn de beroepen van [appellant sub 42] en [appellant sub 58] in hun geheel en het beroep van [appellant sub 21] met betrekking tot de kwaliteitsprofiel "Waardevol regionaal landschap" niet-ontvankelijk.

2.4.6.    Het beroep van [appellante sub 59] betreffende de zandwinlocatie, is gericht tegen het gebiedsperspectief dat daaraan reeds in het POL was toegekend.

Gelet op overweging 2.4.4. en hetgeen is overwogen onder 2.2.9.2. is het beroep van [appellante sub 59] met betrekking tot het gebiedsperspectief niet-ontvankelijk.

II.c. Beroep tegen herbegrenzing EHS en wijziging streekplan

2.5.    [appellante sub 59] stelt in beroep onder meer dat haar productiegebied ten onrechte is opgenomen in de Ecologische Hoofdstructuur/Provinciale Ecologische Structuur (hierna: de EHS/PES). Volgens haar is dit op oneigenlijke gronden gebeurd. Zij stelt dat het gebruik van dit gebied binnen de planperiode van twaalf jaar niet zal worden gewijzigd. Volgens appellante is het onredelijk om nu al vooruit te grijpen op de situatie waarin de zandwinning zal zijn beëindigd. Bovendien wenst appellante het productiegebied dan op andere wijze te gebruiken voor haar bedrijfsvoering.

Het standpunt van verweerders

2.5.1.    Verweerders hebben het productiegebied als EHS/PES-gebied aangeduid. De gehele locatie is als winplaats opgenomen op kaart 6.4 bij het POL. Voor de begrenzing van de EHS die in het kader van de Wav is vastgesteld, zijn de stimuleringsplannen als basis gebruikt. Voor de aanwijzing van het desbetreffende gebied als EHS is daarom ook de begrenzing uit het stimuleringsplan gebruikt.

Vaststelling van de feiten

2.5.2.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.5.2.1.    Appellante exploiteert een kalkzandsteenfabriek aan de [locatie 2] te [plaats]. Blijkens kaart 1.7 van het reconstructieplan liggen de gronden van het bedrijf van appellante in een extensiveringsgebied. Op kaart 8.4.6 van het reconstructieplan zijn de gronden voorts aangeduid als uitbreiding van de EHS/PES.

2.5.2.2.    De productielocatie van appellante is blijkens de kaart van het POL aangemerkt als "Ontwikkelingsruimte voor landbouw en toerisme (P5)". Binnen het kader van het POL maken de P5-gebieden geen deel uit van de EHS/PES.

2.5.2.3.    Ingevolge de Wav kan in de bij die wet omschreven gevallen geen vergunning worden verleend voor de oprichting en verandering van veehouderijbedrijven binnen een zone van 250 meter rondom kwetsbare gebieden.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wav wordt onder een kwetsbaar gebied verstaan gebieden die deel uitmaken van de ecologische hoofdstructuur, en:

a. onmiddellijk voorafgaand aan het vervallen van de Interimwet ammoniak en veehouderij als voor verzuring gevoelig krachtens artikel 1, tweede lid, van de Interimwet ammoniak en veehouderij waren aangemerkt, of

b. waarop onmiddellijk voorafgaand aan het vervallen van de Interimwet ammoniak en veehouderij een convenant als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder b, van de Uitvoeringsregeling ammoniak en veehouderij van toepassing was, met ingang van het tijdstip waarop dat convenant niet meer van toepassing is.

Artikel 2, tweede lid, van de Wav bepaalt dat het college van gedeputeerde staten voor de toepassing van het eerste lid bij besluit vaststelt welke gebieden in zijn provincie deel uitmaken van de ecologische hoofdstructuur, voorzover dat onderscheidenlijk op zodanige wijze als noodzakelijk is om te kunnen vaststellen welke van de in het eerste lid, onder a of b, bedoelde gebieden als kwetsbaar moeten worden aangemerkt. Een zodanig besluit gaat vergezeld van een of meer kaarten.

2.5.2.4.    In haar uitspraak van 29 september 2004 in zaak no. 200305267/1 (AB 2004, 375) betreffende een krachtens artikel 2, tweede lid, van de Wav, genomen besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland waarbij is vastgesteld welke gebieden in de provincie Gelderland deel uitmaken van de ecologische hoofdstructuur, heeft de Afdeling onder meer het volgende overwogen:

"De Afdeling stelt vast dat de tekst van de Wav, noch de geschiedenis van de totstandkoming daarvan, aanknopingspunten bevatten bij welke rechterlijke instantie beroep kan worden ingesteld tegen het krachtens artikel 2, tweede lid, van de Wav genomen bestreden besluit. Het bestreden besluit is echter alleen van belang voor besluiten tot vergunningverlening krachtens de Wet milieubeheer voor veehouderijen. Ingevolge artikel 20.1 van de Wet milieubeheer is de Afdeling in eerste en enige aanleg bevoegd te oordelen over beroepen tegen deze besluiten. Gelet op deze samenhang en nu niet aannemelijk moet worden geacht dat de wetgever bij de invoering van artikel 2, tweede lid, van de Wav heeft beoogd een andere beroepsprocedure in het leven te roepen dan bij besluiten tot vergunningverlening krachtens de Wet milieubeheer voor veehouderijen, acht de Afdeling zich bevoegd kennis te nemen van het onderhavige geschil."

2.5.2.5.    Tijdens de behandeling van het wetsvoorstel van de Wav in de Eerste Kamer der Staten-Generaal heeft de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer gesteld dat de EHS in het kader van de reconstructie in overleg met de provincies op een zodanige wijze kan worden begrensd of gewijzigd dat een aantal gebieden wordt uitgezonderd (Handelingen I 2001/2002, pag. 762-763). Een van de voorwaarden hiervoor is dat de EHS door de herbegrenzing niet kleiner mag worden.

2.5.2.6.    Verweerders en het college van gedeputeerde staten van Limburg hebben blijkens pagina D-178 van het reconstructieplan ervoor gekozen de EHS, zoals begrensd in het POL door het college van gedeputeerde staten te laten vaststellen, en de herbegrenzing van de EHS in het onderhavige reconstructieplan te laten plaatsvinden.

2.5.2.7.    In het reconstructieplan is op pagina D-173 tot en met D-178 beschreven dat ter uitwerking van het voorstel van de Minister aan de Eerste Kamer de EHS/PES is herbegrensd. Hierdoor is in totaal 281 ha buiten de EHS en de werkingssfeer van de Wav gebracht. Ter compensatie hebben verweerders twee ontgrondingslocaties met de eindbestemming natuur in Echt en Gennep binnen de EHS gebracht. Volgens het reconstructieplan worden deze gebieden ter compensatie van de winningen ingericht als natuurontwikkelingsterrein. Over het gebied van appellante wordt gesteld dat al deels loofbos is aangeplant waarbij floristisch gezien de zandige ruigten, pioniersvegetaties en een droog heideveldje van grote waarde zijn. Dit gebied sluit aan bij de Robuuste verbindingszone Schinveld-Meinweg, aldus het reconstructieplan.

2.5.2.8.    Ingevolge artikel 1 van de Rwc, voorzover hier van belang, wordt onder concentratiegebied verstaan het concentratiegebied Zuid of het concentratiegebied Oost als bedoeld in bijlage B bij de Wet herstructurering varkenshouderij.

De gronden van appellante liggen in het gebied dat volgens genoemde bijlage het concentratiegebied Zuid vormt.

Het oordeel van de Afdeling

2.5.3.    Verweerders hebben de herbegrenzing van de EHS aangemerkt als een wijziging van het POL, niet zijnde een concrete beleidsbeslissing of de herziening of intrekking daarvan. Nu verweerders blijkens het vorenstaande hebben beoogd de EHS te herbegrenzen ter uitvoering van de Wav, moet de mogelijkheid beroep in te stellen inzake de herbegrenzing worden beoordeeld aan de hand van de rechtsbeschermingsregeling inzake besluiten die zijn genomen op grond van artikel 2, tweede lid, van de Wav.

2.5.3.1.    In de hiervoor genoemde uitspraak van 29 september 2004 heeft de Afdeling zich bevoegd verklaard in eerste en enige aanleg kennis te nemen van geschillen omtrent krachtens artikel 2, tweede lid, van de Wav genomen besluiten. Gelet hierop acht de Afdeling zich bevoegd in deze procedure kennis te nemen van het beroep van appellante dat is gericht tegen het onder de EHS brengen van haar productielocatie.

2.5.3.2.    Blijkens artikel 2, tweede lid, van de Wav betreft de begrenzing van de EHS een bevoegdheid van het college van gedeputeerde staten. Verweerders hebben derhalve het reconstructieplan onbevoegd vastgesteld voorzover zij daarin door middel van een partiële herziening van het POL de EHS hebben willen herbegrenzen.

2.5.4.    Het beroep van [appellante sub 59] is voorzover ontvankelijk gegrond. Het besluit tot vaststelling van het reconstructieplan, voorzover daarbij de productielocatie van appellante als P2 gebied is aangemerkt, dient te worden vernietigd wegen strijd met artikel 2, tweede lid, van de Wav. Tevens dient het goedkeuringsbesluit te worden vernietigd voorzover dat betrekking heeft op dit onderdeel van het reconstructieplan.

II.d. Beroepen tegen indicatieve, niet-bindende elementen en wijziging streekplan

2.6.    [appellante sub 27] stelt in beroep dat het grondwaterbeschermingsgebied Breehei ten onrechte als kwetsbaar is aangemerkt in het reconstructieplan. Zij vreest dat de aanwijzing tot beperkingen leidt voor de bedrijfsvoering van haar agrarische bedrijf.

Het oordeel van de Afdeling

2.6.1.    Het beroep van appellante, dat betrekking heeft op de aanduiding "kwetsbaar" van het grondwaterbeschermingsgebied Breehei, richt zich niet tegen een onderdeel van de zonering intensieve veehouderij of een onderdeel van het reconstructieplan dat een bepaling betreft over het grondgebruik binnen die zonering. Voorts is het beroep niet gericht tegen een concrete beleidsbeslissing of de herziening of intrekking daarvan.

Gelet hierop en op hetgeen is overwogen in 2.2.9.1., 2.2.9.2. en 2.2.9.4. is het beroep van [appellante sub 27] niet-ontvankelijk.

VARKENSVRIJE ZONES

2.7.    [appellant sub 5] en [appellante sub 47] stellen in beroep dat de gebieden waarin hun agrarische bedrijven liggen, ten onrechte als varkensvrije zones zijn aangemerkt, waardoor het appellanten onmogelijk is hun bedrijven te exploiteren. Dat de Minister en de Staatssecretaris hebben verzocht geen uitvoering te geven aan de varkensvrije zones en de provinciale gebruiksverbodenverordening in te trekken, maakt het voorgaande niet anders, aldus appellanten.

Het standpunt van de Minister en de Staatssecretaris en van verweerders

2.7.1.    In hun besluit tot goedkeuring van het reconstructieplan verzoeken de Minister en de Staatssecretaris, gelet op recente (Europese) ontwikkelingen en nieuwe inzichten, het college van gedeputeerde staten van Limburg geen uitvoering te geven aan de varkensvrije zones en de provinciale gebruiksverbodenverordening in te trekken. Ter zitting heeft de Minister in dit verband verklaard dat varkensvrije zones door ruimere mogelijkheden wat betreft inenting van varkens thans geen meerwaarde meer hebben.

2.7.2.    Verweerders hebben zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat vanwege het verzoek van de Minister en de Staatssecretaris de varkensvrije zones uit het reconstructieplan zullen worden geschrapt. Dit vergt een planwijziging die langere tijd in beslag zal nemen. De Verordening varkensvrije zones provincie Limburg zal worden ingetrokken, aldus verweerders. Zij stellen dat de belangen van appellant voldoende zijn gewaarborgd omdat tot het moment waarop de zones zijn vervallen en de verordening is ingetrokken, geen uitvoering aan de varkensvrije zones zal worden gegeven.

Vaststelling van de feiten

2.7.3.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.7.3.1.    [appellant sub 5] exploiteert een pluimvee- en varkenshouderij aan de [locatie 3] te [plaats]. Blijkens kaart 1.5 van het reconstructieplan ligt het bedrijf van appellant in een varkensvrije zone.

2.7.3.2.    [appellante sub 47] exploiteert een rundvee- en vleesvarkenshouderij aan de [locatie 4] te [plaats]. Het gehele bedrijf ligt binnen een varkensvrije zone.

2.7.3.3.    Ingevolge artikel 11, zesde lid, van de Rwc wordt in het reconstructieplan aangegeven voor welke delen van het plangebied artikel 27 van toepassing is.

2.7.3.4.    Op pagina B-20 staat vermeld dat verweerders ervoor hebben gekozen naast de zonering intensieve veehouderij ook de varkensvrije zones rechtstreeks te laten doorwerken overeenkomstig de regeling van artikel 27 van de Rwc.

2.7.3.5.    Blijkens een aan appellant gerichte brief van het college van gedeputeerde staten van 20 juli 2004 heeft het college in het goedkeuringsbesluit aanleiding gezien een planwijziging voor te bereiden en aan verweerders voor te stellen de varkensvrije zone uit het reconstructieplan te schrappen. Het college stelt voorts voornemens te zijn verweerders voor te stellen de Verordening varkensvrije zones provincie Limburg in te trekken. Volgens het college neemt het daadwerkelijk schrappen van de varkensvrije zones uit het reconstructieplan enige tijd in beslag. In de tussentijd, zo stelt het college, zal het geen uitvoering geven aan de varkensvrije zones. Dat wil zeggen dat het college, in afwachting van nadere besluitvorming van verweerders over wijziging van het reconstructieplan en intrekking van de verordening, bestuursrechtelijk handhavend optreden tegen het bedrijfsmatig houden van varkens in de varkensvrije zones opschort, mits aan overige wet- en regelgeving wordt voldaan. Het college deelt in genoemde brief voorts mee dat het vooruitlopend op de wijziging van het reconstructieplan geen acties zal ondernemen voor beëindiging of verplaatsing van de varkenshouderijen uit de varkensvrije zones, tenzij de ondernemer uitdrukkelijk heeft aangegeven zijn varkenshouderij te willen beëindigen en daarover met het college of de Dienst Landelijk Gebied reeds afspraken zijn gemaakt.

Het oordeel van de Afdeling

2.7.4.    Hoewel de Minister en de Staatssecretaris zich op het standpunt hebben gesteld dat geen uitvoering behoeft te worden gegeven aan de in het reconstructieplan opgenomen varkensvrije zones en de provinciale gebruiksverbodenverordening kan worden ingetrokken, hebben zij niettemin het reconstructieplan op deze punten goedgekeurd.

Hieruit volgt dat de beslissing van de Minister en de Staatssecretaris innerlijk tegenstrijdig is en dat het goedkeuringsbesluit mitsdien in stijd komt met de rechtszekerheid.

2.7.5.    Gelet op het voorgaande zijn de beroepen van [appellant sub 5] in zijn geheel en van [appellante sub 47] in zoverre gegrond. Het goedkeuringsbesluit dient te worden vernietigd nu dit strijdt met de rechtszekerheid voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan de varkensvrije zone ter plaatse van de bouwkavels aan de [locatie 3] te [plaats] en de [locatie 4] te [plaats]. Tevens dient gelet op artikel 29, tweede lid, van de Rwc het besluit tot vaststelling van het reconstructieplan te worden vernietigd voorzover dat betrekking heeft op deze onderdelen van de zonering intensieve veehouderij.

DOORSNEDEN BOUWKAVELS

I. Wettelijk kader

2.8.    Ingevolge artikel 4 van de Rwc vindt in de concentratiegebieden ter bevordering van een goede ruimtelijke structuur van de concentratiegebieden, in het bijzonder met betrekking tot landbouw, natuur, bos, landschap, recreatie, water, milieu en infrastructuur, alsmede ter verbetering van een goed woon-, werk- en leefklimaat en van de economische structuur, een reconstructie plaats.

Ingevolge artikel 5 van de Rwc omvat de reconstructie de gecoördineerde en geïntegreerde voorbereiding, vaststelling en uitvoering van maatregelen en voorzieningen, waaronder in ieder geval maatregelen en voorzieningen:

a. ter verbetering van de ruimtelijke structuur ten behoeve van de landbouw, mede teneinde de veterinaire risico's voortvloeiend uit een hoge veedichtheid te verminderen;

b. ter verbetering van de kwaliteit van natuur en landschap en

c. ter verbetering van de kwaliteit van milieu en water.

2.8.1.    Ingevolge artikel 11, tweede lid, aanhef onder d, van de Rwc bevat een reconstructieplan een beschrijving van de ruimtelijke indeling van het reconstructiegebied in landbouwontwikkelingsgebieden, verwevingsgebieden en extensiveringsgebieden.

2.8.2.    Ingevolge artikel 11, derde lid, van de Rwc wordt in het reconstructieplan in voorkomend geval bepaald ten aanzien van welke onderdelen van het plan uitwerking als bedoeld in artikel 18 zal plaatsvinden.

In het reconstructieplan staat op de pagina's A-62 en B-29 dat voor de zonering van de intensieve veehouderij een uitwerkingsplan zal worden opgesteld voor een aantal knelgevallen. Het betreft gevallen waarin de bouwkavel van een intensieve veehouderij deels in de ene en deels in de andere zone ligt en waarbij de thans in het reconstructieplan opgenomen zone-indeling tot kennelijk onredelijke uitkomsten voor het desbetreffende bedrijf heeft geleid. In het uitwerkingsplan zal worden bezien of voor deze knelgevallen de zonering moet worden aangepast.

2.8.3.    Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de Rwc, voorzover van belang, kan in het reconstructieplan worden bepaald dat, indien het belang van de reconstructie dit vordert, het reconstructieplan kan worden uitgewerkt met inachtneming van in het plan vervatte regelen.

2.8.4.    In de Memorie van Toelichting over artikel 18 van de Rwc (Kamerstukken II, 1998/1999, 26 356, nr. 3, p. 59 en 60) staat het volgende vermeld:

"De in artikel 18 opgenomen mogelijkheid tot uitwerking van het reconstructieplan is naast de mogelijkheid tot wijziging een belangrijke waarborg voor een flexibel planstelsel. (…) Het stelsel van het wetsvoorstel is aldus dat bij het reconstructieplan zelf in ieder geval de hoofdlijnen van de voorgenomen reconstructie moeten worden opgenomen, terwijl voor meer gedetailleerde besluiten, en bijvoorbeeld die besluiten die meer op perceelsniveau betrekking hebben dan op de contouren van het reconstructieplan als geheel, uitwerking kan plaatsvinden. Hieruit volgt het voornaamste verschil tussen uitwerking en wijziging van het reconstructieplan: in het geval van uitwerking blijven de hoofdlijnen van het eerder vastgestelde reconstructieplan onverlet, terwijl - afhankelijk overigens van de aard van de wijziging - een wijziging van het reconstructieplan ook kan leiden tot wezenlijke veranderingen in het reconstructieplan. Als de reconstructie mede herverkaveling zal omvatten, zal krachtens artikel 18, eerste lid, in ieder geval deze herverkaveling nader worden uitgewerkt. Hier is immers sprake van gedetailleerde afwegingen tot op perceelsniveau. (…) Krachtens artikel 19, eerste lid, onderdelen d en e, en tweede lid, onderdelen c en d, van het wetsvoorstel kunnen in de uitwerking van het reconstructieplan de toewijzing en de regeling van eigendom, beheer en onderhoud van zaken van openbaar nut worden geregeld.".

2.8.5.    Ingevolge artikel 27, eerste lid, van de Rwc, voorzover van belang, geldt het reconstructieplan voor in het reconstructieplan overeenkomstig artikel 11, zesde lid, van de wet aangewezen delen van het reconstructiegebied als een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Het reconstructieplan geldt voor die delen van het reconstructiegebied niet meer als een voorbereidingsbesluit indien voor de desbetreffende onderdelen van het reconstructiegebied een bestemmingsplan in overeenstemming met het reconstructieplan van kracht is geworden.

Ingevolge artikel 50, eerste lid, van de Woningwet, voorzover van belang, houdt het college van burgemeester en wethouders de beslissing op een aanvraag om een bouwvergunning aan indien er geen grond is de vergunning te weigeren en voor het gebied waarin het bouwwerk zal worden uitgevoerd voordat de aanvraag is ingekomen een voorbereidingsbesluit als hiervoor bedoeld in werking is getreden.

In artikel 27, tweede lid, van de Rwc staat dat artikel 50 van de Woningwet niet van toepassing is op aanvragen om een bouwvergunning ter uitvoering van de in het eerste lid van het artikel bedoelde delen van het reconstructieplan.

Ingevolge het derde lid van dit artikel geldt het reconstructieplan, voorzover de in het eerste lid bedoelde delen daarvan en het bestemmingsplan niet met elkaar in overeenstemming zijn, voor de uitvoering daarvan als een vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening.

2.8.6.    Ingevolge artikel 11, zesde lid van de Rwc, wordt in het reconstructieplan aangegeven voor welke delen van het plangebied artikel 27 van de Rwc van toepassing is.

2.8.7.    Uit onderdeel B, hoofdstuk 4, van het reconstructieplan blijkt dat provinciale staten ervoor hebben gekozen de zonering intensieve veehouderij door te laten werken in streek- en bestemmingsplannen door artikel 27 van de Rwc op die onderdelen van toepassing te verklaren.

Het oordeel van de Afdeling

2.8.8.     Zoals in overweging 2.8.4. is overwogen volgt uit de Memorie van Toelichting over artikel 18 van de Rwc dat bij het reconstructieplan zelf in ieder geval de hoofdlijnen van de voorgenomen reconstructie moeten worden opgenomen, terwijl voor meer gedetailleerde besluiten uitwerking kan plaatsvinden.

De doelstellingen van de Rwc die onder meer zijn neergelegd in de artikelen 4 en 5 van de wet zijn in het algemeen het bevorderen van een goede ruimtelijke structuur van de concentratiegebieden en in het bijzonder het verbeteren van de ruimtelijke structuur ten behoeve van de landbouw, mede teneinde de veterinaire risico's voortvloeiend uit een hoge veedichtheid te verminderen, het verbeteren van de kwaliteit van natuur en landschap en het verbeteren van de kwaliteit van milieu en water. Ter verwezenlijking van die doelstellingen kunnen maatregelen en voorzieningen worden getroffen. Een van die maatregelen houdt in dat het reconstructieplan een ruimtelijke indeling van het reconstructiegebied in landbouwontwikkelingsgebieden, verwevingsgebieden en extensiveringsgebieden bevat, zoals uit artikel 11, tweede lid, aanhef en onder d, van de Rwc volgt.

Het voorgaande in aanmerking nemende is de Afdeling van oordeel dat de zonering intensieve veehouderij beschouwd moet worden als een hoofdlijn van de voorgenomen reconstructie. Dit betekent dat de zonering intensieve veehouderij niet kan worden doorgeschoven naar een uitwerkingsplan, maar op bouwkavelniveau volledig moet worden afgewogen in het kader van dit reconstructieplan.

Dit klemt te meer nu artikel 27 van de Rwc, gelet op onderdeel B, hoofdstuk 4, van het reconstructieplan, ook van toepassing is op de doorsneden bouwkavels.

2.8.9.    Uit het vorenstaande volgt dat het besluit tot vaststelling van het reconstructieplan en het goedkeuringsbesluit voorzover zij betrekking hebben op doorsneden bouwkavels en deze worden doorgeschoven naar een uitwerkingsplan respectievelijk zijn vastgesteld en genomen in strijd met artikel 18, eerste lid, van de Rwc.

2.8.10.    Hierna volgend zal per beroep, voorzover aangevoerd, worden beoordeeld of sprake is van een doorsneden bouwkavel waarvoor geldt dat verweerders de zonering intensieve veehouderij in dat geval opnieuw dienen te bezien.

I.a. Lijst bedrijven uitwerkingsplan

2.9.    [appellante sub 11] exploiteert een vleesvarkensbedrijf aan de [locatie 5] te [plaats]. Blijkens kaart 1.1 van het plan ligt het noordelijke deel van de bouwkavel op het perceel van appellante in een extensiveringsgebied en het zuidelijke deel in een verwevingsgebied met bovengrens bouwkavel.

2.9.1.    [appellant sub 21] exploiteert een agrarisch bedrijf met een akkerbouwtak en een varkenshouderij aan de [locatie 6] te [plaats]. Blijkens kaart 1.6 van het plan ligt de bouwkavel van het bedrijf van appellant gedeeltelijk in een verwevingsgebied met bovengrens bouwkavel en gedeeltelijk in een extensiveringsgebied.

2.9.2.    [appellant sub 29] exploiteert een varkensbedrijf aan de [locatie 7] te [plaats]. Blijkens kaart 1.5 van het reconstructieplan liggen de gronden van appellant gedeeltelijk in een extensiveringsgebied en voor het overige in een verwevingsgebied met bovengrens bouwkavel.

2.9.3.    [appellant sub 32] exploiteert een varkensbedrijf aan de [locatie 8] te [plaats]. Blijkens kaart 1.6 van het plan ligt een deel van de bouwkavel in een extensiveringsgebied en een deel in een verwevingsgebied met bovengrens bouwkavel.

2.9.4.    [appellante sub 41] exploiteert een varkenshouderij aan de [locatie 9] te [plaats]. Blijkens kaart 1.2 van het reconstructieplan liggen het noordelijke gedeelte van de gronden van appellante alsmede een strook grond ten oosten daarvan in een extensiveringsgebied. Het zuidelijke gedeelte ligt in een verwevingsgebied met bovengrens bouwkavel.

2.9.5.    [appellant sub 46] exploiteert een pluimveehouderij aan de [locatie 10] te [plaats]. Blijkens kaart 1.2 van het plan ligt het zuidelijke deel van de bouwkavel van appellant in een extensiveringsgebied. Het noordelijke deel van de bouwkavel ligt in een verwevingsgebied met bovengrens bouwkavel.

2.9.6.    [appellante sub 52] exploiteert een varkensbedrijf aan de [locatie 11] te [plaats]. Blijkens kaart 1.4 van het reconstructieplan liggen de gronden van appellante gedeeltelijk in een extensiveringsgebied en voor het overige in een verwevingsgebied zonder bovengrens bouwkavel.

2.9.7.    [appellante sub 54] exploiteert een varkenshouderij aan de [locatie 12] te [plaats]. Blijkens kaart 1.3 van het reconstructieplan liggen de gronden van appellante gedeeltelijk in een extensiveringsgebied en voor het overige in een verwevingsgebied met bovengrens bouwkavel.

2.9.8.    [appellant sub 57] exploiteert een varkensbedrijf aan de [locatie 13] te [plaats]. Blijkens kaart 1.7 van het reconstructieplan liggen de gronden van appellant gedeeltelijk in een extensiveringsgebied en voor het overige in een verwevingsgebied met bovengrens bouwkavel.

Vaststelling van de feiten

2.9.9.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.9.9.1.    De bedrijven van deze appellanten zijn door verweerders opgenomen op de lijst van bedrijven waarvoor in het uitwerkingsplan "knelgevallen doorsneden bouwkavels intensieve veehouderij" zal worden bezien of de grens van het extensiveringsgebied ter plaatse moet worden aangepast.

Het oordeel van de Afdeling

2.9.10.    Zoals is overwogen in overweging 2.8.8. hebben verweerders de zonering intensieve veehouderij met betrekking tot de doorsneden bouwkavels niet kunnen doorschuiven naar een uitwerkingsplan, maar dient de zonering op bouwkavelniveau volledig te worden afgewogen in het kader van dit reconstructieplan.  

2.9.11.    De beroepen van [appellante sub 11], [appellant sub 21], [appellant sub 29], [appellant sub 32], [appellante sub 52], voorzover ontvankelijk, [appellante sub 41] en [appellant sub 46], voorzover ontvankelijk en in zoverre, en [appellante sub 54] en [appellant sub 57], in hun geheel, zijn gegrond. Gelet op het voorgaande dient het besluit tot vaststelling van het reconstructieplan te worden vernietigd wegens strijd met artikel 18, eerste lid, van de Rwc, voorzover daarbij de bouwkavels op de percelen [locatie 5] te [plaats], [locatie 6] te [plaats], [locatie 7] te [plaats], [locatie 8] te [plaats], [locatie 9] te [plaats], [locatie 10] te [plaats], [locatie 11] te [plaats], [locatie 12] te [plaats] en [locatie 13] te [plaats] gedeeltelijk als extensiveringsgebied en gedeeltelijk als verwevingsgebied met bovengrens bouwkavel (voor [appellante sub 52]: zonder bovengrens bouwkavel) zijn aangeduid. Gelet op de onlosmakelijke samenhang van de zonering op de bouwkavels met de zonering op de overige gronden op de percelen van appellanten dient het besluit tot vaststelling van het reconstructieplan ook met betrekking tot die gronden te worden vernietigd.

Tevens dient gelet op artikel 29, tweede lid, van de Rwc het goedkeuringsbesluit te worden vernietigd voorzover dat betrekking heeft op de hiervoor genoemde onderdelen van de zonering intensieve veehouderij.

I.b. Overige doorsneden bouwpercelen

2.10.    [appellanten sub 1] exploiteren een pluimveebedrijf aan de [locatie 14] te [plaats].

2.10.1.    [appellant sub 2] exploiteert een pluimveebedrijf aan de [locatie 15] te [plaats].

2.10.2.    Het beroep van [appellanten sub 49] heeft onder andere betrekking op het bedrijf van [partij] aan de [locatie 16]. Op dit perceel staat een varkenshouderij.

2.10.3.    [appellanten sub 55] exploiteren een pluimveehouderijbedrijf aan de [locatie 17] te [plaats].

Vaststelling van de feiten

2.10.4.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.10.4.1.    Ter zitting is komen vast te staan dat de bouwkavels waarop de bedrijven van [appellanten sub 1], [appellant sub 2] en [partij] staan, in het reconstructieplan gedeeltelijk in een extensiveringsgebied en gedeeltelijk in een verwevingsgebied liggen.

2.10.4.2.    Voorts is komen vast te staan dat het bouwperceel aan de [locatie 17] van [appellanten sub 55] is gekoppeld aan het bouwperceel aan de [locatie 18]. Nu uit de aanduiding "gekoppeld bouwblok", die in het geldende bestemmingsplan aan de gronden aan de [locatie 18] en [locatie 17] is toegekend, volgt dat beide bouwpercelen voor de toepassing van de bestemmingsplan voorschriften als één bouwperceel moeten worden beschouwd, ligt het bouwvlak in het reconstructieplan gelet op het verhandelde ter zitting in twee verschillende zones.

Het oordeel van de Afdeling

2.10.5.    Nu deze bedrijven niet zijn opgenomen op de lijst van bedrijven waarvoor in het uitwerkingsplan "knelgevallen doorsneden bouwkavels intensieve veehouderij" zal worden bezien of de grens van het extensiveringsgebied ter plaatse moet worden aangepast, is het besluit tot vaststelling van het reconstructieplan op dit punt genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

Tevens kunnen verweerders zoals is overwogen in overweging 2.8.8. de zonering intensieve veehouderij met betrekking tot de doorsneden bouwkavels niet doorschuiven naar een uitwerkingsplan, maar dient de zonering op bouwkavelniveau volledig te worden afgewogen in het kader van dit reconstructieplan.

2.10.6.        De beroepen van [appellanten sub 1] en [appellant sub 2], voorzover ontvankelijk, [appellanten sub 49], gedeeltelijk, en [appellanten sub 55], voorzover ontvankelijk en in zoverre, zijn gegrond. Gelet op het voorgaande dient het besluit tot vaststelling van het reconstructieplan reeds te worden vernietigd wegens strijd met 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), voorzover daarbij de bouwkavels op de percelen [locatie 14] te [plaats], [locatie 15] te [plaats] en [locatie 16] te [plaats] gedeeltelijk als extensiveringsgebied en gedeeltelijk als verwevingsgebied met bovengrens bouwkavel zijn aangeduid en de bouwkavel aan de [locatie 17] te [plaats] als extensiveringsgebied is aangeduid. Gelet op de onlosmakelijke samenhang van de zonering op de bouwkavel met de zonering op de overige gronden op deze percelen van appellanten en met de door [appellant sub 2] bestreden zonering als extensiveringsgebied van de gronden ten westen van zijn bouwkavel, dient het besluit tot vaststelling van het reconstructieplan ook met betrekking tot die gronden te worden vernietigd.

Tevens dient gelet op artikel 29, tweede lid, van de Rwc het goedkeuringsbesluit te worden vernietigd voorzover dat betrekking heeft op de hiervoor genoemde onderdelen van de zonering intensieve veehouderij.

VORMVERANDERING BOUWKAVELS

2.11.    [appellante sub 24], [appellant sub 35], [appellante sub 41] en [appellante sub 47] stellen in beroep dat in het reconstructieplan ten onrechte een verbod is opgenomen om binnen een extensiveringsgebied de vorm van bouwkavels te wijzigen.

Het standpunt van verweerders

2.11.1.    Verweerders merken vormverandering van een bouwkavel aan als uitbreiding van intensieve veehouderij. Wanneer vormverandering zou worden toegestaan, zouden in extensiveringsgebieden op een plaats waar vóór de bekendmaking van het reconstructieplan geen bouwkavel voor intensieve veehouderij was, deze in de toekomst wel kunnen ontstaan. Dat is in strijd met het uitgangspunt dat de intensieve veehouderij in extensiveringsgebieden niet verder uitbreidt, tenzij sprake is van uitbreiding binnen bestaande planologische rechten, aldus verweerders.

Vaststelling van de feiten

2.11.2.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.11.2.1.    [appellante sub 24] exploiteert onder meer een fokzeugenbedrijf aan de [locatie 19] te [plaats]. Op kaart 1.6 van het reconstructieplan is aan de gronden van dit bedrijf de aanduiding extensiveringsgebied toegekend.

[appellant sub 35] exploiteert een varkenshouderij aan de [locatie 20] te [plaats]. Blijkens kaart 1.1 van het plan ligt het bedrijf in een extensiveringsgebied.

[appellante sub 41] exploiteert een varkenshouderij aan de [locatie 9] te [plaats]. Blijkens kaart 1.2 van het reconstructieplan liggen het noordelijke gedeelte van de gronden van appellante alsmede een strook grond ten oosten daarvan in een extensiveringsgebied.

[appellante sub 47] exploiteert een rundvee- en vleesvarkenshouderij aan de [locatie 4] te [plaats]. Blijkens kaart 1.2 van het reconstructieplan ligt het grootste deel van de gronden van appellante in een extensiveringsgebied.

2.11.2.2.    Op pagina B-25 van het reconstructieplan staat beschreven dat vormverandering van de bouwkavel van een intensieve veehouderij, ook als dit niet een vergroting van het oppervlak van de bouwkavel tot gevolg heeft, in het reconstructieplan wordt aangemerkt als uitbreiding. Dit betekent dat vormverandering van de bouwkavel in extensiveringsgebieden niet is toegestaan. Het reconstructieplan sluit derhalve uit dat in extensiveringsgebieden delen aan bouwkavels worden toegevoegd waar intensieve veehouderij zal plaatsvinden.

2.11.2.3.    Ingevolge artikel 4 van de Rwc vindt in de concentratiegebieden ter bevordering van een goede ruimtelijke structuur van de concentratiegebieden, in het bijzonder met betrekking tot landbouw, natuur, bos, landschap, recreatie, water, milieu en infrastructuur, alsmede ter verbetering van een goed woon-, werk- en leefklimaat en van de economische structuur, een reconstructie plaats.

Het oordeel van de Afdeling

2.11.3.    Zoals hiervoor is vermeld, wordt uitbreiding van een intensieve veehouderij in een extensiveringsgebied uitgesloten. De Rwc geeft geen omschrijving van het begrip uitbreiding.

In het reconstructieplan is er voor gekozen de bouwmogelijkheden binnen een bouwkavel die rechtsgeldig in een bestemmingsplan zijn neergelegd te respecteren en uitbreiding van de, in het bestemmingsplan vastgelegde agrarische bouwkavel met intensieve veehouderij ten behoeve van de intensieve veehouderij(tak) niet toe te staan. Vormverandering van een bouwkavel van een intensieve veehouderij wordt door verweerders beschouwd als een uitbreiding van die bouwkavel, omdat daarmee wordt voorzien in andere bouwmogelijkheden dan die waarin het bestemmingsplan voorziet. De Afdeling acht dit uitgangspunt van verweerders in beginsel niet onredelijk. Er kunnen zich echter situaties voordoen waarbij de bestaande bouwmogelijkheden binnen een bouwkavel van een intensieve veehouderij uit bedrijfseconomisch oogpunt ongunstig zijn en de door de ondernemer gewenste vormverandering per saldo geen negatieve invloed heeft op de aspecten die bij de integrale afweging op grond van artikel 4 van de Rwc moeten worden betrokken. Voor dergelijke gevallen dient het reconstructieplan ruimte te laten voor een uitzondering op het uitgangspunt dat vormverandering in extensiveringsgebieden niet is toegestaan. Nu het reconstructieplan niet voorziet in die ruimte, is het plan in zoverre in strijd met artikel 4 van de Rwc.

2.11.4.    De beroepen van [appellante sub 24], [appellant sub 35], [appellante sub 41], voorzover ontvankelijk en in zoverre, en [appellante sub 47], op dit punt, zijn gegrond. Gelet op het voorgaande dient het besluit tot vaststelling van het reconstructieplan te worden vernietigd wegens strijd met artikel 4 van de Rwc voorzover het de bepalingen betreft dat vormverandering van de bouwkavel van een intensieve veehouderij wordt beschouwd als uitbreiding en niet is toegestaan in extensiveringsgebieden.

Tevens dient gelet op artikel 29, tweede lid, van de Rwc het goedkeuringsbesluit te worden vernietigd voorzover dat betrekking heeft op het hiervoor genoemde onderdeel van het reconstructieplan.

DE BEGRENZING VAN DE ZONES MET BETREKKING TOT DE INTENSIEVE VEEHOUDERIJ

2.12.    [appellanten sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellante sub 6], [appellante sub 7], [appellant sub 9], [appellante sub 10], [appellante sub 11], [appellante sub 12], [appellante sub 14], [appellanten sub 15], [appellante sub 17], [appellante sub 19], [appellanten sub 20], [appellant sub 21], [appellante sub 24], [appellant sub 25], [appellante sub 28], [appellant sub 29], [appellante sub 30], [appellante sub 31], [appellant sub 32], [appellante sub 33], [appellant sub 34], [appellant sub 35], [appellant sub 36], [appellante sub 38],  [appellant sub 39], [appellant sub 40], [appellante sub 41], [appellante sub 42], [appellante sub 44], [appellant sub 46], [appellante sub 52], [appellante sub 53], [appellanten sub 55] en [appellante sub 56] stellen in beroep dat de begrenzingen in het reconstructieplan onjuist zijn vastgesteld, voorzover het om hun percelen gaat. Zij betogen dat de begrenzingen van de extensiverings- en verwevingsgebieden in het plan niet hun grondslag kunnen vinden in de PES, maar dat zijn gebaseerd moeten worden op de provinciale Stimuleringsplannen Natuur, Bos en Landschap (hierna: de provinciale stimuleringsplannen).

Volgens appellanten zijn de zoneringen van de PES indicatief en niet absoluut van aard. Gelet op de schaal van de kaarten van het POL had de zonering van de PES niet één op één als extensiveringsgebied mogen worden overgenomen in het reconstructieplan. In dat verband wijzen appellanten op passages uit het POL waaruit blijkt dat kleinere gebieden op de kaarten niet goed zijn weergegeven en dat er sprake is van gerafelde gebiedsgrenzen.

Het standpunt van verweerders

2.12.1.    Verweerders hebben zich op het standpunt gesteld dat de verschillen die zich voordoen tussen de begrenzing in de provinciale stimuleringsplannen en in het POL met betrekking tot de PES voornamelijk voorkomen bij beekdalen. De ecologische verbindingszones die deel uitmaken van de PES zijn daar soms ruimer dan de ecologische verbindingszones in de provinciale stimuleringsplannen. De ecologische verbindingszones van de PES genieten een planologische bescherming. Hiermee kunnen elementen die de realisatie en het functioneren van de PES kunnen verstoren worden geweerd. De ecologische verbindingszones die in de provinciale stimuleringsplannen zijn opgenomen zijn de zones die daadwerkelijk worden gerealiseerd. Daarmee komt echter niet de planologische basisbescherming van de PES in het POL te vervallen. Voor het goed functioneren van een daadwerkelijk gerealiseerde ecologische verbindingszone is het immers van belang dat ook direct aangrenzend geen sprake is van een toename van storende elementen. Reden voor de omstandigheid dat de bouwkavels van intensieve veehouderijen in veel gevallen buiten de gebieden liggen die zijn aangewezen in de provinciale stimuleringsplannen, is dat deze kavels niet voor subsidie in aanmerking komen en voor het verkrijgen van subsidie niet van belang zijn.

Vaststelling van de feiten

2.12.2.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling in zoverre uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.12.2.1.    Het POL is op 29 juni 2001 door provinciale staten vastgesteld. Het plan geldt voor het gehele grondgebied van de provincie Limburg. Het omvat een streekplan, een milieubeleidsplan, een waterhuishoudingsplan en een verkeers- en vervoersplan.

In het POL worden vier kwaliteitsprofielen onderscheiden. Zij geven een globale typering van gebieden in Limburg aan. In deze profielen worden de algemene inrichtingsdoelen beschreven die voor deze gebieden worden nagestreefd. De profielen worden aangevuld, genuanceerd en gedetailleerd door middel van tien 'Perspectieven' (hierna: P1 tot en met P10). Deze tien Perspectieven geven aan welke ontwikkelingen voor functies als wonen, bedrijvigheid, landbouw, natuur, recreatie en toerisme in een gebied mogelijk zijn. Zij geven ook aan welke regelingen van toepassing zijn en wat de rol van de provincie hierbij is.

P1 tot en met P6 hebben voornamelijk betrekking op het landelijke gebied. P7 tot en met P10 richten zich op het stedelijke gebied. Binnen P1 en P2 zijn vooral de natuurwaarden zwaarwegende factoren bij het beoordelen van de mogelijkheden voor de bedrijfsvoering en eventuele uitbreidingen. Binnen P1, P2, P3 en P4 zijn, naast de natuurwaarden, met name waterconservering en waterretentie, erosie en de landschappelijke en cultuurhistorische waarden kaderstellend.

2.12.2.2.    In het POL staat voorts vermeld dat de PES wordt gevormd door P1, de ecologische ontwikkelingszones (deel van P2) en de ecologische verbindingszones (deel van P3). Voor de gehele PES geldt een planologische bescherming. Ingrepen en activiteiten in deze gebieden en in de onmiddellijke nabijheid daarvan zijn niet toegestaan als deze de wezenlijke kenmerken of waarden respectievelijk de nagestreefde natuurontwikkeling in deze gebieden aantasten. Alleen bij zwaarwegend maatschappelijk belang kan hiervan worden afgeweken.

2.12.2.3.    De provinciale stimuleringsplannen zijn de basis voor de uitvoering van twee subsidieregelingen, de Subsidieregeling Natuurbeheer 2000 en de Subsidieregeling Agrarisch Natuurbeheer. Op basis van die subsidieregelingen kunnen op vrijwillige basis landbouwgronden worden aangekocht voor natuur of beheersovereenkomsten met betrekking tot landbouwgronden worden gesloten.

Onder meer in het Stimuleringsplan Natuur, Bos en Landschap Noord-Limburg-West staat vermeld dat van de begrenzing van het stimuleringsplan geen planologische werking uitgaat. Het schept slechts mogelijkheden voor het verkrijgen van subsidies en het POL is richtinggevend voor bestemmingsplannen. Niet bestreden is dat een dergelijke bepaling in alle provinciale stimuleringsplannen is opgenomen.

2.12.2.4.    De gebieden die in het POL zijn aangeduid als PES zijn in het reconstructieplan aangewezen als extensiveringsgebieden. Doel van het reconstructieplan met betrekking tot de extensiveringsgebieden is stimuleren dat de intensieve veehouderij wordt afgebouwd. Nieuwvestiging van intensieve veehouderijen is derhalve ter plaatse niet mogelijk en de ontwikkelingsmogelijkheden voor bestaande bedrijven zijn beperkt.

Het oordeel van de Afdeling

2.12.3.    Niet bestreden is dat de oppervlakte van het gebied dat betrekking heeft op de PES groter is dan de gebieden die zijn aangewezen in de provinciale stimuleringsplannen.

De Afdeling acht de toelichting van verweerders, dat de aanwijzing van de gebieden in de provinciale stimuleringsplannen mede is bepaald door de voorwaarden die voor het verkrijgen van subsidie zijn gesteld, aannemelijk. Gelet hierop hebben verweerders in redelijkheid de PES zoals opgenomen in het POL in plaats van de gebieden die in de provinciale stimuleringsplannen zijn aangewezen als basis voor de aanwijzing van de extensiveringsgebieden in het reconstructieplan kunnen nemen.

2.12.4.    Het betoog van de in overweging 2.12. genoemde appellanten faalt in zoverre. De beroepen van [appellante sub 24] en [appellant sub 46], voorzover ontvankelijk in zoverre, zijn ongegrond.

WET AMMONIAK EN VEEHOUDERIJ

2.13.    [appellant sub 3], [appellant sub 21], [appellante sub 33], [appellant sub 34] en [appellante sub 54] stellen in beroep dat de toepassing van extensiveringsgebieden voor de kwaliteit van het milieu niet effectief is. Volgens hen bestaan voldoende mogelijkheden om door middel van emissiearme technieken de ammoniakemissie en -depositie te reduceren. Zij menen dat de Wet ammoniak en veehouderij het exclusieve toetsingskader vormt voor de ammoniakemissie en -depositie.

Het standpunt van verweerders

2.13.1.    Verweerders hebben bij de begrenzing van de extensiveringsgebieden een uitgangspunt genomen dat in de deze gebieden sprake dient te zijn van een zogeheten gestapelde problematiek, welke kan bestaan uit een stapeling van ammoniakdepositie, ruimtelijke of landschappelijke kwaliteit, stank, ecologie of water. Verweerders zijn van mening dat enkelvoudige problemen beter langs een andere weg opgelost kunnen worden en dat een zwaar regulerend instrument als het aanwijzen van extensiveringsgebieden niet nodig is.

Op basis van dit uitgangspunt is in het plan gekozen voor een selectieve aanwijzing van extensiveringsgebieden. Binnen de aangewezen extensiveringsgebieden is naar de mening van verweerders sprake van een zodanige stapeling van problemen en/of een zwaarwegend natuur-, water- of landschappelijk belang, dat sectorale afwegingen niet volstaan en de aanwijzing als extensiveringsgebied noodzakelijk is.

Verweerders hebben voorts gesteld dat uit het MER weliswaar blijkt dat de aanwijzing van extensiveringsgebieden een beperkte bijdrage levert aan de afname van de gemiddelde depositie van ammoniak en aan de verlaging van de ammoniakdepositie, maar dat daaruit tevens blijkt dat sprake is van

een belangrijke bijdrage aan de afname van depositiepieken en het voorkomen van nieuwe. Ook levert de aanwijzing van extensiveringsgebieden een belangrijke bijdrage aan de landschappelijke kwaliteit, aldus verweerders.

Vaststelling van de feiten

2.13.2.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.13.2.1.    In het plan staat op pagina A-84, voorzover hier van belang, vermeld dat uit de rijksuitgangspunten volgt dat de ligging van extensiveringsgebieden moet aansluiten bij de zeer kwetsbare bos- en natuurgebieden. Door in dit plan niet alleen de zeer kwetsbare natuurgebieden aan te wijzen, maar de gehele PES en de P1-gebieden die ten gevolge van de herbegrenzing van de Wet ammoniak en veehouderij buiten de PES zijn komen te vallen, ontstaat er al een robuuste structuur van extensiveringsgebieden in Noord- en Midden-Limburg. Voorts is gekeken naar de zones rondom de zeer kwetsbare bos- en natuurgebieden.

Bij de begrenzing van de zones als extensiveringsgebieden is rekening gehouden met de kwaliteitsprofielen. Binnen het kwaliteitsprofiel "Waardevol regionaal landschap" bestaan de extensiveringsgebieden, voorzover hier van belang, uit de PES en de P1-gebieden buiten de PES, met bovendien een zone van 250 meter rond alle zeer verzuringgevoelige delen.

2.13.2.2.    In de Bijlagen behorende bij het ten behoeve van het plan gemaakte MER, dat als onderdeel E deel uitmaakt van het plan, wordt op pagina E-172 gesteld dat het in het plan gestelde doel dat in 2010 een daling van 42% van de ammoniakemissie uit de landbouw ten opzichte van 1998 is bereikt, waarschijnlijk wordt bereikt door de autonome ontwikkeling. Het in het plan neergelegde voorkeursalternatief scoort wat betreft de vermindering van de ammoniakemissie blijkens het MER beter dan het nulalternatief. Uit pagina's 188 en 189 van de Bijlagen behorende bij het MER blijkt dat de meerwaarde van het zoneren beperkt is als het gaat om het terugdringen van de gemiddelde depositie, maar dat wel met zonering kan worden bereikt dat nieuwe depositiepieken (door verdere ontwikkeling van bestaande locaties) zoveel mogelijk worden beperkt. Dit kan door er voor te zorgen dat de groei die ontstaat door de schaalvergroting (minder locaties, maar gemiddeld gezien wel grotere) vooral op die locaties plaatsvindt die gunstig zijn gelegen voor wat betreft ammoniak.

2.13.2.3.    Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Rwc geschieden de voorbereiding, de vaststelling en de uitvoering van het reconstructieplan met het oog op het bereiken van de doelstellingen, bedoeld in artikel 4 van de wet, met in achtneming van de in de bijlage bij de wet opgenomen uitgangspunten.

Ingevolge paragraaf 2, punt B.1, van de rijksuitgangspunten, wordt in het plan in ieder geval aangegeven welke onderdelen van de in het reconstructiegebied gelegen ecologische hoofdstructuur, waaronder in ieder geval de daarin gelegen bestaande bosen (lees: bos- en) natuurgebieden en, voorzover deze door de provincies zijn begrensd, de daarin gelegen natuurontwikkelings-, reservaats- en beheersgebieden, voor verzuring gevoelig zijn.

Ingevolge paragraaf 2, punt B.2, van de rijksuitgangspunten geeft het reconstructieplan voor de onder punt B.1 bedoelde gebieden kwalitatief en kwantitatief inzicht in de gevolgen van de uitvoering van de in het reconstructieplan opgenomen maatregelen en voorzieningen voor de ammoniakemissie en -depositie.

2.13.2.4.    In de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel van de Rwc is beschreven dat verzuring vanwege ammoniakemissie en -depositie behoort tot de problemen op het terrein van bos, natuur, landschap en recreatie in samenhang met de milieuproblematiek in de concentratiegebieden. Over deze problematiek staat het volgende vermeld (Kamerstukken II 1998/99, 26356, nr. 3, pagina 8):

"De hoge veedichtheid in de concentratiegebieden leidt ertoe dat een aantal milieuproblemen, die op zichzelf in het gehele land voorkomen, in die gebieden in verhevigde mate spelen. Het betreft hier de sterk met de veehouderij verweven problemen van vermesting, verzuring en geuroverlast. Vermesting en verzuring houden een rechtstreeks risico in voor de kwaliteit van de bos- en natuurgebieden, hetgeen zich vervolgens weer vertaalt in een vermindering van de landschappelijke en recreatieve aantrekkelijkheid van deze gebieden. Geuroverlast is niet alleen voor de kwaliteit van de leefomgeving van belang, maar heeft uiteraard ook gevolgen voor de recreatieve potenties van de concentratiegebieden. Bos en natuur worden naast vermesting en verzuring vooral ook bedreigd door verdroging. Ofschoon het verdrogingsprobleem niet een directe relatie heeft met de intensieve veehouderij, heeft een oplossing daarvan in de concentratiegebieden in zoverre een extra urgentie dat de cumulatie van verdroging en een verhoogde mate van verzuring een extra zware belasting betekent op de bos- en natuurgebieden aldaar."

Voorts staat op pagina 15 van de Memorie van Toelichting vermeld dat, gelet op de grenzen aan de technische mogelijkheden voor emissiereductie en uitgaande van de bestaande omvang van de veestapel, aanvullend ammoniakbeleid in toenemende mate neerkomt op het streven naar verplaatsing van veehouderijen naar locaties die verder van verzuringsgevoelige gebieden af zijn gelegen.

Op pagina 16 van de Memorie van Toelichting stelt de regering dat zij met het voorstel van wet beoogt een wettelijk kader te bieden om aan de concentratiegebieden door middel van inrichtingsmaatregelen een kwaliteitsimpuls te geven. Centraal daarbij staat het bereiken van een nieuw evenwicht tussen de verschillende functies in het landelijk gebied, waarbij naast een duurzaam perspectief voor de landbouw ook de verbetering van de kwaliteit van natuur, landschap en milieu in onderling verband wordt nagestreefd. Aspecten als vermindering van de veterinaire kwetsbaarheid, terugdringing van de milieudruk in het algemeen en op bos en natuur in het bijzonder als gevolg van de veehouderij, versnelling van de natuurontwikkeling, verbetering van landschappelijke kwaliteit en verhoging van de recreatief-toeristische aantrekkelijkheid gaan daarbij hand in hand, aldus de regering.

Het oordeel van de Afdeling

2.13.3.    Anders dan appellanten betoogt, staat de Wet ammoniak en veehouderij er niet aan in de weg dat in het kader van de zonering binnen concentratiegebieden rekening wordt gehouden met ammoniakemissie en -depositie. Gelet op de wetsgeschiedenis van de Rwc en blijkens de rijksuitgangspunten bij de Rwc beoogt deze wet juist te voorzien in een ruimtelijke aanpak van de ammoniakproblematiek. Voorts komt het standpunt van verweerders dat de aanwijzing van extensiveringsgebieden bijdraagt aan een afname van pieken van de ammoniakdepositie en het voorkomen van nieuwe piekbelastingen, mede gelet op hetgeen is overwogen in overweging 2.13.2.3., de Afdeling niet onjuist of onredelijk voor.

2.13.4.    Het betoog van de in overweging 2.13. genoemde appellanten faalt in zoverre.

OVERIGE BEROEPEN

Het beroep van [appellant sub 3]

Het standpunt van appellant

2.14.    Appellant stelt in beroep onder meer dat zijn bedrijf in het reconstructieplan ten onrechte in een extensiveringsgebied is komen te liggen. Hij betoogt dat hij door de ligging in een extensiveringsgebied in de ontwikkelingsmogelijkheden van zijn bedrijf wordt beperkt.

Het standpunt van verweerders

2.14.1.    Verweerders stellen zich op het standpunt dat de gronden van appellant in een extensiveringsgebied liggen, gezien de nabijheid van een zeer verzuringsgevoelig deel van de EHS.

Vaststelling van de feiten

2.14.2.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.14.2.1.    Appellant exploiteert een pluimveehouderij aan de [locatie 21] te [plaats]. Blijkens kaart 1.3 van het reconstructieplan liggen de gronden van appellant in een extensiveringsgebied.

2.14.2.2.    Op kaart 1 van het POL zijn de gronden van appellant aangewezen als "Vitaal landelijk gebied (P4)". Voorts maken de gronden volgens kaart 3.1. van het Pol en kaart 8.1 van het reconstructieplan deel uit van het gebied dat is aangewezen als kwaliteitsprofiel "Waardevol regionaal landschap". Het bosgebied dat aan de gronden van appellant grenst, is op kaart 1 van het POL aangemerkt als "Bos- en/of natuurgebieden (P1)" en op kaart 4.1 van het POL als "Zeer verzuringgevoelig gebied". De gronden van appellant liggen binnen een afstand van 250 meter van zeer verzuringsgevoelige delen van de EHS.

2.14.2.3.    In het reconstructieplan staat op pagina A-84, voorzover hier van belang, vermeld dat uit de rijksuitgangspuntennota volgt dat de ligging van extensiveringsgebieden moet aansluiten bij de zeer kwetsbare bos- en natuurgebieden. Door in dit reconstructieplan niet alleen de zeer kwetsbare natuurgebieden aan te wijzen, maar de gehele PES en de P1-gebieden die ten gevolge van de Wav-herbegrenzing buiten de PES zijn komen te vallen, ontstaat er al een robuuste structuur van extensiveringsgebieden in Noord- en Midden-Limburg. Voorts is gekeken naar de zones rondom de zeer kwetsbare bos- en natuurgebieden.

Bij de begrenzing van de zones als extensiveringsgebieden is rekening gehouden met de kwaliteitsprofielen. Binnen het kwaliteitsprofiel "Waardevol regionaal landschap" bestaan de extensiveringsgebieden, voorzover hier van belang, uit de PES en de P1-gebieden buiten de PES, met bovendien een zone van 250 meter rond alle zeer verzuringgevoelige delen.

2.14.2.4.    Uit het deskundigenbericht is af te leiden dat appellant op zijn perceel nog over bebouwingsmogelijkheden beschikt.

Het oordeel van de Afdeling

2.14.3.    Het hiervoor omschreven uitgangspunt voor de begrenzing van de extensiveringsgebieden binnen het kwaliteitsprofiel "Waardevol regionaal landschap" is voldoende gemotiveerd en niet onredelijk. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, onder meer over uitbreidingsmogelijkheden voor de toekomst, bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerders in dit geval niet in redelijkheid hebben kunnen vasthouden aan dit uitgangspunt.

2.14.3.1.    Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders respectievelijk de Minister en de Staatssecretaris in zoverre niet in redelijkheid het reconstructieplan hebben kunnen vaststellen en het goedkeuringsbesluit hebben kunnen nemen. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het plan en het goedkeuringsbesluit op dit punt anderszins zijn voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.14.4.    Het beroep van [appellant sub 3] is ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 6]

Het standpunt van appellante

2.15.    Appellante stelt in beroep dat haar perceel aan de [locatie 22] te [plaats] ten onrechte in een verwevingsgebied ligt. Naar haar mening had het perceel in een landbouwontwikkelingsgebied moeten liggen zodat het bedrijf meer ontwikkelingsmogelijkheden zou hebben.

Het standpunt van verweerders

2.15.1.    Verweerders hebben zich op het standpunt gesteld dat het bedrijf, gelet op de ligging in het POL, niet als landbouwontwikkelingsgebied kan worden aangemerkt.

Vaststelling van de feiten

2.15.2.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.15.2.1.    Appellante exploiteert een varkenshouderij aan de [locatie 22] te [plaats]. Blijkens kaart 1.5 van het plan ligt het perceel in een verwevingsgebied met bovengrens bouwkavel.

2.15.2.2.    Het perceel is blijkens kaart 2 van het POL aangewezen als "Vitaal landelijk gebied (P4)". Het perceel maakt deel uit van het kwaliteitsprofiel "Waardevol regionaal landschap".

2.15.2.3.    Blijkens pagina B-16 van het plan is het kwaliteitsprofiel "Dynamiek landelijk gebied" in het reconstructieplan gewijzigd als "Het Intensieve Hart".

2.15.2.4.    Op pagina's A-74 en A-75 van het plan staat vermeld dat alleen de gebieden die in het POL zijn aangewezen als P5 in combinatie met het kwaliteitsprofiel "Waardevol regionaal landschap" of in combinatie met "Het Intensieve Hart", in het plan in beginsel geschikt zijn geacht als landbouwontwikkelingsgebied.

Het oordeel van de Afdeling

2.15.3.    De Afdeling acht het uitgangspunt van het reconstructieplan dat alleen de gebieden die in het POL zijn aangewezen als P5 in combinatie met het kwaliteitsprofiel "Waardevol regionaal landschap" of in combinatie met "Het Intensieve Hart", in het plan in beginsel geschikt zijn geacht als landbouwontwikkelingsgebied, voldoende gemotiveerd en niet onredelijk. In hetgeen appellante heeft gesteld, ziet de Afdeling geen aanleiding anders te oordelen.

2.15.3.1.    Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders respectievelijk de Minister en de Staatssecretaris in zoverre niet in redelijkheid het reconstructieplan hebben kunnen vaststellen en het goedkeuringsbesluit hebben kunnen nemen. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het plan en het goedkeuringsbesluit op dit punt anderszins zijn voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.15.4.    Het beroep van [appellante sub 6] is ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 7] voorzover ontvankelijk

Het standpunt van appellante

2.16.    Appellante stelt in beroep dat haar bedrijf aan de [locatie 23] te [plaats] ten onrechte in een verwevingsgebied is komen te liggen.

Zij exploiteert thans een akkerbouwbedrijf en wenst haar bedrijf uit te breiden met een vleesvarkensstal. Dit is alleen mogelijk in een landbouwontwikkelingsgebied. Naar haar mening had haar perceel als zodanig aangewezen moeten worden.

Het standpunt van verweerders

2.16.1.    Verweerders stellen zich op het standpunt dat in beginsel die gebieden die in het POL zijn aangewezen als "Ontwikkelingsruimte voor landbouw en toerisme (P5)" en die tevens onder meer liggen in het "Intensieve Hart", in het reconstructieplan zijn aangewezen als landbouwontwikkelingsgebieden. Het perceel van appellante ligt in "Vitaal landelijk gebied (P4)" en komt derhalve niet voor die aanwijzing in aanmerking.  

Vaststelling van de feiten

2.16.2.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.16.2.1.    Appellante exploiteert een akkerbouwbedrijf aan [locatie 23] te [plaats]. Blijkens kaart 1.2 van het plan liggen de gronden van appellante in een verwevingsgebied met bovengrens bouwkavel.

2.16.2.2.    Blijkens kaart 1 van het POL liggen haar gronden in "Vitaal landelijk gebied (P4)". Blijkens kaart 4.2 van het POL liggen de gronden tevens in een gebied met aan openheid gebonden natuurwaarde.

Het oordeel van de Afdeling

2.16.3.    De Afdeling acht het uitgangspunt van het reconstructieplan dat alleen de gebieden die in het POL zijn aangewezen als "Ontwikkelingsruimte voor landbouw en toerisme (P5)" in combinatie met het kwaliteitsprofiel "Waardevol regionaal landschap" of in combinatie met "Het Intensieve Hart", in het plan in beginsel geschikt zijn geacht als landbouwontwikkelingsgebied, voldoende gemotiveerd en niet onredelijk. In hetgeen appellante heeft gesteld, ziet de Afdeling geen aanleiding anders te oordelen.

2.16.3.1.    Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders respectievelijk de Minister en de Staatssecretaris in zoverre niet in redelijkheid het reconstructieplan hebben kunnen vaststellen en het goedkeuringsbesluit hebben kunnen nemen. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het plan en het goedkeuringsbesluit op dit punt anderszins zijn voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.16.4.    Het beroep van [appellante sub 7] is voorzover ontvankelijk ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 9] voorzover ontvankelijk

Het standpunt van appellant

2.17.    Appellant stelt in beroep dat in het reconstructieplan de bouwkavel van zijn bedrijf ten onrechte in een extensiveringsgebied is opgenomen.

Het standpunt van verweerders

2.17.1.    Naar aanleiding van de desbetreffende bedenking van appellant hebben verweerders gesteld dat de PES in het POL is begrensd. Daarbij is onder meer voor de binnen de PES gelegen EHS en de "Ontwikkelingsgebieden Ecosystemen (P2)"-gebieden expliciet aangegeven dat uitbreiding van bouwkavels voor niet-grondgebonden landbouw niet mogelijk is. Met het reconstructieplan wordt uitvoering gegeven aan het POL, waarbij in lijn met het beleid zoals verwoord in het POL de desbetreffende gebieden zijn aangewezen als extensiveringsgebied. Uitgezonderd een aantal specifiek in het reconstructieplan benoemde en beargumenteerde EHS/PES-herbegrenzingen die voortvloeien uit de toepassing van de Wav, stellen verweerders in het reconstructieplan de begrenzing van de EHS niet ter discussie.

Vaststelling van de feiten

2.17.2.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.17.2.1.    Appellant exploiteert een varkenshouderij en akkerbouwbedrijf aan de [locatie 24] te [plaats]. Blijkens kaart 1.7 van het reconstructieplan ligt het huisperceel van het bedrijf in een extensiveringsgebied. Het gebied ten oosten daarvan maakt deel uit van een verwevingsgebied.

2.17.2.2.    Op kaart 2 van het POL is het gebied waarbinnen het huisperceel van appellant ligt, aangemerkt als "Ontwikkelingsgebieden Ecosystemen (P2)". Het gebied aan de oostzijde van het huisperceel is aangeduid als "Vitaal landelijk gebied (P4)".

2.17.2.3.    Blijkens plankaart 4.2. van het POL maakt het huisperceel van appellant tevens deel uit van een hamsterkernleefgebied. Op pagina 66 en 67 van het POL is vermeld dat hamsterkernleefgebieden deel uitmaken van de ecologische ontwikkelingszones.

2.17.2.4.    In het bestemmingsplan "Buitengebied" van de gemeente Ambt Montfort, vastgesteld door de gemeenteraad op 18 december 2002, is de bouwkavel van het bedrijf van appellant vergroot. Blijkens de plankaart van het bestemmingsplan maakt het huisperceel geen deel uit van het gebied met de aanduiding "hamsterkernleefgebied".

2.17.2.5.    Door de vergroting van de bouwkavel is het huisperceel gedeeltelijk in het verwevingsgebied komen te liggen. Het college van gedeputeerde staten van Limburg heeft hierin aanleiding gezien goedkeuring aan de bouwkavel te onthouden bij besluit van 3 augustus 2004.

Voornoemd college heeft geen aanleiding gezien goedkeuring te onthouden aan de gewijzigde begrenzing van het hamsterkernleefgebied.

Het oordeel van de Afdeling

2.17.3.    Uit de goedkeuring van het bestemmingsplan "Buitengebied" van de gemeente Ambt Montfort door het college van gedeputeerde staten is af te leiden dat geen reden meer bestaat om het huisperceel van appellant nog langer als hamsterkernleefgebied aan te merken. Verweerders hebben ter zitting niet aannemelijk kunnen maken dat, afgezien van de ligging in het hamsterkernleefgebied, andere omstandigheden aan de aanwijzing van dit huisperceel als P2-gebied in het POL ten grondslag hebben gelegen. Nu deze redenen ontbreken, kunnen de betrokken gronden gelet op de daarvoor ontwikkelde criteria in redelijkheid geen deel meer uitmaken van de PES. In dat geval kwalificeert het huisperceel volgens de systematiek niet langer voor de aanduiding extensiveringsgebied. Gelet hierop moet worden geoordeeld dat verweerders onvoldoende hebben gemotiveerd dat de huiskavel van appellant binnen het extensiveringsgebied dient te vallen.

2.17.4.    Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit op dit punt een deugdelijke motivering ontbeert en in zoverre is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb. Het beroep van [appellant sub 9] is voorzover ontvankelijk gegrond en het besluit tot vaststelling van het reconstructieplan dient te worden vernietigd voorzover daarbij zijn huisperceel aan de Kleine Bergerweg 9 te St. Odiliënberg als extensiveringsgebied is aangewezen. Gelet op de onlosmakelijke samenhang van de zonering op de bouwkavel met de zonering op de overige gronden op het perceel van appellant dient het besluit tot vaststelling van het reconstructieplan ook met betrekking tot die gronden te worden vernietigd.

Tevens dient gelet op artikel 29, tweede lid, van de Rwc het goedkeuringsbesluit te worden vernietigd voorzover dat betrekking heeft op de hiervoor genoemde onderdelen van de zonering intensieve veehouderij.

Het beroep van [appellante sub 10] voorzover ontvankelijk

Het standpunt van appellante

2.18.    Appellante stelt in beroep dat haar bedrijf aan de [locatie 25] te [plaats] ten onrechte in een extensiveringsgebied is komen te liggen. In dit verband stelt zij dat de gronden in het POL niet als "Ontwikkelingsgebieden ecosystemen (P2)", maar als "Vitaal landelijk gebied (P4)" of "Ontwikkelingsruimte voor landbouw en toerisme (P5)" aangewezen hadden moeten worden. De aanwijzing van haar bouwkavel als gebied waar grondgebonden teelten worden gestimuleerd is in strijd met het stimuleringsplan met betrekking tot haar gronden waarin het gebied wordt omschreven als een gebied met intensieve tuinbouw waar belangrijke natuurwaarden ontbreken.

Het standpunt van verweerders

2.18.1.    Verweerders stellen zich onder meer op het standpunt dat het beleid voor het gebied waar het perceel van appellante ligt, gericht is op behoud en versterking van de bestaande landschappelijke en natuurlijke waarden. Beleidsmatig is dit in het POL vastgelegd als "Bos en/of natuurgebieden (P1)" of "Ontwikkelingsgebieden ecosystemen (P2)". Om de reden dat de categorie ecologische ontwikkelingszone als onderdeel van de omringende PES beter past bij het huidige gebruik van het perceel, is voorgesteld om "Bos en/of natuurgebieden (P1)" te wijzigen in "Ontwikkelingsgebieden ecosystemen (P2)". Het perceel maakt naar mening van verweerders deel uit van de EHS en kan derhalve niet als "Vitaal landelijk gebied (P4)" of "Ontwikkelingsruimte voor landbouw en toerisme (P5)" van het POL worden aangemerkt. Voorts zijn zij van mening dat de hiervoor aangegeven aanduiding van de gronden van appellante in het stimuleringsplan geen gevolgen heeft voor het gebruik van de bouwkavel, omdat het beleid in het stimuleringsplan gebaseerd is op vrijwilligheid.

Vaststelling van de feiten

2.18.2.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.18.2.1.    Appellante exploiteert een varkenshouderij en een akkerbouwbedrijf aan de Peelweg 39 te Ysselsteyn. Blijkens kaart 1.2 van het plan ligt het bedrijf van appellante in een extensiveringsgebied.

2.18.2.2.    De gronden van haar bedrijf zijn in het POL aangewezen als "Bos en/of natuurgebieden (P1)". Blijkens kaart 4.2 van het POL is het gebied tevens aangewezen als bos- en natuurgebied, dat deel uitmaakt van de PES.

2.18.2.3.    Op pagina B-18 van het reconstructieplan staat dat op kaart 8.3 behorende bij het plan de wijzigingen van "Bos en/of natuurgebieden (P1)" in "Ontwikkelingsgebieden ecosystemen (P2)" in het POL staan aangegeven. Uit die kaart blijkt dat het POL met betrekking tot de gronden van appellante wordt gewijzigd van "Bos en/of natuurgebieden (P1)" in "Ontwikkelingsgebieden ecosystemen (P2)". Dit betekent dat het reconstructieplan tot gevolg heeft dat de gronden van appellante in het POL zullen worden aangewezen als "Ontwikkelingsgebieden ecosystemen (P2)". Blijkens kaart 5 van het reconstructieplan komen de gronden tevens te liggen in een ecologische ontwikkelingszone die deel uitmaakt van de PES.

2.18.2.4.    Op pagina A-84 van het reconstructieplan staat dat de gronden die liggen in een zone van 250 meter rond alle zeer verzuringgevoelige delen van de EHS zijn aangewezen als extensiveringsgebieden.

2.18.2.5.    De provinciale stimuleringsplannen zijn de basis voor de uitvoering van twee subsidieregelingen, de Subsidieregeling Natuurbeheer 2000 en de Subsidieregeling Agrarisch Natuurbeheer. Op basis van die subsidieregelingen kunnen op vrijwillige basis landbouwgronden worden aangekocht voor natuur of beheersovereenkomsten met betrekking tot landbouwgronden worden gesloten.

In de provinciale stimuleringsplannen staat vermeld dat van de begrenzing van het stimuleringsplan geen planologische werking uitgaat. Het schept slechts mogelijkheden voor het verkrijgen van subsidies en het POL is richtinggevend voor bestemmingsplannen.

Het oordeel van de Afdeling

2.18.3.     De Afdeling vat de beroepsgrond van appellante gericht tegen de aanwijzing van haar gronden in het POL aldus op dat verweerders naar haar mening bij de zonering van de intensieve veehouderij niet hadden mogen aansluiten bij de aanwijzing in het POL.

De Afdeling overweegt dat de agrarische enclave waar het perceel van appellante deel van uitmaakt ligt binnen de 250 meter zone rondom het natuurgebied "De Meerselsche Peelheide" welk gebied is aangemerkt als zeer verzuringsgevoelig gebied van de EHS. Verweerders hebben de zonering van de in geding zijnde gronden niet enkel gebaseerd op de aanwijzing in het POL, maar ook op de omstandigheid dat de gronden liggen in de 250 meter zone rondom het natuurgebied "De Meerselsche Peelheide". Niet gebleken is dat deze wijze van zonering onjuist of onredelijk is.

2.18.3.1.    Gelet op hetgeen in overweging 2.18.2.5. is overwogen, hebben verweerders zich terecht op het standpunt gesteld dat het provinciale stimuleringsplan geen gevolgen heeft voor het gebruik van de bouwkavel van appellante.

2.18.3.2.    Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders respectievelijk de Minister en de Staatssecretaris in zoverre niet in redelijkheid het reconstructieplan hebben kunnen vaststellen en het goedkeuringsbesluit hebben kunnen nemen. In hetgeen appellante op dit punt heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het plan en het goedkeuringsbesluit op dit punt anderszins zijn voorbereid en genomen in strijd met het recht.

2.18.4.    Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellante sub 10] voorzover ontvankelijk ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 12]

Het standpunt van appellante

2.19.    Appellante stelt in beroep dat haar bedrijfsvestiging aan de [locatie 26] te [plaats] in het reconstructieplan ten onrechte in een verwevingsgebied is opgenomen. Zij is van mening dat het huisperceel had moeten worden aangemerkt als landbouwontwikkelingsgebied.

Appellante motiveert haar bezwaren tegen de zonering door erop te wijzen dat het grondwaterbeschermingsgebied Breehei ten onrechte als kwetsbaar is aangemerkt in het reconstructieplan. Zij betoogt dat de aanwijzing als kwetsbaar grondwaterbeschermingsgebied in strijd is met de Provinciale milieuverordening Limburg (hierna: de PMV) en niet voldoende is gemotiveerd. Appellante vreest dat de aanwijzing tot beperkingen leidt voor de bedrijfsvoering van haar agrarische bedrijven voorzover deze liggen binnen het gebied Breehei.

2.19.1.    Appellante stelt daarnaast dat haar bedrijf aan de Rouwkuilenweg 29 te Ysselsteyn in het reconstructieplan ten onrechte in een verwevingsgebied is opgenomen. Zij stelt dat de gronden hadden moeten worden aangemerkt als landbouwontwikkelingsgebied. Voorts bestrijdt appellante dat de ligging van de gronden op een afstand van ongeveer 1.100 meter van een beschermd natuurgebied zou moeten leiden tot de aanduiding verwevingsgebied. Zij betoogt dat bij de begrenzing van de landbouwontwikkelingsgebieden had kunnen worden volstaan met een afstand van 1.000 in plaats van 2.000 meter tot het natuurgebied Rouwkuilen.

Het standpunt van verweerders

2.19.2.    Verweerders achten het aanwijzen van de kwetsbare grondwaterwinningen als landbouwontwikkelingsgebied in strijd met het preventieve beleid voor grondwaterbeschermingsgebieden. Zij hebben daarom bepaald, dat landbouwontwikkelingsgebieden niet kunnen samenvallen met kwetsbare grondwaterbeschermingsgebieden. Tot de kwetsbare winningen wordt vanwege de kwetsbare geologische bescherming naast de freatische winningen ook de niet-freatische winning Breehei in Venray gerekend. Verweerders hebben daarom het grondwaterbeschermingsgebied Breehei binnen de zone verwevingsgebied opgenomen.

Volgens verweerders brengt voor een bestaande intensieve veehouderij binnen kwaliteitsprofiel "Het Intensieve Hart" de ligging in verwevingsgebied geen extra beperkingen met zich ten opzichte van de ligging in landbouwontwikkelingsgebied. Uitbreidingsmogelijkheden van de bouwkavel zullen in beide gevallen concreet worden bepaald door de uitkomsten van een bouwkavel op maat plus (BOM+)-toets, aldus verweerders.

2.19.2.1.    Wat betreft de situatie van appellante hebben verweerders voorts gesteld dat de aanwijzing van haar gronden aan de [locatie 26] te [plaats] als verwevingsgebied is gebaseerd op de ligging in het grondwaterbeschermingsgebied Breehei.

2.19.2.2.    Wat betreft de gronden aan [locatie 27] te [plaats] hebben verweerders zich op het standpunt gesteld dat de deze niet als landbouwontwikkelingsgebied kunnen worden aangemerkt omdat zich binnen een afstand van 2.000 meter een beschermd natuurgebied bevindt. De afstand van 2.000 meter is bepaald door uit te gaan van een volwaardig bedrijf met een maximale dispositie van 15 mol per hectare per jaar.

Vaststelling van de feiten

2.19.3.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.19.3.1.    Appellante exploiteert een varkenshouderij aan de [locatie 26] te [plaats]. Blijkens kaart 1.2 van het reconstructieplan liggen de betrokken gronden in een verwevingsgebied zonder bovengrens bouwkavel.

2.19.3.2.    Op kaart 1 van het POL zijn deze gronden als "Ontwikkelingsruimte voor landbouw en toerisme (P5)"-gebied aangeduid.

2.19.3.3.    Op pagina A-76 van het reconstructieplan staat vermeld dat voor grondwaterbeschermingsgebieden op grond van het POL een preventief beschermingsbeleid geldt (vermijden van risico's voor grondwatervervuiling).

Op kaart 7.2 van het reconstructieplan, Stimulering water: verbeteren bodem- en waterkwaliteit, zijn de kwetsbare grondwaterbeschermingsgebieden aangeduid. Blijkens pagina D-133 van het reconstructieplan betreft dit de gebieden die niet of onvoldoende worden afgedekt met beschermende kleilagen. Het grondwaterbeschermingsgebied Breehei is niet als zodanig in het POL opgenomen. Door het ontbreken van afdoende beschermende kleilagen wordt dit in het reconstructieplan aangemerkt als kwetsbaar grondwaterbeschermingsgebied. Extensivering van het grondgebruik dan wel het uit productie nemen van deze gronden (groene bescherming) biedt een garantie dat het voor drinkwaterbereiding bestemde grondwater op een duurzame wijze wordt beschermd.

2.19.3.4.    Blijkens pagina 153 van het POL is het provinciale beleid erop gericht het aantal winningen voor drinkwater terug te dringen, terwijl de resterende winningen meer bescherming wordt geboden. Deze bescherming wordt bereikt door geologische bescherming, bestaande uit het voorkomen van aantasting van de afschermende lagen, en de zogeheten groene bescherming, bestaande uit stimulering van activiteiten die in overeenstemming zijn met de bescherming van de grondwaterkwaliteit. Nieuwe activiteiten die risicovol zijn voor de waterwinning zijn niet toegestaan. Wat betreft de winningen in de zogeheten Venloschol, waartoe het gebied Breehei behoort, vermeldt het POL dat er zowel geologische bescherming als (een beperkte) groene bescherming komt.

De basis van de beschermingsregeling wordt blijkens het POL gevormd door de PMV.

Blijkens kaart 4.1 van het POL, Kristallen waarden, is het grondwaterbeschermingsgebied Breehei als niet-freatisch grondwaterbeschermingsgebied aangemerkt.

2.19.3.5.    Op de bij de PMV behorende kaart Noord is het gebied Breehei aangeduid als niet-freatisch grondwaterbeschermingsgebied, tevens kwetsbaar gebied.

2.19.3.6.    In het deskundigenbericht is vermeld dat blijkens een onderzoeksrapport van de NV Waterleiding Maatschappij Limburg uit 2003 de winning Breehei niet-freatisch is, maar dat wel freatische invloeden worden verwacht.

2.19.3.7.    Appellante heeft niet gemotiveerd betwist dat de kleilagen in het grondwaterbeschermingsgebied Breehei onvoldoende geologische bescherming bieden.

2.19.3.8.    Blijkens de parlementaire geschiedenis van de Rwc vormt de zogeheten watersysteembenadering, dat wil zeggen de onderlinge afstemming van waterhuishouding, ruimtelijke ordening en natuur- en milieubeleid, waarbij de gewenste grondwatersituatie als basis voor de inrichting van een gebied wordt genomen, een belangrijk aangrijpingspunt voor herstel en verbetering van de ecologische en ruimtelijke kwaliteit van de reconstructiegebieden. Uit de Memorie van Toelichting wordt voorts gesteld dat de watersysteembenadering bij de keuze van de plaats en inrichting van de ontwikkelingsgebieden voor de veehouderij, maar ook bij de nadere begrenzing en inrichting van de ecologische hoofdstructuur, een rol zal moeten spelen (Kamerstukken II 1998/99, 26356, nr. 3, p. 12 (MvT)).

2.19.4.    Appellante exploiteert voorts een varkenshouderij aan de Rouwkuilenweg 29 te Ysselsteyn. Blijkens kaart 1.2 van het reconstructieplan liggen de betrokken gronden in een verwevingsgebied zonder bovengrens bouwkavel.

2.19.4.1.    Op kaart 1 van het POL zijn deze gronden als "Ontwikkelingsruimte voor landbouw en toerisme (P5)"-gebied aangeduid.

2.19.4.2.    De afstand tot het staatsnatuurmonument "Rouwkuilen" bedraagt blijkens het deskundigenbericht ongeveer 1.200 meter. Blijkens kaart 11 van het reconstructieplan betreft dit natuurgebied een verzuringsgevoelig gebied van de EHS.

2.19.4.3.    Volgens het deskundigenbericht vormt de afstand van 2.000 meter tot de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden en de Natuurbeschermingswetgebieden een veilige marge gelet op de maximale depositiepiek van 15 mol, maar is de stelling van appellante dat het binnen een afstand van 2.000 meter tot een dergelijk gebied mogelijk is een volwaardig bedrijf te stichten rekening houdend met de maximaal toegestane ammoniakdepositie van 15 mol per hectare per jaar, niet bij voorbaat onjuist.

2.19.4.4.    Op pagina A-74 van het reconstructieplan is vermeld dat de landbouwontwikkelingsgebieden zo zijn begrensd dat er vanuit het ruimtelijke en milieubeleid daadwerkelijk ruimte is voor bedrijfsontwikkeling en voor concentratie van bedrijven. Uitgangspunt daarbij is ruimtelijke sturing te geven richting de meest duurzame gebieden zonder op voorhand de speelruimte om op lokale schaal tot de beste locaties te komen, onnodig te beperken. In ieder geval zijn voldoende ruime afstandsmaten gehanteerd ten opzichte van kwetsbare gebieden om ook reële landbouwontwikkelingsgebieden aan te kunnen wijzen.

Verweerders hebben de gebieden die op basis van dit uitgangspunt potentieel geschikt leken, nader beoordeeld op geschiktheid, waarbij criteria zijn gebruikt die passen bij het schaalniveau van het reconstructieplan en de status van de landbouwontwikkelingsgebieden als zoekgebied voor nieuwvestiging. Op pagina A-75 staat beschreven dat bij deze nadere beoordeling een aantal gebieden is afgevallen. Gebieden die tot een afstand van 2.000 meter van verzuringsgevoelige delen van Natuurbeschermingswetgebieden liggen, behoren tot de gebieden die bij de nadere beoordeling ongeschikt zijn geoordeeld als landbouwontwikkelingsgebied.

2.19.4.5.    Op pagina A-77 is gesteld dat verwevingsgebieden een sterke vermenging van functies met diverse waarden in het buitengebied kennen. De verweving is erop gericht deze functies en waarden zich naast elkaar te laten ontwikkelen en elkaar te laten versterken.

Binnen verwevingsgebieden is groei van bestaande bedrijven mogelijk, waarbij de zogeheten BOM+-toets een belangrijk sturend instrument is.

Op pagina A-78 is gesteld dat de begrenzing van het verwevingsgebied de resultante is van de begrenzing van de extensiveringsgebieden en de landbouwontwikkelingsgebieden.

Het oordeel van de Afdeling

2.19.5.    Gelet op de parlementaire geschiedenis van de Rwc en de bewoordingen van artikel 4 van de Rwc in aanmerking genomen, bestaat geen grond voor het oordeel dat de grondwaterbescherming buiten de doelstellingen en het afwegingskader van de wet valt.

2.19.5.1.    Het standpunt van verweerders dat de mogelijkheid om in  landbouwontwikkelingsgebieden binnen het kwaliteitsprofiel "Het Intensieve Hart" grootschalige projectvestigingen te ontwikkelen onverenigbaar is met de functie van grondwaterbeschermingsgebied, is voldoende gemotiveerd en niet onredelijk.

Niet aannemelijk is gemaakt dat voor bestaande intensieve veehouderijen binnen het kwaliteitsprofiel "Het Intensieve Hart" de ligging in een verwevingsgebied ten opzichte van de ligging in een landbouwontwikkelingsgebied extra beperkingen met zich brengt.

Gelet op de vorenstaande feiten en omstandigheden alsmede de stukken en het verhandelde ter zitting, bestaat in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders het grondwaterbeschermingsgebied Breehei niet als kwetsbaar hebben kunnen aanmerken. Van de door appellante gestelde tegenstrijdigheid met de PMV is geen sprake, nu het gebied Breehei ook volgens de bij de PMV behorende kaart als kwetsbaar is aangemerkt.  

2.19.5.2.    Gelet op het feit dat verweerders met de aanwijzing van landbouwontwikkelingsgebieden beogen duurzame ontwikkelingsperspectieven te bieden aan intensieve veehouderijbedrijven, is het niet onredelijk dat zij bij de aanwijzing rekening hebben gehouden met een veilige marge ten opzichte van verzuringsgevoelige natuurgebieden. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ten aanzien van de afstand tot de Natuurbeschermingswetgebieden, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders in dit geval niet aan deze veilige marge hebben kunnen vasthouden. De omstandigheid dat het wellicht mogelijk is ook binnen een afstand van 2.000 meter een volwaardig bedrijf te stichten zonder de maximale depositie van 15 mol te overschrijden, maakt dit niet anders. Verweerders hebben daarom de gronden van appellante aan de Rouwkuilenweg 29 in redelijkheid als verwevingsgebied kunnen aanmerken. Hetgeen appellante omtrent de perspectiefaanduiding in het POL heeft aangevoerd, maakt dit niet anders.

2.19.6.    Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders respectievelijk de Minister en de Staatssecretaris in zoverre niet in redelijkheid het reconstructieplan hebben kunnen vaststellen en het goedkeuringsbesluit hebben kunnen nemen. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het plan en het goedkeuringsbesluit op dit punt anderszins zijn voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.19.7.    Het beroep van [appellante sub 12] is ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 13] voorzover ontvankelijk

Het standpunt van appellante

2.20.    Appellante stelt in beroep dat een deel van haar gronden aan de [locatie 28] te [plaats] ten onrechte in een extensiveringsgebied is opgenomen.

Uit de rijksuitgangspunten in de bijlage behorende bij de Rwc (hierna: de rijksuitgangspunten) volgt naar haar mening dat de ligging van extensiveringsgebieden moet aansluiten bij de zeer kwetsbare bos- en natuurgebieden. De desbetreffende gronden van appellante maken geen deel uit van een zeer kwetsbaar bos- en/of natuurgebied.

Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat de gronden in het POL zijn aangewezen als "zoekgebied voor regionale waterberging" en dat de aanwezigheid van een mestverwerkingsinstallatie daar niet aan in de weg staat. Daarom is de ligging van haar gronden in een extensiveringsgebied niet juist. Het voorgaande betekent naar haar mening dat het plan op dit punt niet in overeenstemming is met de rijksuitgangspunten en de begrenzingencriteria van het reconstructieplan.  

Het standpunt van verweerders

2.20.1.    Naar aanleiding van de desbetreffende bedenking van appellante hebben verweerders onder meer gesteld dat grootschalige mestverwerking niet onder de definitie van intensieve veehouderij valt, waardoor de zonering intensieve veehouderij voor mestverwerking die het schaalniveau van een individueel intensief veehouderijbedrijf ontstijgt, geen aanvullende beperkingen met zich brengt ten opzichte van het beleid dat is opgenomen in het POL. De gedeeltelijke ligging van de gronden van appellante in een extensiveringsgebied brengt dan ook naar mening van verweerders geen beperkingen met zich.

2.20.1.1.    In hun verweerschrift hebben verweerders gesteld dat de Rwc geen beperking oplevert om andere of verdergaande onderwerpen in het reconstructieplan op te nemen dan die zijn opgelegd in de rijksuitgangspunten, mits ze passen binnen de doelstellingen van de wet.

Vaststelling van de feiten

2.20.2.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.20.2.1.    Appellante exploiteert een varkenshouderij op de percelen aan de [locatie 29 en [locatie 1] te [plaats]. Voorts heeft appellante gronden aan de [locatie 28]. Blijkens kaart 1.7 van het plan liggen de gronden aan de [locatie 28] deels in een extensiveringsgebied en deels in een verwevingsgebied.

2.20.2.2.    Op kaart 1 van het POL zijn de gronden die in een extensiveringsgebied liggen aangemerkt als "Ruimte voor veerkrachtige watersystemen (P3)". Blijkens plankaart 4.2 van het POL liggen deze tevens in een ecologische verbindingszone die deel uitmaakt van de PES.

2.20.2.3.    Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Rwc geschieden de voorbereiding, de vaststelling en de uitvoering van het reconstructieplan, met het oog op het bereiken van de doelstellingen in artikel 4 van de wet, met inachtneming van de in de bijlage bij deze wet opgenomen rijksuitgangspunten.

Ingevolge het tweede lid, kunnen bij algemene maatregel van bestuur criteria worden vastgesteld voor de wijze waarop de toetsing van de resultaten van de reconstructieplannen aan de rijksuitgangspunten, bedoeld in het eerste lid, kan plaatsvinden.

2.20.2.4.    Ingevolge paragraaf 2, onder A., sub 1., van de bijlage bedoeld in artikel 9 van de Rwc, sluit de ligging van extensiveringsgebieden aan bij de zeer kwetsbare bos- en natuurgebieden en kernrandzones.

2.20.2.5.    In de Memorie van Toelichting over de rijksuitgangspunten die zijn neergelegd in de bijlage behorende bij de Rwc (Kamerstukken II, 1998/1999, 26 356, nr. 3, pagina 26) staat vermeld dat de rijksuitgangspunten het kader vormen waarbinnen de bestuurlijke samenwerking tussen het Rijk en de provincies nader gestalte zal worden gegeven. De functie van de rijksuitgangspunten is tweeledig. Ten eerste vormen zij een richtinggevend kader voor de inhoud van reconstructieplannen. In de tweede plaats zijn de rijksuitgangspunten de basis voor de toetsing van reconstructieplannen door de centrale overheid.

2.20.2.6.    Op pagina A-21 van het reconstructieplan staat dat het reconstructieplan een nadere uitwerking is van het beleid dat is verwoord in het POL. Op pagina A-84 van het plan staat dat onder meer de PES in zijn geheel is aangewezen als extensiveringsgebied.

2.20.2.7.    Blijkens pagina B-21 en in Bijlage 3 bij onderdeel D, Begrippenlijst, van het reconstructieplan wordt onder intensieve veehouderij verstaan het op een bedrijfsmatige wijze houden van varkens, kippen, vleeskuikens, vleeskalveren, stieren voor de roodvleesproductie, eenden, pelsdieren, konijnen, kalkoenen of parelhoenders. De mestverwerking als afzonderlijke activiteit wordt in de begrippenlijst niet tot de intensieve veehouderij gerekend.

Het oordeel van de Afdeling

2.20.3.    De rijksuitgangspunten behorende bij de wet moeten bij de voorbereiding, de vaststelling en de uitvoering van het reconstructieplan in acht worden genomen. Deze rijksuitgangspunten staan er niet aan in de weg dat in het reconstructieplan een verdergaande begrenzing van de extensiveringsgebieden wordt opgenomen dan waarvan in de rijksuitgangspunten wordt uitgegaan.

2.20.3.1.    Gelet op hetgeen is vastgesteld in overweging 2.20.2.2. is het betoog van appellante dat haar gronden liggen in een "zoekgebied regionale waterberging" onjuist.

2.20.3.2.    In hetgeen appellante heeft gesteld, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders ten aanzien van de gronden [locatie 28] te [plaats] heeft moeten afwijken van het uitgangspunt dat de PES in zijn geheel is aangewezen als extensiveringsgebied.

2.20.3.3.    Uit hetgeen is overwogen in overweging 2.20.2.7. volgt dat verweerders zich terecht op het standpunt hebben gesteld dat de ligging in een extensiverings- en verwevingsgebied voor een mogelijke mestverwerkingsinstallatie op het perceel [locatie 28] te [plaats] geen beperking uit hoofde van die ligging met zich brengt.

2.20.3.4.    Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders respectievelijk de Minister en de Staatssecretaris in zoverre niet in redelijkheid het reconstructieplan hebben kunnen vaststellen en het goedkeuringsbesluit hebben kunnen nemen. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het plan en het goedkeuringsbesluit op dit punt anderszins zijn voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.20.4.    Gelet hierop is het beroep van [appellante sub 13] voorzover ontvankelijk ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 14] voorzover ontvankelijk

Het standpunt van appellante

2.21.    Appellante stelt in beroep dat in het reconstructieplan de bouwkavel aan de [locatie 30] te [plaats] ten onrechte in een extensiveringsgebied is opgenomen.

Het standpunt van verweerders

2.21.1.    Verweerders hebben voorafgaand aan de vaststelling van het reconstructieplan onderzocht of het in bepaalde gevallen mogelijk zou kunnen zijn de zonering aan te passen. Zij hebben daarbij de volgende werkwijze gevolgd. Ecologische verbindingszones maken deel uit van de PES. Ze vallen samen met de gebiedsperspectieven 1, 2 en 3 uit het POL. Omdat de perspectieven "Bos en/of natuurgebieden (P1)" en "Ontwikkelingsgebieden ecosystemen (P2)" in het POL zijn begrensd op basis van topografische grenzen, is de begrenzing van het extensiveringsgebied binnen die gebiedsperspectieven niet heroverwogen. Bij de aanwijzing van perspectief "Ruimte voor veerkrachtige watersystemen (P3)" is in het POL uitgegaan van geomorfologische gegevens. Dit leverde niet altijd een logische topografische begrenzing op.

2.21.1.1.    In de gevallen dat een bedenking was ingediend waarbij sprake was van een extensiveringsgebied dat uitsluitend was aangewezen omdat het binnen een "Ruimte voor veerkrachtige watersystemen (P3)"-gebied binnen de EHS viel, hebben verweerders daarom onderzocht of bij de begrenzing van het extensiveringsgebied zou moeten worden afgeweken van de ecologische verbindingszones in het POL. Daarbij hebben verweerders de volgende criteria toegepast:

1. De ligging van de bouwkavel op de rand of tegen de rand van de ecologische verbindingszone. Bij ligging midden in de ecologische verbindingszone heeft in ieder geval geen aanpassing plaatsgevonden.

2. De vraag of de ecologische verbindingszone in een actueel, op het POL gebaseerd, bestemmingsplan is begrensd, en de vraag of het bestemmingsplan op dit punt ten gunste van de ondernemer afwijkt van het POL.

3. De mate waarin de ondernemer concreet in de ontwikkeling van zijn bedrijf wordt beperkt door het extensiveringsgebied. Wanneer er uitbreidingsmogelijkheden binnen het verwevingsgebied zijn, heeft geen aanpassing plaatsgevonden. Aanpassing vond niet plaats wanneer dat ongewenste ruimtelijke ontwikkelingen met zich zou kunnen brengen.

2.21.1.2.    Wanneer aan deze criteria is voldaan, is naar een maatwerkoplossing voor het bedrijf gezocht. Daarbij hebben verweerders een begrenzing bepaald die recht doet aan de feitelijke situatie zonder ontwikkelingsmogelijkheden te creëren die in strijd zijn met de doelstellingen van het POL en het reconstructieplan. Afhankelijk van de situatie per geval heeft een aanpassing van het extensiveringsgebied plaatsgevonden op basis van de begrenzing van de ecologische verbindingszone in het bestemmingsplan of op geomorfologische kaarten of op grond van de locale situatie.

2.21.2.    Wat betreft de situatie van appellante stellen verweerders dat het onderzoek niet tot een aanpassing van de begrenzing van extensiveringsgebied heeft geleid, omdat de bouwkavel niet aan de rand van de ecologische verbindingszone ligt, maar er middenin. Aanpassing van de EHS zou tot versnippering van de ecologische verbindingszone leiden. Verweerders hebben er daarbij op gewezen dat het ter plaatse geldende bestemmingsplan niet op het POL is gebaseerd.

Vaststelling van de feiten

2.21.3.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.21.3.1.    Appellante exploiteert een varkens- en akkerbouwbedrijf aan de [locatie 31] en de [locatie 30] te [plaats]. Blijkens kaart 1.2 liggen de gronden van het bedrijf aan de [locatie 30] in een extensiveringsgebied.

2.21.3.2.    Op kaart 1 van het POL is de aanduiding "Ruimte voor veerkrachtige watersystemen (P3)" aan het desbetreffende perceel toegekend. Blijkens kaart 4.2 van het POL liggen de gronden in een ecologische verbindingszone en maken ze deel uit van de PES.

2.21.3.3.    Het perceel aan de [locatie 30] ligt ten westen van de kern Merselo. Op het huisperceel staan een loods en een stal waarin varkens worden gehouden.

Het oordeel van de Afdeling

2.21.4.    De hiervoor in overweging 2.21.1.1. opgenomen criteria die verweerders mede hanteren teneinde te beoordelen of de begrenzing van het extensiveringsgebied in gevallen als hier aan de orde aanpassing behoeft, komen de Afdeling voldoende gemotiveerd en niet onredelijk voor.

Nu de gronden van appellante midden in de ecologische verbindingszone liggen hebben verweerders kunnen vasthouden aan het uitgangspunt dat gronden binnen de PES als extensiveringsgebieden worden aangewezen.

In hetgeen appellant heeft aangevoerd, hebben verweerders geen reden hoeven te zien om hierop een uitzondering te maken.

2.21.4.1.    Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders respectievelijk de Minister en de Staatssecretaris in zoverre niet in redelijkheid het reconstructieplan hebben kunnen vaststellen en het goedkeuringsbesluit hebben kunnen nemen. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het plan en het goedkeuringsbesluit op dit punt anderszins zijn voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.21.5.    Het beroep van [appellante sub 14] voorzover ontvankelijk is ongegrond.

Het beroep van [appellanten sub 15] voorzover ontvankelijk

Het standpunt van appellanten

2.22.    Appellanten stellen in beroep dat hun bedrijf aan de [locatie 32] te [plaats] ten onrechte in een extensiveringsgebied ligt. In dit verband stellen zij onder meer dat de gronden niet als "Ontwikkelingsgebieden ecosystemen (P2)", maar als "Vitaal landelijk gebied (P4)" aangewezen hadden moeten worden en dat verweerders er ten onrechte van zijn uitgegaan dat hun perceel in de EHS is gelegen. Dit blijkt naar hun mening ook uit de omschrijving van het gebied in het stimuleringsplan als een gebied met intensieve tuinbouw waar belangrijke natuurwaarden ontbreken.

Het standpunt van verweerders

2.22.1.    Verweerders stellen zich onder meer op het standpunt dat het beleid voor het gebied waar het perceel van appellanten ligt, gericht is op behoud en versterking van de bestaande landschappelijke en natuurlijke waarden. Beleidsmatig is dit in het POL vastgelegd als "Bos en/of natuurgebieden (P1)" of "Ontwikkelingsgebieden ecosystemen (P2)". Om de reden dat de categorie ecologische ontwikkelingszone als onderdeel van de omringende PES beter past bij het huidige gebruik van het perceel, is voorgesteld om "Bos en/of natuurgebieden (P1)" te wijzigen in "Ontwikkelingsgebieden ecosystemen (P2)". Het perceel maakt naar mening van verweerders deel uit van de EHS en kan derhalve niet als "Vitaal landelijk gebied (P4)" of "Ontwikkelingsruimte voor landbouw en toerisme (P5)" van het POL worden aangemerkt. Voorts zijn zij van mening dat de hiervoor aangegeven aanduiding van de gronden van appellanten in het stimuleringsplan geen gevolgen heeft voor het gebruik van de bouwkavel, omdat het beleid in het stimuleringsplan gebaseerd is op vrijwilligheid.

Vaststelling van de feiten

2.22.2.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.22.2.1.    Appellanten exploiteren een varkenshouderij en een akkerbouwbedrijf aan de [locatie 32] te [plaats]. Blijkens kaart 1.2 van het plan ligt het perceel van appellanten in een extensiveringsgebied.

2.22.2.2.    De gronden van hun bedrijf zijn in het POL aangewezen als "Bos en/of natuurgebieden (P1)". Blijkens kaart 4.2 van het POL is het gebied tevens aangewezen als bos- en natuurgebied, dat deel uitmaakt van de PES.

2.22.2.3.    Op pagina B-18 van het reconstructieplan staat dat op kaart 8.3 behorende bij het plan de wijzigingen van "Bos en/of natuurgebieden (P1)" in "Ontwikkelingsgebieden ecosystemen (P2)" in het POL staan aangegeven. Uit die kaart blijkt dat het POL met betrekking tot de gronden van appellante wordt gewijzigd van "Bos en/of natuurgebieden (P1)" in "Ontwikkelingsgebieden ecosystemen (P2)". Dit betekent dat het reconstructieplan tot gevolg heeft dat de gronden van appellante in het POL zullen worden aangewezen als "Ontwikkelingsgebieden ecosystemen (P2)". Blijkens kaart 5 van het reconstructieplan komen de gronden tevens te liggen in een ecologische ontwikkelingszone die deel uitmaakt van de PES.

2.22.2.4.    Op pagina A-84 van het reconstructieplan staat dat de gronden die liggen in een zone van 250 meter rond alle zeer verzuringgevoelige delen van de EHS zijn aangewezen als extensiveringsgebieden.

2.22.2.5.    De provinciale stimuleringsplannen zijn de basis voor de uitvoering van twee subsidieregelingen, de Subsidieregeling Natuurbeheer 2000 en de Subsidieregeling Agrarisch Natuurbeheer. Op basis van die subsidieregelingen kunnen op vrijwillige basis landbouwgronden worden aangekocht voor natuur of beheersovereenkomsten met betrekking tot landbouwgronden worden gesloten.

In de provinciale stimuleringsplannen staat vermeld dat van de begrenzing van het stimuleringsplan geen planologische werking uitgaat. Het schept slechts mogelijkheden voor het verkrijgen van subsidies en het POL is richtinggevend voor bestemmingsplannen.

Het oordeel van de Afdeling

2.22.3.    De Afdeling vat de beroepsgrond van appellanten gericht tegen de aanwijzing van hun gronden in het POL aldus op dat verweerders naar hun mening bij de zonering van de intensieve veehouderij niet hadden mogen aansluiten bij de aanwijzing in het POL.

De Afdeling overweegt dat de agrarische enclave waar het perceel van appellanten deel van uitmaakt ligt binnen de 250 meter zone rondom het natuurgebied "De Meerselsche Peelheide" welk gebied is aangemerkt als zeer verzuringsgevoelig gebied van de EHS. Verweerders hebben de zonering van de in geding zijnde gronden niet enkel gebaseerd op de aanwijzing in het POL, maar ook op de omstandigheid dat de gronden liggen in de 250 meter zone rondom het natuurgebied "De Meerselsche Peelheide". De Afdeling acht deze wijze van zonering niet onjuist of onredelijk. De aanwezigheid van een autosportcircuit en een militaire basis in de omgeving, maakt dit oordeel niet anders.

2.22.3.1.    Gelet op hetgeen in overweging 2.22.2.5. staat vermeld hebben verweerders zich terecht op het standpunt gesteld dat het provinciale stimuleringsplan geen gevolgen heeft voor het gebruik van de bouwkavel van appellanten.

2.22.3.2.    Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders respectievelijk de Minister en de Staatssecretaris in zoverre niet in redelijkheid het reconstructieplan hebben kunnen vaststellen en het goedkeuringsbesluit hebben kunnen nemen. In hetgeen appellanten op dit punt hebben aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het plan en het goedkeuringsbesluit op dit punt anderszins zijn voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.22.4.    Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellanten sub 15] voorzover ontvankelijk ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 17] voorzover ontvankelijk

Het standpunt van appellante

2.23.    Appellante stelt in beroep dat haar gronden aan de [locatie 33] en [locatie 34] te [plaats] ten onrechte in een extensiveringsgebied liggen. Voorts stelt zij in haar uitbreidingsmogelijkheden te worden belemmerd doordat in de nabije omgeving verblijfsrecreatie plaatsvindt.

Het standpunt van verweerders

2.23.1.    Verweerders stellen zich onder meer op het standpunt dat de onbebouwde gronden ten noorden van de Hazenhorstweg [locatie 33] niet zijn aangewezen als landbouwontwikkelingsgebied, maar als verwevingsgebied, omdat ze liggen binnen 400 meter van een verblijfsrecreatieterrein.

Vaststelling van de feiten

2.23.2.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.23.2.1.    Appellante exploiteert een varkens- en paardenhouderij aan de [locatie 33] en [locatie 34] te [plaats]. Blijkens kaart 1.3 van het plan liggen beide percelen in een extensiveringsgebied. Ten noorden van de [locatie 33] liggen onbebouwde gronden die in eigendom zijn van appellante. Deze onbebouwde gronden liggen in een verwevingsgebied.

Ten zuiden van de [locatie 33] ligt de [locatie 34] en ten zuiden daarvan bevindt zich een camping.

2.23.2.2.    De gronden aan de [locatie 33] en [locatie 34] zijn blijkens kaart 1 van het POL aangewezen als "Ecologische ontwikkelingssystemen (P2)" met de aanduiding "beekdal en laagte". Blijkens kaart 4.2 van het POL zijn deze gronden tevens aangewezen als ecologische ontwikkelingszone die deel uitmaakt van de PES. De gronden ten noorden van de [locatie 33] zijn in het POL aangewezen als "Ontwikkelingsruimte voor landbouw en toerisme (P5)".

2.23.2.3.    Appellante wenst haar paardenhouderij te verplaatsen naar de [locatie 34] en de varkenshouderij te behouden op de [locatie 33]. Tevens wil zij een nieuwe stal bouwen op de onbebouwde gronden ten noorden van de [locatie 33].

2.23.2.4.    Op pagina A-74 van het reconstructieplan is vermeld dat de landbouwontwikkelingsgebieden zo zijn begrensd dat er vanuit het ruimtelijke en milieubeleid daadwerkelijk ruimte is voor bedrijfsontwikkeling en voor concentratie van bedrijven. Uitgangspunt daarbij is ruimtelijke sturing te geven richting de meest duurzame gebieden zonder op voorhand de speelruimte om op lokale schaal tot de beste locaties te komen, onnodig te beperken. In ieder geval zijn voldoende ruime afstandsmaten gehanteerd ten opzichte van kwetsbare gebieden om ook reële landbouwontwikkelingsgebieden aan te kunnen wijzen.

Verweerders hebben de gebieden die op basis van dit uitgangspunt potentieel geschikt leken, nader beoordeeld op geschiktheid, waarbij criteria zijn gebruikt die passen bij het schaalniveau van het reconstructieplan en de status van de landbouwontwikkelingsgebieden als zoekgebied voor nieuwvestiging. Op pagina A-75 staat beschreven dat bij deze nadere beoordeling een aantal gebieden is afgevallen. "Ontwikkelingsruimte voor landbouw en toerisme (P5)"-gebieden die tot een afstand van 400 meter rondom woonkernen, rond verblijfsrecreatie en rond grootschaligere dagrecreatieve voorzieningenliggen, behoren tot de gebieden die bij de nadere beoordeling ongeschikt bleken te zijn.

2.23.2.5.    Uit de tekst op pagina B-23 van het reconstructieplan blijkt dat het college van gedeputeerde staten in een aantal gevallen goedkeuring heeft onthouden aan agrarische bouwkavels in bestemmingsplannen die betrekking hebben op gebieden die onder dit reconstructieplan vallen. Onder meer in die gevallen mag de bestaande bebouwing van de intensieve veehouderij eenmalig worden uitgebreid met 15 procent.

Het oordeel van de Afdeling

2.23.3.    Zoals in overweging 2.23.2.4. is overwogen, zijn die gebieden die liggen in een zone van 400 meter rondom een verblijfsrecreatie niet voor de aanwijzing als landbouwontwikkelingsgebied in aanmerking gekomen.

Aangezien de gronden van appellante binnen 400 meter van een bestaande verblijfsrecreatie liggen, zijn deze gronden niet aangewezen als landbouwontwikkelingsgebied.

Verweerders hebben in redelijkheid een zone van 400 meter rondom verblijfsrecreatie kunnen aanwijzen als verwevingsgebied in plaats van landbouwontwikkelingsgebied. Bovendien is niet aannemelijk gemaakt dat appellanten hierdoor onevenredig gehinderd worden in hun bedrijfsvoering. De Afdeling neemt hierbij het volgende in aanmerking.

Gelet op hetgeen is vastgesteld in overweging 2.23.2.5. mag de bestaande bebouwing van de intensieve veehouderij eenmalig worden uitgebreid met 15 procent. Gelet artikel 1 van de Rwc telt de bebouwing voor de paardenhouderij niet, maar die voor de varkenshouderij wel mee voor de vaststelling van de omvang van de bestaande bebouwing van de intensieve veehouderij. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat op de [locatie 33] twee stallen van samen ongeveer 3.200 m2 aanwezig zijn ten behoeve van de varkenshouderij. Op de [locatie 34] staat een varkensstal van ongeveer 1.400 m2.

Gelet op het voorgaande staat het reconstructieplan er niet aan in de weg dat de bouwkavel tot 15 procent van de voornoemde oppervlaktes samen, te weten met ongeveer 700 m2, wordt uitgebreid.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat op de gronden aan de [locatie 33] en [locatie 34] een zodanige ruimte aanwezig is.      

2.23.3.1.    Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders respectievelijk de Minister en de Staatssecretaris in zoverre niet in redelijkheid het reconstructieplan hebben kunnen vaststellen en het goedkeuringsbesluit hebben kunnen nemen. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het plan en het goedkeuringsbesluit op dit punt anderszins zijn voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.23.4.    Het beroep van [appellante sub 17] is voorzover ontvankelijk ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 18]

Het standpunt van appellant

2.24.    Appellant stelt in beroep dat de gronden van zijn bedrijf aan de [locatie 35] te [plaats] in het reconstructieplan ten onrechte in een verwevingsgebied zijn opgenomen. Hij wenst dat aan deze gronden de aanduiding extensiveringsgebied wordt gegeven, zodat het gehele bedrijf verplaatst kan worden.

Het standpunt van verweerders

2.24.1.    Verweerders hebben zich op het standpunt gesteld dat geen aanleiding bestaat het perceel [locatie 35] te [plaats] als extensiveringsgebied aan te merken.

Vaststelling van de feiten

2.24.2.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.24.2.1.    Appellant exploiteert onder meer een slachtkuikenbedrijf aan de [locatie 35] te [plaats]. Op kaart 1.3 van het reconstructieplan is aan de gronden van dit bedrijf de aanduiding verwevingsgebied zonder bouwkavel toegekend.

2.24.2.2.    Op kaart 1 van het POL zijn de gronden als "Ontwikkelingsruimte voor landbouw en toerisme (P5)"-gebied aangemerkt.

2.24.2.3.    Op pagina A-74 van het reconstructieplan is vermeld dat de landbouwontwikkelingsgebieden zo zijn begrensd dat er vanuit het ruimtelijke en milieubeleid daadwerkelijk ruimte is voor bedrijfsontwikkeling en voor concentratie van bedrijven. Uitgangspunt daarbij is ruimtelijke sturing te geven richting de meest duurzame gebieden zonder op voorhand de speelruimte om op lokale schaal tot de beste locaties te komen, onnodig te beperken. In ieder geval zijn voldoende ruime afstandsmaten gehanteerd ten opzichte van kwetsbare gebieden om ook reële landbouwontwikkelingsgebieden aan te kunnen wijzen.

Verweerders hebben de gebieden die op basis van dit uitgangspunt potentieel geschikt leken, nader beoordeeld op geschiktheid, waarbij criteria zijn gebruikt die passen bij het schaalniveau van het reconstructieplan en de status van de landbouwontwikkelingsgebieden als zoekgebied voor nieuwvestiging. Op pagina A-75 staat beschreven dat bij deze nadere beoordeling een aantal gebieden is afgevallen. "Ontwikkelingsruimte voor landbouw en toerisme (P5)"-gebieden die tot een afstand van 400 meter rondom onder meer woonkernen liggen, behoren tot de gebieden die bij de nadere beoordeling ongeschikt bleken te zijn.

2.24.2.4.    Op pagina A-77 is gesteld dat verwevingsgebieden een sterke vermenging van functies met diverse waarden in het buitengebied kennen. De verweving is erop gericht deze functies en waarden zich naast elkaar te laten ontwikkelen en elkaar te laten versterken.

Binnen verwevingsgebieden is groei van bestaande bedrijven mogelijk, waarbij de zogeheten BOM+-toets een belangrijk sturend instrument is.

Op pagina A-78 is gesteld dat de begrenzing van het verwevingsgebied de resultante is van de begrenzing van de extensiveringsgebieden en de landbouwontwikkelingsgebieden.

Het oordeel van de Afdeling

2.24.3.    Uit de hiervoor in overweging 2.24.2.3. beschreven feiten volgt dat het perceel van appellant in beginsel in aanmerking komt voor de aanduiding landbouwontwikkelingsgebied, maar dat de ligging in de nabijheid van de kern Sevenum daaraan in de weg staat. De Afdeling acht de handelwijze van verweerders om de landbouwontwikkelingsgebieden en de extensiveringsgebieden te begrenzen en het resterende gedeelte van het plangebied als verwevingsgebieden aan te merken, voldoende gemotiveerd en niet onredelijk.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is niet gebleken dat op grond van de begrenzingscriteria en de gebiedskenmerken aan het perceel van appellant de aanduiding extensiveringsgebied had moeten worden toegekend. Gelet hierop, bestaat in hetgeen appellant heeft aangevoerd, geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders niet aan hun uitgangspunten hebben kunnen vasthouden.

2.24.3.1.     Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders respectievelijk de Minister en de Staatssecretaris in zoverre niet in redelijkheid het reconstructieplan hebben kunnen vaststellen en het goedkeuringsbesluit hebben kunnen nemen. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het plan en het goedkeuringsbesluit op dit punt anderszins zijn voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.24.4.    Het beroep van [appellant sub 18] is ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 19]

Het standpunt van appellante

2.25.    Appellante stelt in beroep dat haar bedrijfsvestiging in het reconstructieplan ten onrechte in een verwevingsgebied is opgenomen. Zij is van mening dat het huisperceel had moeten worden aangemerkt als landbouwontwikkelingsgebied.

Appellante motiveert haar bezwaren tegen de zonering door erop te wijzen dat het grondwaterbeschermingsgebied Breehei ten onrechte als kwetsbaar is aangemerkt in het reconstructieplan. Zij betoogt dat de aanwijzing als kwetsbaar grondwaterbeschermingsgebied in strijd is met de PMV en niet voldoende is gemotiveerd. Appellante vreest dat de aanwijzing tot beperkingen leidt voor de bedrijfsvoering van haar agrarische bedrijf.

Het standpunt van verweerders

2.25.1.    Verweerders achten het aanwijzen van de kwetsbare grondwaterwinningen als landbouwontwikkelingsgebied in strijd met het preventieve beleid voor grondwaterbeschermingsgebieden. Zij hebben daarom bepaald dat landbouwontwikkelingsgebieden niet kunnen samenvallen met kwetsbare grondwaterbeschermingsgebieden. Tot de kwetsbare winningen wordt vanwege de kwetsbare geologische bescherming naast de freatische winningen ook de niet-freatische winning Breehei in Venray gerekend. Verweerders hebben daarom het grondwaterbeschermingsgebied Breehei binnen de zone verwevingsgebied opgenomen.

Volgens verweerders brengt voor een bestaande intensieve veehouderij binnen kwaliteitsprofiel "Het Intensieve Hart" de ligging in verwevingsgebied geen extra beperkingen met zich ten opzichte van de ligging in landbouwontwikkelingsgebied. Uitbreidingsmogelijkheden van de bouwkavel zullen in beide gevallen concreet worden bepaald door de uitkomsten van een bouwkavel op maat plus (BOM+)-toets, aldus verweerders.

2.25.1.1.    Wat betreft de situatie van appellante hebben verweerders gesteld dat de aanwijzing van haar gronden als verwevingsgebied is gebaseerd op de ligging in het grondwaterbeschermingsgebied Breehei.

Vaststelling van de feiten

2.25.2.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.25.2.1.    Appellante exploiteert een varkens- en akkerbouwbedrijf aan de [locatie 36] te [plaats]. Blijkens kaart 1.2 van het reconstructieplan ligt het huisperceel in een verwevingsgebied met bovengrens bouwkavel.

2.25.2.2.    Op pagina A-76 van het reconstructieplan staat vermeld dat voor grondwaterbeschermingsgebieden op grond van het POL een preventief beschermingsbeleid geldt (vermijden van risico's voor grondwatervervuiling).

Op kaart 7.2 van het reconstructieplan, Stimulering water: verbeteren bodem- en waterkwaliteit, zijn de kwetsbare grondwaterbeschermingsgebieden aangeduid. Blijkens pagina D-133 van het reconstructieplan betreft dit de gebieden die niet of onvoldoende worden afgedekt met beschermende kleilagen. Het grondwaterbeschermingsgebied Breehei is niet als zodanig in het POL opgenomen. Door het ontbreken van afdoende beschermende kleilagen wordt dit in het reconstructieplan aangemerkt als kwetsbaar grondwaterbeschermingsgebied. Extensivering van het grondgebruik dan wel het uit productie nemen van deze gronden (groene bescherming) biedt een garantie dat het voor drinkwaterbereiding bestemde grondwater op een duurzame wijze wordt beschermd.

2.25.2.3.    Blijkens pagina 153 van het POL is het provinciale beleid erop gericht het aantal winningen voor drinkwater terug te dringen, terwijl de resterende winningen meer bescherming wordt geboden. Deze bescherming wordt bereikt door geologische bescherming, bestaande uit het voorkomen van aantasting van de afschermende lagen, en de zogeheten groene bescherming, bestaande uit stimulering van activiteiten die in overeenstemming zijn met de bescherming van de grondwaterkwaliteit. Nieuwe activiteiten die risicovol zijn voor de waterwinning zijn niet toegestaan. Wat betreft de winningen in de zogeheten Venloschol, waartoe het gebied Breehei behoort, vermeldt het POL dat er zowel geologische bescherming als (een beperkte) groene bescherming komt.

De basis van de beschermingsregeling wordt blijkens het POL gevormd door de PMV.

Blijkens kaart 4.1 van het POL, Kristallen waarden, is het grondwaterbeschermingsgebied Breehei als niet-freatisch grondwaterbeschermingsgebied aangemerkt.

2.25.2.4.    Op de bij de PMV behorende kaart Noord is het gebied Breehei aangeduid als niet-freatisch grondwaterbeschermingsgebied, tevens kwetsbaar gebied.

2.25.2.5.    In het deskundigenbericht is vermeld dat blijkens een onderzoeksrapport van de NV Waterleiding Maatschappij Limburg uit 2003 de winning Breehei niet-freatisch is, maar dat wel freatische invloeden worden verwacht.

2.25.2.6.    Appellante heeft niet gemotiveerd betwist dat de kleilagen in het grondwaterbeschermingsgebied Breehei onvoldoende geologische bescherming bieden.

2.25.2.7.    Blijkens de parlementaire geschiedenis van de Rwc vormt de zogeheten watersysteembenadering, dat wil zeggen de onderlinge afstemming van waterhuishouding, ruimtelijke ordening en natuur- en milieubeleid, waarbij de gewenste grondwatersituatie als basis voor de inrichting van een gebied wordt genomen, een belangrijk aangrijpingspunt voor herstel en verbetering van de ecologische en ruimtelijke kwaliteit van de reconstructiegebieden. Uit de Memorie van Toelichting wordt voorts gesteld dat de watersysteembenadering bij de keuze van de plaats en inrichting van de ontwikkelingsgebieden voor de veehouderij, maar ook bij de nadere begrenzing en inrichting van de ecologische hoofdstructuur, een rol zal moeten spelen (Kamerstukken II 1998/99, 26356, nr. 3, p. 12 (MvT)).

Het oordeel van de Afdeling

2.25.3.    Gelet op de parlementaire geschiedenis van de Rwc en de bewoordingen van artikel 4 van de Rwc in aanmerking genomen, bestaat geen grond voor het oordeel dat de grondwaterbescherming buiten de doelstellingen en het afwegingskader van de wet valt.

2.25.3.1.    Het standpunt van verweerders dat de mogelijkheid om in  landbouwontwikkelingsgebieden binnen het kwaliteitsprofiel "Het Intensieve Hart" grootschalige projectvestigingen te ontwikkelen onverenigbaar is met de functie van grondwaterbeschermingsgebied, is voldoende gemotiveerd en niet onredelijk.

Niet aannemelijk is gemaakt dat voor bestaande intensieve veehouderijen binnen het kwaliteitsprofiel "Het Intensieve Hart" de ligging in een verwevingsgebied ten opzichte van de ligging in een landbouwontwikkelingsgebied extra beperkingen met zich brengt.

Gelet op de vorenstaande feiten en omstandigheden alsmede de stukken en het verhandelde ter zitting, bestaat in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders het grondwaterbeschermingsgebied Breehei niet als kwetsbaar hebben kunnen aanmerken. Van de door appellante gestelde tegenstrijdigheid met de PMV is geen sprake, nu het gebied Breehei ook volgens de bij de PMV behorende kaart als kwetsbaar is aangemerkt.

2.25.3.2.      Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders respectievelijk de Minister en de Staatssecretaris in zoverre niet in redelijkheid het reconstructieplan hebben kunnen vaststellen en het goedkeuringsbesluit hebben kunnen nemen. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het plan en het goedkeuringsbesluit op dit punt anderszins zijn voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.25.4.    Het beroep van [appellante sub 19] is ongegrond.

Het beroep van [appellanten sub 20]

Het standpunt van appellanten

2.26.    Appellanten stellen in beroep dat hun bedrijf aan [locatie 37] te [plaats] ten onrechte in een extensiveringsgebied ligt. Zij vrezen onder meer in hun bedrijfsvoering te worden beperkt.

Het standpunt van verweerders

2.26.1.    Verweerders hebben zich op het standpunt gesteld dat het reconstructieplan geen beperkingen voor het bedrijf van appellanten met zich brengt.

Vaststelling van de feiten

2.26.2.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.26.2.1.    Appellanten exploiteren een melkveehouderij aan de [locatie 37] te [plaats].

Blijkens kaart 1.5 van het plan ligt het perceel van appellanten in een extensiveringsgebied.

2.26.2.2.    De gronden van hun bedrijf zijn in het POL aangewezen als "Ruimte voor veerkrachtige watersystemen (P3)". Blijkens kaart 4.2 van het POL is het gebied tevens aangewezen als ecologische verbindingszone, dat deel uitmaakt van de PES.

2.26.2.3.    Ingevolge artikel 1 van de Rwc wordt onder extensiveringsgebied verstaan een ruimtelijk begrensd gedeelte van een reconstructiegebied met het primaat wonen of natuur, waar uitbreiding, hervestiging of nieuwvestiging van in ieder geval intensieve veehouderij onmogelijk is of in het kader van de reconstructie onmogelijk zal worden gemaakt.

2.26.2.4.    Blijkens pagina B-21 en in Bijlage 3 bij onderdeel D, Begrippenlijst, van het reconstructieplan wordt onder intensieve veehouderij verstaan het op een bedrijfsmatige wijze houden van varkens, kippen, vleeskuikens, vleeskalveren, stieren voor de roodvleesproductie, eenden, pelsdieren, konijnen, kalkoenen of parelhoenders. De melkveehouderij wordt niet als intensieve veehouderij beschouwd.

Het oordeel van de Afdeling

2.26.3.     Uit hetgeen staat vermeld in overwegingen 2.26.2.3. en 2.26.2.4. volgt dat verweerders zich terecht op het standpunt hebben gesteld dat de ligging in een extensiveringsgebied voor de melkveehouderij op het perceel van appellanten geen gevolgen voor de bedrijfsvoering met zich brengt. Anders dan appellanten veronderstellen, treft het plan geen beperkende maatregelen voor een melkveehouderij.

2.26.3.1.    Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders respectievelijk de Minister en de Staatssecretaris in zoverre niet in redelijkheid het besluit het reconstructieplan hebben kunnen vaststellen en het goedkeuringsbesluit hebben kunnen nemen. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het plan en het goedkeuringsbesluit op dit punt anderszins zijn voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.26.4.    Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellanten sub 20] ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 22]

Het standpunt van appellante

2.27.    Appellante stelt in beroep dat de gronden in de directe omgeving van twee van haar bedrijven in het plan ten onrechte zijn gelegen binnen een landbouwontwikkelingsgebied, nu dat gebied aangewezen kan worden als zoekgebied projectvestiging en er incidentele nieuwvestiging kan plaatsvinden. Door nieuwvestiging van andere bedrijven ter plaatse worden haar bedrijven ernstig in hun bedrijfsactiviteiten belemmerd, omdat het interne beleid van haar bedrijven in verband met de veterinaire kwetsbaarheid voorschrijft dat binnen een straal van een kilometer geen andere bedrijven mogen zijn gevestigd.

Het standpunt van verweerders

2.27.1.    Verweerders hebben zich op het standpunt gesteld dat de landbouwontwikkelingsgebieden zoekgebieden zijn voor nieuwvestiging voor de intensieve veehouderij. Nieuwvestiging van een intensieve veehouderij binnen een landbouwontwikkelingsgebied is alleen toegestaan als het bestemmingsplan dat mogelijk maakt. Daarvoor dient het traject met betrekking tot de vaststelling van bestemmingsplannen doorlopen te worden waarbij alle belangen, waaronder die van appellante, tegen elkaar worden afgewogen. In dat traject dient te worden bezien of appellante wordt beperkt in haar uitbreidingsmogelijkheden. De enkele aanwijzing van landbouwontwikkelingsgebied in het reconstructieplan beperkt de bedrijfsvoering en de uitbreidingsmogelijkheden van appellante niet.

Vaststelling van de feiten

2.27.2.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.27.2.1.    Appellante exploiteert twee pluimveehouderijen in Ospel. Het betreft Saazehof B.V. aan de Plattepeeldijk 24 en Christina-Hof aan de Waatskamperheide 9. Blijkens themakaart 1.5 van het reconstructieplan liggen deze bedrijven in een landbouwontwikkelingsgebied met de nadere aanduiding zoekgebied projectvestiging en incidentele nieuwvestiging. Blijkens kaart 8.1 van het reconstructieplan liggen deze bedrijven bovendien in het kwaliteitsprofiel "Het Intensieve Hart".

2.27.2.2.    De gronden van die twee bedrijven zijn blijkens kaart 2 van het POL aangewezen als "Ontwikkelingsruimte voor landbouw en toerisme (P5)".

2.27.2.3.    In het plan staat op pagina's A-73 en A-74, voorzover van belang, dat bestaande intensieve veehouderijen in de landbouwontwikkelingsgebieden kunnen groeien en dat er ruimte is voor nieuwe of verplaatsende bedrijven. Uitgangspunt is dat intensieve veehouderijen in gebieden die zowel bedrijfseconomisch als wat betreft omgevingskwaliteit duurzaam zijn, ruimtelijk worden geconcentreerd (projectvestiging). Ook staat daar vermeld dat er van uit wordt gegaan dat er in totaal zes projectvestigingen in het plangebied zullen komen. Deze projectvestigingen zijn in het plan nog niet concreet begrensd, maar de landbouwontwikkelingsgebieden worden beschouwd als zoekgebied voor de projectvestigingen. De ligging van deze vestigingen zal op lokaal niveau worden gekozen, nu lokaal beter rekening kan worden gehouden met de lokale waarden en kwaliteiten enerzijds en de kansen en ontwikkelingen die zich in de praktijk voordoen anderzijds. Bij de concrete begrenzing wordt rekening gehouden met de infrastructuur en de ligging van andere landbouwbedrijven. Ook de locaties voor incidentele nieuwvestiging zullen lokaal moeten worden bepaald. Incidentele nieuwvestiging is alleen mogelijk bij bestaande concentraties van intensieve veehouderijen.  

Het oordeel van de Afdeling

2.27.3.    De Afdeling acht het uitgangspunt van het reconstructieplan dat alleen de gebieden die in het POL zijn aangewezen als "Ontwikkelingsruimte voor landbouw en toerisme (P5)" in combinatie met het kwaliteitsprofiel "Waardevol regionaal landschap" of in combinatie met "Het Intensieve Hart", in het plan in beginsel geschikt zijn geacht als landbouwontwikkelingsgebied, voldoende gemotiveerd en niet onredelijk. Gelet op de aanwijzing van de in geding zijnde gronden in het POL als "Ontwikkelingsruimte voor landbouw en toerisme (P5)" en de ligging in het kwaliteitsprofiel "Het Intensieve Hart" en aangezien in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen reden kan worden gevonden voor het maken van een uitzondering op het hiervoor vermelde uitgangspunt, hebben verweerders die gronden in redelijkheid kunnen aanwijzen als een landbouwontwikkelingsgebied.

2.27.3.1.    Gelet op hetgeen is overwogen in overweging 2.27.2.3., is de Afdeling van oordeel dat verweerders zich terecht op het standpunt hebben gesteld dat het plan als zodanig geen nieuwvestiging van intensieve veehouderijen in de omgeving van de bedrijven van appellante mogelijk maakt. In het kader van een nog vast te stellen bestemmingsplan zal beoordeeld moeten worden of locaties in de omgeving van de bedrijven van appellante voor projectvestiging of incidentele nieuwvestiging in aanmerking komen. De belangen van appellante dienen in het kader van de bestemmingsplanprocedure te worden meegewogen.

2.27.3.2.    In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat haar bedrijven reeds door het reconstructieplan in hun bedrijfsvoering worden belemmerd.

2.27.3.3.    Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders respectievelijk de Minister en de Staatssecretaris in zoverre niet in redelijkheid het reconstructieplan hebben kunnen vaststellen en het goedkeuringsbesluit hebben kunnen nemen. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het plan en het goedkeuringsbesluit op dit punt anderszins zijn voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.27.4.    Het beroep van [appellante sub 22] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 25]

Het standpunt van appellant

2.28.    Appellant stelt in beroep dat in het reconstructieplan zijn bedrijf ten onrechte in een extensiveringszone is komen te liggen. Hij vreest onder meer in zijn bedrijfsvoering te worden beperkt.

Het standpunt van verweerders

2.28.1.    Verweerders hebben zich op het standpunt gesteld dat de ligging in een extensiveringsgebied voor het bedrijf van appellant geen beperkingen oplevert.

Vaststelling van de feiten

2.28.2.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.28.2.1.    Appellant exploiteert een gemengd agrarisch bedrijf met een melkveehouderijtak en een akkerbouwtak aan de [locatie 38] te [plaats].

Volgens het deskundigenbericht houdt appellant gemiddeld ongeveer 100 stuks melkrundvee, 50 stuks jongvee, 300 melkgeiten en 150 opfokgeiten in het melkveebedrijf.

Blijkens kaart 1.6 van het reconstructieplan ligt het bedrijf van appellant in een extensiveringsgebied.

2.28.2.2.    Ingevolge artikel 1 van de Rwc wordt onder extensiveringsgebied verstaan een ruimtelijk begrensd gedeelte van een reconstructiegebied met het primaat wonen of natuur, waar uitbreiding, hervestiging of nieuwvestiging van in ieder geval intensieve veehouderij onmogelijk is of in het kader van de reconstructie onmogelijk zal worden gemaakt.

2.28.2.3.    Blijkens pagina B-21 en in Bijlage 3 bij onderdeel D, Begrippenlijst, van het reconstructieplan wordt onder intensieve veehouderij verstaan het op een bedrijfsmatige wijze houden van varkens, kippen, vleeskuikens, vleeskalveren, stieren voor de roodvleesproductie, eenden, pelsdieren, konijnen, kalkoenen of parelhoenders. De melkveehouderij wordt niet als intensieve veehouderij beschouwd.

Het oordeel van de Afdeling

2.28.3.    Uit hetgeen in overwegingen 2.28.2.2.-2.28.2.3. is overwogen volgt dat verweerders zich terecht op het standpunt hebben gesteld dat de ligging in een extensiveringsgebied voor het bedrijf van appellant geen gevolgen voor zijn bedrijfsvoering met zich brengt, omdat anders dan appellant veronderstelt het reconstructieplan geen beperkende maatregelen voor zijn bedrijfsvoering treft.

2.28.3.1.    Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders respectievelijk de Minister en de Staatssecretaris in zoverre niet in redelijkheid het reconstructieplan hebben kunnen vaststellen en het goedkeuringsbesluit hebben kunnen nemen. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het plan en het goedkeuringsbesluit op dit punt anderszins zijn voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.28.4.    Het beroep van [appellant sub 25] is ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 26]

Het standpunt van appellante

2.29.    Appellante stelt in beroep dat haar gronden aan de [locatie 39] te [plaats] ten onrechte in een verwevingsgebied zijn komen te liggen. Zij is van mening dat haar bedrijf en gronden daardoor hun waarde verliezen. Op haar perceel is weliswaar thans geen bedrijf gevestigd, maar het moet mogelijk blijven om in de toekomst een melkveehouderij of een akkerbouwbedrijf te beginnen.

Het standpunt van verweerders

2.29.1.    Verweerders hebben zich op het standpunt gesteld dat de ligging in een verwevingsgebied alleen beperkingen oplevert voor de intensieve veehouderij. Op het perceel van appellante wordt geen intensieve veehouderij gedreven.

Vaststelling van de feiten

2.29.2.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.29.2.1.    Ingevolge artikel 1 van de Rwc wordt onder verwevingsgebied verstaan een ruimtelijk begrensd gedeelte van een reconstructiegebied gericht op verweving van landbouw, wonen en natuur, waar hervestiging of uitbreiding van de intensieve veehouderij mogelijk is, mits de ruimtelijke kwaliteit of functies van het gebied zich daar niet tegen verzetten.

2.29.2.2.    Blijkens pagina B-21 en in Bijlage 3 bij onderdeel D, Begrippenlijst, van het reconstructieplan wordt onder intensieve veehouderij verstaan het op een bedrijfsmatige wijze houden van varkens, kippen, vleeskuikens, vleeskalveren, stieren voor de roodvleesproductie, eenden, pelsdieren, konijnen, kalkoenen of parelhoenders. De melkveehouderij wordt niet als intensieve veehouderij beschouwd.

Het oordeel van de Afdeling

2.29.3.    Verweerders hebben zich terecht op het standpunt gesteld dat de ligging in een verwevingsgebied voor een toekomstige melkveehouderij of een toekomstig akkerbouwbedrijf op het perceel van appellante geen berperkingen in de bedrijfsvoering met zich brengt. Anders dan appellante veronderstelt, treft het plan geen beperkende maatregelen voor een melkveehouderij of een akkerbouwbedrijf.

2.29.3.1.    Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders respectievelijk de Minister en de Staatssecretaris in zoverre niet in redelijkheid het besluit het reconstructieplan hebben kunnen vaststellen en het goedkeuringsbesluit hebben kunnen nemen. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het plan en het goedkeuringsbesluit op dit punt anderszins zijn voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.29.4.    Gelet hierop is het beroep van [appellante sub 26] ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 28]

Het standpunt van appellante

2.30.    Appellante stelt in beroep dat haar bedrijf ten onrechte in het reconstructieplan in een verwevingsgebied is opgenomen. Zij stelt dat de gronden hadden moeten worden aangemerkt als landbouwontwikkelingsgebied.

Het standpunt van verweerders

2.30.1.    Verweerders hebben zich op het standpunt gesteld dat bij de begrenzing van landbouwontwikkelingsgebieden in het reconstructieplan ervoor is gekozen "Vitaal landelijk gebied (P4)"-gebieden niet aan te wijzen als landbouwontwikkelingsgebied. In beginsel komen die gebieden die in het POL zijn aangewezen als "Ontwikkelingsruimte voor landbouw en toerisme (P5)" en die tevens onder meer liggen in het "Intensieve Hart", in het reconstructieplan voor aanwijzing als landbouwontwikkelingsgebieden in aanmerking. Het perceel van appellante ligt in "Vitaal landelijk gebied (P4)" en komt derhalve niet voor die aanwijzing in aanmerking.

2.30.1.1.    Volgens verweerders brengt voor een bestaande intensieve veehouderij binnen kwaliteitsprofiel "Het Intensieve Hart" de ligging in verwevingsgebied geen extra beperkingen met zich ten opzichte van de ligging in landbouwontwikkelingsgebied. Uitbreidingsmogelijkheden van de bouwkavel zullen in beide gevallen concreet worden bepaald door de uitkomsten van een bouwkavel op maat plus (BOM+)-toets, aldus verweerders.

Vaststelling van de feiten

2.30.2.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.30.2.1.    Appellante exploiteert een varkensbedrijf aan het [locatie 40] te [plaats]. Blijkens kaart 1.5 van het reconstructieplan liggen de betrokken gronden in een verwevingsgebied met bovengrens bouwkavel. Volgens kaart 8.1 van het reconstructieplan ligt het bedrijf bovendien in het kwaliteitsprofiel "Het Intensieve Hart".

2.30.2.2.    Op kaart 2 van het POL zijn deze gronden aangeduid als "Vitaal landelijk gebied (P4)".

2.30.2.3.    Blijkens de pagina's A-77 en A-78 van het reconstructieplan wordt uitbreiding van een intensieve veehouderij in zowel landbouwontwikkelingsgebieden als in verwevingsgebieden bepaald door de uitkomsten van een bouwkavel op maat plus (BOM+)-toets.

Het oordeel van de Afdeling

2.30.3.      De Afdeling acht het uitgangspunt van het reconstructieplan dat alleen de gebieden die in het POL zijn aangewezen als "Ontwikkelingsruimte voor landbouw en toerisme (P5)" in combinatie met het kwaliteitsprofiel "Waardevol regionaal landschap" of in combinatie met "Het Intensieve Hart", in het plan in beginsel geschikt zijn geacht als landbouwontwikkelingsgebied, voldoende gemotiveerd en niet onredelijk. In hetgeen appellante heeft gesteld, ziet de Afdeling geen aanleiding anders te oordelen.

2.30.3.1.    Voorts is niet gebleken dat voor dit bedrijf de ligging in een verwevingsgebied ten opzichte van de ligging in een landbouwontwikkelingsgebied extra beperkingen in uitbreidingsmogelijkheden met zich brengt.

2.30.3.2.    Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders respectievelijk de Minister en de Staatssecretaris in zoverre niet in redelijkheid het reconstructieplan hebben kunnen vaststellen en het goedkeuringsbesluit hebben kunnen nemen. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het plan en het goedkeuringsbesluit op dit punt anderszins zijn voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.30.4.    Het beroep van [appellante sub 28] is ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 30]

Het standpunt van appellante

2.31.    Appellante stelt in beroep dat de gronden op haar perceel aan de [locatie 41] te [plaats] ten onrechte in een extensiveringsgebied liggen.

Zij vreest onder meer in haar bedrijfsvoering te worden beperkt.

Het standpunt van verweerders

2.31.1.    Verweerders hebben zich op het standpunt gesteld dat het reconstructieplan geen beperkingen voor het bedrijf van appellante met zich brengt.

Vaststelling van de feiten

2.31.2.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.31.2.1.    Appellante exploiteert een akkerbouwbedrijf aan de [locatie 41] te [plaats]. Blijkens kaart 1.6 van het plan ligt het perceel in een extensiveringsgebied.

2.31.2.2.    De gronden zijn blijkens kaart 2 van  het POL aangewezen als "Ruimte voor veerkrachtige watersystemen (P3)" met de aanduiding "beekdal en laagte". Blijkens kaart 4.2 van het POL zijn deze gronden tevens aangewezen als ecologische verbindingszone die deel uitmaakt van de PES.

2.31.2.3.    Ingevolge artikel 1 van de Rwc wordt onder extensiveringsgebied verstaan een ruimtelijk begrensd gedeelte van een reconstructiegebied met het primaat wonen of natuur, waar uitbreiding, hervestiging of nieuwvestiging van in ieder geval intensieve veehouderij onmogelijk is of in het kader van de reconstructie onmogelijk zal worden gemaakt.

2.31.2.4.    Blijkens pagina B-21 en in Bijlage 3 bij onderdeel D, Begrippenlijst, van het reconstructieplan wordt onder intensieve veehouderij verstaan het op een bedrijfsmatige wijze houden van varkens, kippen, vleeskuikens, vleeskalveren, stieren voor de roodvleesproductie, eenden, pelsdieren, konijnen, kalkoenen of parelhoenders. De melkveehouderij wordt niet als intensieve veehouderij beschouwd.

Het oordeel van de Afdeling

2.31.3.     Verweerders hebben zich terecht op het standpunt gesteld dat de ligging in een extensiveringsgebied voor het akkerbouwbedrijf van appellante geen gevolgen in de bedrijfsvoering met zich brengt. Anders dan appellante veronderstelt, treft het reconstructieplan geen beperkende maatregelen voor een akkerbouwbedrijf.

2.31.3.1.    Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders respectievelijk de Minister en de Staatssecretaris in zoverre niet in redelijkheid het reconstructieplan hebben kunnen vaststellen en het goedkeuringsbesluit hebben kunnen nemen. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het plan en het goedkeuringsbesluit op dit punt anderszins zijn voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.31.4.    Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellante sub 30] ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 31] voorzover ontvankelijk

Het standpunt van appellante

2.32.    Appellante stelt in beroep dat haar gronden aan de [locatie 42] te [plaats] ten onrechte in een extensiveringsgebied liggen.

In dit verband voert zij onder meer aan dat haar gronden liggen op een hoger gelegen akkerland zonder natuurwaarden.

Het standpunt van verweerders

2.32.1.    Verweerders stellen zich op het standpunt dat de gronden van appellant in een extensiveringsgebied liggen, gezien de ligging in de PES.

Vaststelling van de feiten

2.32.2.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.32.2.1.    Appellante exploiteert een varkenshouderij aan de [locatie 42] te [plaats]. Blijkens kaart 1.1 van het plan ligt het bedrijf in een extensiveringsgebied. Het bedrijf ligt verder in kwaliteitsprofiel "Waardevol regionaal landschap".    

2.32.2.2.    Blijkens kaart 1 van het POL zijn de gronden aangewezen als "Ontwikkelingsgebieden ecosystemen (P2)". Blijkens kaart 4.2 van het POL zijn deze gronden tevens aangewezen als ecologische ontwikkelingszone die deel uitmaakt van de PES.

2.32.2.3.    In het reconstructieplan staat op pagina A-84, voorzover hier van belang, vermeld dat uit de rijksuitgangspuntennota volgt dat de ligging van extensiveringsgebieden moet aansluiten bij de zeer kwetsbare bos- en natuurgebieden. Door in dit reconstructieplan niet alleen de zeer kwetsbare natuurgebieden aan te wijzen, maar de gehele PES en de P1-gebieden die ten gevolge van de Wav-herbegrenzing buiten de PES zijn komen te vallen, ontstaat er al een robuuste structuur van extensiveringsgebieden in Noord- en Midden-Limburg. Voorts is gekeken naar de zones rondom de zeer kwetsbare bos- en natuurgebieden.

Bij de begrenzing van de zones als extensiveringsgebieden is rekening gehouden met de kwaliteitsprofielen. Binnen het kwaliteitsprofiel "Waardevol regionaal landschap" bestaan de extensiveringsgebieden, voorzover hier van belang, uit de PES en de P1-gebieden buiten de PES, met bovendien een zone van 250 meter rond alle zeer verzuringgevoelige delen.

Het oordeel van de Afdeling    

2.32.3.     Het hiervoor in overweging 2.32.2.3. omschreven uitgangspunt voor de begrenzing van de extensiveringsgebieden binnen het kwaliteitsprofiel "Waardevol regionaal landschap" is voldoende gemotiveerd en niet onredelijk. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerders in dit geval niet in redelijkheid hebben kunnen vasthouden aan dit uitgangspunt.

2.32.3.1.    Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders respectievelijk de Minister en de Staatssecretaris in zoverre niet in redelijkheid het reconstructieplan hebben kunnen vaststellen en het goedkeuringsbesluit hebben kunnen nemen. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het plan en het goedkeuringsbesluit op dit punt anderszins zijn voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.32.4.    Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellante sub 31] voorzover ontvankelijk ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 33]

Het standpunt van appellante

2.33.    Appellante stelt in beroep dat haar bedrijf op het perceel [locatie 43] te [plaats] ten onrechte nabij een extensiveringsgebied is komen te liggen. Zij is onder meer van mening dat de aanwijzing als extensiveringsgebied haar belemmert in haar bedrijfsvoering, omdat zij als gevolg van het reconstructieplan niet kan voldoen aan de verplichte dierwelzijnseisen. Binnen de bouwkavel is daarvoor onvoldoende ruimte en uitbreiden van de bouwkavel is binnen een extensiveringsgebied niet toegestaan.

Het standpunt van verweerders

2.33.1.    Verweerders hebben zich op het standpunt gesteld dat wat betreft uitbreiding van intensieve veehouderij bestaande rechten worden gerespecteerd. Binnen de bestaande bouwkavel mag worden uitgebreid.

Vaststelling van de feiten

2.33.2.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.33.2.1.    Appellante exploiteert een varkens- en stierenmesterij aan de [locatie 43] te [plaats]. Blijkens kaart 1.5 van het plan ligt de bouwkavel van het bedrijf van appellante in zijn geheel in een verwevingsgebied. De gronden ten noorden van de bouwkavel liggen in een extensiveringsgebied.

2.33.2.2.    Blijkens kaart 2 van het POL ligt de bouwkavel van het bedrijf van appellante in "Vitaal landelijk gebied (P4)". De gronden ten noorden daarvan liggen in "Ontwikkelingsgebieden ecosystemen (P2)". Ingevolge kaart 4.2 van het POL liggen de gronden ten noorden van de bouwkavel tevens in een ecologische ontwikkelingszone die deel uitmaakt van de PES.

2.33.2.3.    Op pagina B-23 van het reconstructieplan staat dat in extensiveringsgebieden geen uitbreiding van intensieve veehouderij is toegestaan. Voorts staat daar vermeld dat met uitbreiding van een intensieve veehouderij wordt bedoeld: "uitbreiding van de, in het rechtsgeldige bestemmingsplan vastgelegde, agrarische bouwkavel met intensieve veehouderij ten behoeve van de intensieve veehouderij(tak)."

Het oordeel van de Afdeling

2.33.2.4.    Uitbreiding van de intensieve veehouderij, zoals is bedoeld in het reconstructieplan, is op grond van het plan in extensiveringsgebieden niet toegestaan. Binnen de bestaande agrarische bouwkavel mag wel worden uitgebreid.

Uit het deskundigenrapport is af te leiden dat binnen de bouwkavel van het bedrijf van appellante, ten zuiden van de reeds bestaande stallen, ruimte is voor een nieuwe stal met een oppervlakte van ongeveer 400 m2. Gelet hierop acht de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat haar bedrijf als gevolg van het reconstructieplan niet kan voldoen aan de welzijnseisen die worden gesteld op grond van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren.

2.33.2.5.    Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders respectievelijk de Minister en de Staatssecretaris in zoverre niet in redelijkheid het reconstructieplan hebben kunnen vaststellen en het goedkeuringsbesluit hebben kunnen nemen. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het plan en het goedkeuringsbesluit op dit punt anderszins zijn voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.33.3.    Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellante sub 33] ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 34]

Het standpunt van appellant

2.34.    Appellant stelt in beroep dat de gronden van zijn bedrijf ten onrechte in een extensiveringsgebied liggen. Hij is onder meer van mening dat de aanwijzing als extensiveringsgebied hem belemmert in zijn bedrijfsvoering, omdat hij als gevolg van het reconstructieplan niet zal kunnen voldoen aan de verplichte dierwelzijnseisen. Binnen de bouwkavel is daarvoor onvoldoende ruimte en uitbreiden van de bouwkavel is binnen een extensiveringsgebied niet toegestaan. Tot slot voert appellant nog aan dat hij schade lijdt indien een in 2002 aangevraagde bouwvergunning door het gemeentebestuur zal worden geweigerd wegens strijd met het reconstructieplan.

Het standpunt van verweerders

2.34.1.    Verweerders hebben zich op het standpunt gesteld dat wat betreft uitbreiding van intensieve veehouderij bestaande rechten worden gerespecteerd. Binnen de bestaande bouwkavel mag worden uitgebreid.

Vaststelling van de feiten

2.34.2.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.34.2.1.    Appellant exploiteert een varkenshouderij aan de [locatie 44] te [plaats]. Blijkens kaart 1.2 van het plan ligt het bedrijf van appellant in zijn geheel in een extensiveringsgebied.

2.34.2.2.    Op kaart 1 van het POL liggen de gronden van appellant in "Ontwikkelingsgebieden ecosystemen (P2)". Ingevolge kaart 4.2 van het POL liggen de gronden tevens in een ecologische ontwikkelingszone die deel uitmaakt van de PES.

2.34.2.3.    Ingevolge artikel 30, eerste lid, van de Rwc kent het college van gedeputeerde staten, voorzover een belanghebbende ten gevolge van de vaststelling van een reconstructieplan schade lijdt of zal lijden die redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, op aanvraag een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

Het oordeel van de Afdeling

2.34.3.    Uit het deskundigenrapport is af te leiden dat het bedrijf van appellant niet meer kan worden uitgebreid binnen de bestaande bouwkavel. Niet in geschil is dat het bedrijf gezien de ligging ervan in een extensiveringsgebied, ook niet zal mogen uitbreiden buiten de bouwkavel. Derhalve zal appellant uitgaande van zijn huidige veeomvang niet kunnen voldoen aan de eisen die aan zijn bedrijf worden gesteld op grond van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren. Het belang van appellant om mede met het oog op de eisen die aan zijn bedrijf zullen worden gesteld op grond van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren te kunnen uitbreiden, moet minder zwaarwegend worden geoordeeld dan het belang dat met de uitvoering van de Rwc wordt gediend. Om de belangen in evenwicht te houden voorziet de Rwc in een schadevergoedingsregeling.

Appellant zal, indien zijn bedrijf ten gevolge van de vaststelling van het reconstructieplan schade lijdt, een beroep kunnen doen op de schadevergoedingsregeling van artikel 30, eerste lid, van de Rwc, indien wordt voldaan aan de daarin gestelde voorwaarden.

2.34.3.1.    Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders respectievelijk de Minister en de Staatssecretaris in zoverre niet in redelijkheid het reconstructieplan hebben kunnen vaststellen en het goedkeuringsbesluit hebben kunnen nemen. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het plan en het goedkeuringsbesluit op dit punt anderszins zijn voorbereid en genomen in strijd met het recht.

2.34.4.    Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 34] ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 35] voorzover ontvankelijk

Het standpunt van appellant

2.35.    Appellant stelt onder meer in beroep dat zijn gronden aan de [locatie 45] te [plaats] ten onrechte in een extensiveringsgebied liggen.

Hij stelt onder meer dat niet voldoende is gemotiveerd waarom het gebied is aangewezen als extensiveringsgebied.

Het standpunt van verweerders

2.35.1.    Verweerders hebben zich op het standpunt gesteld dat in het POL een brede strook aan beide zijden van de Niers is aangewezen als ecologische ontwikkelingszone die daarmee onderdeel is van de PES. Ook de gronden van appellant maken deel uit van de PES. Mede hierom liggen de gronden van appellant in het reconstructieplan in een extensiveringsgebied.

Vaststelling van de feiten

2.35.2.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.35.2.1.    Appellant exploiteert een varkenshouderij aan de [locatie 20] te [plaats]. Blijkens kaart 1.1 van het plan ligt het bedrijf in een extensiveringsgebied. Het bedrijf ligt tevens in het kwaliteitsprofiel "Waardevol regionaal landschap".    

2.35.2.2.    Blijkens kaart 1 van het POL zijn de gronden aangewezen als "Ontwikkelingsgebieden ecosystemen (P2)". Blijkens kaart 4.2 van het POL zijn deze gronden tevens aangewezen als ecologische ontwikkelingszone die deel uitmaakt van de PES.

2.35.2.3.    Ten westen van de bouwkavel van het bedrijf van appellant ligt de Looierheide. Ten noorden van de bouwkavel ligt het natuurreservaat Zeldersche Driessen. Deze gebieden zijn in het POL aangewezen als "Bos- en/of natuurgebieden (P1)". Ten noorden van de bouwkavel stroomt de Niers. Deze rivier, inclusief een zone aan weerszijden ervan, is in het POL aangewezen als "Ontwikkelingsgebieden ecosystemen (P2)" en "beekdal en laagte".

2.35.2.4.    In het reconstructieplan staat op pagina A-84, voorzover hier van belang, vermeld dat uit de rijksuitgangspuntennota volgt dat de ligging van extensiveringsgebieden moet aansluiten bij de zeer kwetsbare bos- en natuurgebieden. Door in dit reconstructieplan niet alleen de zeer kwetsbare natuurgebieden aan te wijzen, maar de gehele PES en de P1-gebieden die ten gevolge van de Wav-herbegrenzing buiten de PES zijn komen te vallen, ontstaat er al een robuuste structuur van extensiveringsgebieden in Noord- en Midden-Limburg. Voorts is gekeken naar de zones rondom de zeer kwetsbare bos- en natuurgebieden.

Bij de begrenzing van de zones als extensiveringsgebieden is rekening gehouden met de kwaliteitsprofielen. Binnen het kwaliteitsprofiel "Waardevol regionaal landschap" bestaan de extensiveringsgebieden, voorzover hier van belang, uit de PES en de P1-gebieden buiten de PES, met bovendien een zone van 250 meter rond alle zeer verzuringgevoelige delen.

Het oordeel van de Afdeling    

2.35.3.     Het hiervoor in overweging 2.35.2.4. omschreven uitgangspunt voor de begrenzing van de extensiveringsgebieden binnen het kwaliteitsprofiel "Waardevol regionaal landschap" is voldoende gemotiveerd en niet onredelijk. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerders in dit geval niet in redelijkheid hebben kunnen vasthouden aan dit uitgangspunt. Hierbij is de ligging van de gronden van appellant ten opzichte van de Looierheide, het natuurreservaat Zeldersche Driessen en de Niers, in aanmerking genomen.

2.35.3.1.    Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders respectievelijk de Minister en de Staatssecretaris in zoverre niet in redelijkheid het reconstructieplan hebben kunnen vaststellen en het goedkeuringsbesluit hebben kunnen nemen. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het plan en het goedkeuringsbesluit op dit punt anderszins zijn voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.35.4.    Het beroep van [appellant sub 35] is derhalve voor het overige ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 36]

Het standpunt van appellant

2.36.    Appellant stelt in beroep dat de gronden waarheen hij zijn varkenshouderijbedrijf wenst te verplaatsen, in het reconstructieplan ten onrechte als verwevingsgebied zijn aangemerkt, waardoor de verplaatsing niet meer is toegestaan. Hij stelt dat de gronden hadden moeten worden aangemerkt als landbouwontwikkelingsgebied. Appellant meent dat de gronden in het POL ten onrechte als "Vitaal landelijk gebied (P4)"-gebied zijn aangemerkt. Voorts bestrijdt appellant dat de ligging van de gronden op een afstand van ongeveer 750 meter van een beschermd natuurgebied zou moeten leiden tot de aanduiding verwevingsgebied. Hij wijst erop dat een milieuvergunning is verleend voor de vestiging van zijn bedrijf op de betrokken gronden.

Het standpunt van verweerders

2.36.1.    Verweerders hebben zich op het standpunt gesteld dat de desbetreffende gronden niet als landbouwontwikkelingsgebied kunnen worden aangemerkt omdat zich binnen een afstand van 2.000 meter een beschermd natuurgebied bevindt.

Vaststelling van de feiten

2.36.2.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.36.2.1.    Appellant exploiteert een varkenshouderij aan de [locatie 46] te [plaats]. De gronden waar appellant zijn bedrijf naartoe wenst te verplaatsen, liggen aan de Pottevenweg. Blijkens kaart 1.2 van het reconstructieplan liggen de betrokken gronden in een verwevingsgebied zonder bovengrens bouwkavel.

2.36.2.2.    Op kaart 1 van het POL zijn deze gronden aan de Pottevenweg als "Vitaal landelijk gebied (P4)"-gebied aangeduid.

2.36.2.3.    De afstand tot het staatsnatuurmonument "Rouwkuilen" bedraagt ongeveer 750 meter. Blijkens kaart 11 van het reconstructieplan betreft dit natuurgebied een verzuringsgevoelig gebied van de EHS.

2.36.2.4.    Op pagina A-74 van het reconstructieplan is vermeld dat de landbouwontwikkelingsgebieden zo zijn begrensd dat er vanuit het ruimtelijke en milieubeleid daadwerkelijk ruimte is voor bedrijfsontwikkeling en voor concentratie van bedrijven. Uitgangspunt daarbij is ruimtelijke sturing te geven richting de meest duurzame gebieden zonder op voorhand de speelruimte om op lokale schaal tot de beste locaties te komen, onnodig te beperken. In ieder geval zijn voldoende ruime afstandsmaten gehanteerd ten opzichte van kwetsbare gebieden om ook reële landbouwontwikkelingsgebieden aan te kunnen wijzen.

Verweerders hebben de gebieden die op basis van dit uitgangspunt potentieel geschikt leken, nader beoordeeld op geschiktheid, waarbij criteria zijn gebruikt die passen bij het schaalniveau van het reconstructieplan en de status van de landbouwontwikkelingsgebieden als zoekgebied voor nieuwvestiging. Op pagina A-75 staat beschreven dat bij deze nadere beoordeling een aantal gebieden is afgevallen. Gebieden die tot een afstand van 2.000 meter van verzuringsgevoelige delen van Natuurbeschermingswetgebieden liggen, behoren tot de gebieden die bij de nadere beoordeling ongeschikt zijn geoordeeld als landbouwontwikkelingsgebied.

2.36.2.5.    Op pagina A-77 is gesteld dat verwevingsgebieden een sterke vermenging van functies met diverse waarden in het buitengebied kennen. De verweving is erop gericht deze functies en waarden zich naast elkaar te laten ontwikkelen en elkaar te laten versterken.

Binnen verwevingsgebieden is groei van bestaande bedrijven mogelijk, waarbij de zogeheten BOM+-toets een belangrijk sturend instrument is.

Op pagina A-78 is gesteld dat de begrenzing van het verwevingsgebied de resultante is van de begrenzing van de extensiveringsgebieden en de landbouwontwikkelingsgebieden.

Het oordeel van de Afdeling

2.36.3.    Gelet op het feit dat verweerders met de aanwijzing van landbouwontwikkelingsgebieden beogen duurzame ontwikkelingsperspectieven te bieden aan intensieve veehouderijbedrijven, is het niet onredelijk dat zij bij de aanwijzing rekening hebben gehouden met de ligging van verzuringsgevoelige natuurgebieden en daarbij een veilige marge in acht nemen. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders in dit geval niet aan hun uitgangspunten hebben kunnen vasthouden. Zij hebben daarom de gronden van appellant aan de Pottevenweg in redelijkheid als verwevingsgebied kunnen aanmerken. Hetgeen appellant omtrent de perspectiefaanduiding in het POL heeft aangevoerd, maakt dit niet anders.

2.36.3.1.    Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders respectievelijk de Minister en de Staatssecretaris in zoverre niet in redelijkheid het reconstructieplan hebben kunnen vaststellen en het goedkeuringsbesluit hebben kunnen nemen. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het plan en het goedkeuringsbesluit op dit punt anderszins zijn voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.36.4.    Het beroep van [appellant sub 36] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 37]

Het standpunt van appellant

2.37.    Appellant stelt in beroep dat zijn bedrijf ten onrechte in een verwevingsgebied is komen te liggen. Hij vreest dat hij in toenemende mate in zijn bedrijfsvoering zal worden belemmerd en wenst te worden verplaatst naar een landbouwontwikkelingsgebied.

Het standpunt van verweerders

2.37.1.    Volgens verweerders dient het bedrijf gezien de criteria die zij voor de zonering toepassen in een verwevingsgebied te liggen.

Vaststelling van de feiten

2.37.2.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.37.2.1.    Appellant exploiteert een varkenshouderij aan de [locatie 47] te [plaats].

Blijkens kaart 1.2 van het plan ligt het bedrijf van appellant in een verwevingsgebied. Het perceel wordt aan de noord- en de oostzijde begrensd door gronden die deel uitmaken van een extensiveringsgebied.

2.37.2.2.    Blijkens kaart 1 van het POL ligt het bedrijf van appellant in "Ontwikkelingsruimte voor landbouw en toerisme (P5)". De gronden ten noorden en ten oosten van zijn perceel liggen in "Ontwikkelingsgebieden ecosystemen (P2)" en ingevolge kaart 4.2 van het POL tevens in een ecologische ontwikkelingszone die overgaat in een ecologische verbindingszone, die beide deel uitmaken van de PES.

2.37.2.3.    Op pagina A-78 van het reconstructieplan staat dat de begrenzing van het verwevingsgebied de resultante is van de begrenzing van de extensiveringsgebieden en de landbouwontwikkelingsgebieden.

2.37.2.4.    Bij besluit van 30 mei 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Venray aan appellant een milieuvergunning verleend voor het houden van 160 gespeende biggen, 672 gespeende biggen op Groen Label, 56 kraamzeugen, 184 guste en dragende zeugen, 2 dekberen en 1285 vleesvarkens op Groen Label. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat appellant de milieuvergunning heeft aangevraagd met het oog op de bouw van een nieuwe stal. Uit de stukken is af te leiden dat de bouwkavel op het perceel van appellant ruimte biedt voor een dergelijke stal.

Het oordeel van de Afdeling

2.37.3.    De Afdeling acht het uitgangspunt in het reconstructieplan dat de begrenzing van het verwevingsgebied de resultante is van de begrenzing van de extensiveringsgebieden en de landbouwontwikkelingsgebieden niet onjuist of onredelijk. Voorts is niet aannemelijk gemaakt dat appellant in zijn bedrijfsvoering wordt beperkt, aangezien het reconstructieplan de bestaande bouwmogelijkheden binnen zijn bouwkavel respecteert.

Het reconstructieplan als zodanig staat derhalve niet in de weg aan de bouw van de door appellant gewenste nieuwe stal.

2.37.3.1.     Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders respectievelijk de Minister en de Staatssecretaris in zoverre niet in redelijkheid het reconstructieplan hebben kunnen vaststellen en het goedkeuringsbesluit hebben kunnen nemen. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het plan en het goedkeuringsbesluit op dit punt anderszins zijn voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.37.4.    Gelet hierop is het beroep van [appellant sub 37] ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 38]

Het standpunt van appellante

2.38.    Appellante stelt dat haar bedrijfsvestiging in het reconstructieplan ten onrechte in een verwevingsgebied is opgenomen. Zij is van mening dat het huisperceel had moeten worden aangemerkt als landbouwontwikkelingsgebied.

Appellante motiveert haar bezwaren tegen de zonering door erop te wijzen dat het grondwaterbeschermingsgebied Breehei ten onrechte als kwetsbaar is aangemerkt in het reconstructieplan. Zij betoogt dat de aanwijzing als kwetsbaar grondwaterbeschermingsgebied in strijd is met de PMV en niet voldoende is gemotiveerd. Appellante vreest dat de aanwijzing tot beperkingen leidt voor de bedrijfsvoering van haar agrarische bedrijf voorzover dit ligt binnen het gebied Breehei.

Het standpunt van verweerders

2.38.1.     Verweerders achten het aanwijzen van de kwetsbare grondwaterwinningen als landbouwontwikkelingsgebied in strijd met het preventieve beleid voor grondwaterbeschermingsgebieden. Zij hebben daarom bepaald dat landbouwontwikkelingsgebieden niet kunnen samenvallen met kwetsbare grondwaterbeschermingsgebieden. Tot de kwetsbare winningen wordt vanwege de kwetsbare geologische bescherming naast de freatische winningen ook de niet-freatische winning Breehei in Venray gerekend. Verweerders hebben daarom het grondwaterbeschermingsgebied Breehei binnen de zone verwevingsgebied opgenomen.

Volgens verweerders brengt voor een bestaande intensieve veehouderij binnen kwaliteitsprofiel "Het Intensieve Hart" de ligging in verwevingsgebied geen extra beperkingen met zich ten opzichte van de ligging in landbouwontwikkelingsgebied. Uitbreidingsmogelijkheden van de bouwkavel zullen in beide gevallen concreet worden bepaald door de uitkomsten van een bouwkavel op maat plus (BOM+)-toets, aldus verweerders.

Vaststelling van de feiten

2.38.2.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.38.2.1.    Appellante exploiteert een varkens- en akkerbouwbedrijf aan de [locatie 48] te [plaats]. Blijkens kaart 1.2 van het reconstructieplan ligt het huisperceel in een verwevingsgebied met bovengrens bouwkavel.

2.38.2.2.    Op pagina A-76 van het reconstructieplan staat vermeld dat voor grondwaterbeschermingsgebieden op grond van het POL een preventief beschermingsbeleid geldt (vermijden van risico's voor grondwatervervuiling).

Op kaart 7.2 van het reconstructieplan, Stimulering water: verbeteren bodem- en waterkwaliteit, zijn de kwetsbare grondwaterbeschermingsgebieden aangeduid. Blijkens pagina D-133 van het reconstructieplan betreft dit de gebieden die niet of onvoldoende worden afgedekt met beschermende kleilagen. Het grondwaterbeschermingsgebied Breehei is niet als zodanig in het POL opgenomen. Door het ontbreken van afdoende beschermende kleilagen wordt dit in het reconstructieplan aangemerkt als kwetsbaar grondwaterbeschermingsgebied. Extensivering van het grondgebruik dan wel het uit productie nemen van deze gronden (groene bescherming) biedt een garantie dat het voor drinkwaterbereiding bestemde grondwater op een duurzame wijze wordt beschermd.

2.38.2.3.    Blijkens pagina 153 van het POL is het provinciale beleid erop gericht het aantal winningen voor drinkwater terug te dringen, terwijl de resterende winningen meer bescherming wordt geboden. Deze bescherming wordt bereikt door geologische bescherming, bestaande uit het voorkomen van aantasting van de afschermende lagen, en de zogeheten groene bescherming, bestaande uit stimulering van activiteiten die in overeenstemming zijn met de bescherming van de grondwaterkwaliteit. Nieuwe activiteiten die risicovol zijn voor de waterwinning zijn niet toegestaan. Wat betreft de winningen in de zogeheten Venloschol, waartoe het gebied Breehei behoort, vermeldt het POL dat er zowel geologische bescherming als (een beperkte) groene bescherming komt.

De basis van de beschermingsregeling wordt blijkens het POL gevormd door de PMV.

Blijkens kaart 4.1 van het POL, Kristallen waarden, is het grondwaterbeschermingsgebied Breehei als niet-freatisch grondwaterbeschermingsgebied aangemerkt.

2.38.2.4.    Op de bij de PMV behorende kaart Noord is het gebied Breehei aangeduid als niet-freatisch grondwaterbeschermingsgebied, tevens kwetsbaar gebied.

2.38.2.5.    In het deskundigenbericht is vermeld dat blijkens een onderzoeksrapport van de NV Waterleiding Maatschappij Limburg uit 2003 de winning Breehei niet-freatisch is, maar dat wel freatische invloeden worden verwacht.

2.38.2.6.    Appellante heeft niet gemotiveerd betwist dat de kleilagen in het grondwaterbeschermingsgebied Breehei onvoldoende geologische bescherming bieden.

2.38.2.7.    Blijkens de parlementaire geschiedenis van de Rwc vormt de zogeheten watersysteembenadering, dat wil zeggen de onderlinge afstemming van waterhuishouding, ruimtelijke ordening en natuur- en milieubeleid, waarbij de gewenste grondwatersituatie als basis voor de inrichting van een gebied wordt genomen, een belangrijk aangrijpingspunt voor herstel en verbetering van de ecologische en ruimtelijke kwaliteit van de reconstructiegebieden. Uit de Memorie van Toelichting wordt voorts gesteld dat de watersysteembenadering bij de keuze van de plaats en inrichting van de ontwikkelingsgebieden voor de veehouderij, maar ook bij de nadere begrenzing en inrichting van de ecologische hoofdstructuur, een rol zal moeten spelen (Kamerstukken II 1998/99, 26356, nr. 3, p. 12 (MvT)).

Het oordeel van de Afdeling

2.38.3.    Gelet op de parlementaire geschiedenis van de Rwc en de bewoordingen van artikel 4 van de Rwc in aanmerking genomen, bestaat geen grond voor het oordeel dat de grondwaterbescherming buiten de doelstellingen en het afwegingskader van de wet valt.

2.38.3.1.    Het standpunt van verweerders dat de mogelijkheid om in  landbouwontwikkelingsgebieden binnen het kwaliteitsprofiel "Het Intensieve Hart" grootschalige projectvestigingen te ontwikkelen onverenigbaar is met de functie van grondwaterbeschermingsgebied, is voldoende gemotiveerd en niet onredelijk.

Niet aannemelijk is gemaakt dat voor bestaande intensieve veehouderijen binnen het kwaliteitsprofiel "Het Intensieve Hart" de ligging in een verwevingsgebied ten opzichte van de ligging in een landbouwontwikkelingsgebied extra beperkingen met zich brengt.

Gelet op de vorenstaande feiten en omstandigheden alsmede de stukken en het verhandelde ter zitting, bestaat in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders het grondwaterbeschermingsgebied Breehei niet als kwetsbaar hebben kunnen aanmerken. Van de door appellante gestelde tegenstrijdigheid met de PMV is geen sprake, nu het gebied Breehei ook volgens de bij de PMV behorende kaart als kwetsbaar is aangemerkt.  

2.38.3.2.    Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders respectievelijk de Minister en de Staatssecretaris in zoverre niet in redelijkheid het reconstructieplan hebben kunnen vaststellen en het goedkeuringsbesluit hebben kunnen nemen. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het plan en het goedkeuringsbesluit op dit punt anderszins zijn voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.38.4.    Het beroep van [appellante sub 38] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 39] voorzover ontvankelijk

Het standpunt van appellant

2.39.    Appellant stelt onder meer in beroep dat zijn gronden aan de [locatie 49] te [plaats] ten onrechte in een extensiveringsgebied liggen.

Het standpunt van verweerders

2.39.1.    Gelet op de ligging van de gronden zijn deze in het reconstructieplan aangemerkt als extensiveringsgebieden.

Vaststelling van de feiten

2.39.2.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.39.2.1.    Appellant exploiteert een varkenshouderij op de [locatie 49] en [locatie 50] te [plaats]. Blijkens kaart 1.2 van het plan liggen de gronden aan de [locatie 49] in een extensiveringsgebied.  

2.39.2.2.    Blijkens kaart 1 van het POL zijn de in geding zijnde gronden aangewezen als "Ontwikkelingsgebieden ecosystemen (P2)". Blijkens kaart 4.2 van het POL liggen de gronden tevens in een ecologische ontwikkelingszone die deel uitmaakt van de PES.

2.39.2.3.    In het reconstructieplan staat op pagina A-84, voorzover hier van belang, vermeld dat uit de rijksuitgangspuntennota volgt dat de ligging van extensiveringsgebieden moet aansluiten bij de zeer kwetsbare bos- en natuurgebieden. Door in dit reconstructieplan niet alleen de zeer kwetsbare natuurgebieden aan te wijzen, maar de gehele PES en de P1-gebieden die ten gevolge van de Wav-herbegrenzing buiten de PES zijn komen te vallen, ontstaat er al een robuuste structuur van extensiveringsgebieden in Noord- en Midden-Limburg. Voorts is gekeken naar de zones rondom de zeer kwetsbare bos- en natuurgebieden.

Bij de begrenzing van de zones als extensiveringsgebieden is rekening gehouden met de kwaliteitsprofielen. Binnen het kwaliteitsprofiel "Waardevol regionaal landschap" en het kwaliteitsprofiel "Het Intensieve Hart" bestaan de extensiveringsgebieden, voorzover hier van belang, uit de PES.

Het oordeel van de Afdeling

2.39.3.    Het hiervoor in overweging 2.39.2.3. omschreven uitgangspunt voor de begrenzing van de extensiveringsgebieden is voldoende gemotiveerd en niet onredelijk. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerders in dit geval niet in redelijkheid hebben kunnen vasthouden aan dit uitgangspunt.

2.39.3.1.    Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders respectievelijk de Minister en de Staatssecretaris in zoverre niet in redelijkheid het reconstructieplan hebben kunnen vaststellen en het goedkeuringsbesluit hebben kunnen nemen. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het plan en het goedkeuringsbesluit op dit punt anderszins zijn voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.39.4.    Het beroep van [appellant sub 39] is voorzover ontvankelijk ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 40]

Het standpunt van appellant

2.40.    Appellant stelt in beroep dat een deel van zijn gronden ten noorden van de bouwkavel van zijn bedrijf ten onrechte in een extensiveringsgebied ligt. Hij stelt zich op het standpunt dat uitbreiding van zijn bedrijf alleen kan op die gronden, nu uitbreiding in de andere richtingen niet mogelijk is vanwege aanwezige stankhindergevoelige objecten. Hij is van mening dat gezien de feitelijke situatie ter plaatse een aanwijzing als extensiveringsgebied niet voor de hand ligt.

Het standpunt van verweerders

2.40.1.    Verweerders stellen zich op het standpunt dat de in geding zijnde gronden van appellant in een extensiveringsgebied liggen, omdat zij in het POL zijn aangewezen als ecologische verbindingszone en deel uitmaken van de PES. Deze zone is gebaseerd op de ligging van de Spiekerbeek. Verdergaande uitbreiding in de richting van de beek achten zij niet wenselijk.

Vaststelling van de feiten

2.40.2.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.40.2.1.    Appellant exploiteert een varkens-, rundvee- en akkerbouwbedrijf aan de [locatie 51] te [plaats].

Blijkens kaart 1.1 van het plan ligt de bouwkavel van het bedrijf van appellant in een verwevingsgebied. Zijn gronden ten noorden daarvan liggen in een extensiveringsgebied. De gronden liggen tevens in het kwaliteitsprofiel "Waardevol regionaal landschap".

2.40.2.2.    Blijkens kaart 1 van het POL ligt het bedrijf van appellant in een gebied dat is aangewezen als "Ruimte voor veerkrachtige watersystemen (P3)". Blijkens kaart 4.2 van het POL ligt de gehele Spiekerbeek en een smalle zone daarom heen ten noorden van het perceel van appellant in een ecologische verbindingszone die deel uitmaakt van de PES.

2.40.2.3.    In het reconstructieplan staat op pagina A-84, voorzover hier van belang, vermeld dat uit de rijksuitgangspuntennota volgt dat de ligging van extensiveringsgebieden moet aansluiten bij de zeer kwetsbare bos- en natuurgebieden. Door in dit reconstructieplan niet alleen de zeer kwetsbare natuurgebieden aan te wijzen, maar de gehele PES en de P1-gebieden die ten gevolge van de Wav-herbegrenzing buiten de PES zijn komen te vallen, ontstaat er al een robuuste structuur van extensiveringsgebieden in Noord- en Midden-Limburg. Voorts is gekeken naar de zones rondom de zeer kwetsbare bos- en natuurgebieden.

Bij de begrenzing van de zones als extensiveringsgebieden is rekening gehouden met de kwaliteitsprofielen. Binnen het kwaliteitsprofiel "Waardevol regionaal landschap" bestaan de extensiveringsgebieden, voorzover hier van belang, uit de PES en de P1-gebieden buiten de PES, met bovendien een zone van 250 meter rond alle zeer verzuringgevoelige delen.

Het oordeel van de Afdeling

2.40.3.      Het hiervoor in overweging 2.40.2.3. omschreven uitgangspunt voor de begrenzing van de extensiveringsgebieden binnen het kwaliteitsprofiel "Waardevol regionaal landschap" is voldoende gemotiveerd en niet onredelijk. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerders in dit geval niet in redelijkheid hebben kunnen vasthouden aan dit uitgangspunt.

2.40.3.1.    Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders respectievelijk de Minister en de Staatssecretaris in zoverre niet in redelijkheid het reconstructieplan hebben kunnen vaststellen en het goedkeuringsbesluit hebben kunnen nemen. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het plan en het goedkeuringsbesluit op dit punt anderszins zijn voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.40.4.    Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 40] ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 42] voorzover ontvankelijk

Het standpunt van appellante

2.41.    Appellante stelt in beroep dat in het reconstructieplan ten onrechte een deel van haar landbouwgronden binnen een extensiveringsgebied zijn komen te liggen. Zij heeft er bezwaar tegen dat op dit deel van de gronden nieuwe natuur moet worden aangelegd. Appellante heeft deze gronden aangekocht om een buffer vormen tot het nabijgelegen bosgebied.

Tot slot voert appellante dat het reconstructieplan ten onrechte mogelijk maakt dat in de omgeving van haar bedrijf groot wild wordt uitgezet. Naar haar mening is dit in tegenspraak met het streven de verspreiding van dierziekten zoveel mogelijk te voorkomen.

Het standpunt van verweerders

2.41.1.    Verweerders hebben zich op het standpunt gesteld dat een deel van de gronden is aangemerkt als extensiveringsgebied vanwege de 250 meter zone rond een zeer verzuringsgevoelig deel van de EHS. Volgens verweerders wordt met de aanwijzing als extensiveringsgebied geen natuurontwikkeling op de betrokken gronden beoogd.

Vaststelling van de feiten

2.41.2.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.41.2.1.    Appellante exploiteert een varkensfokkerijbedrijf aan de [locatie 52] te [plaats]. Blijkens kaart 1.5 van het reconstructieplan liggen de huiskavel en een groot deel van de overige gronden in een verwevingsgebied met bovengrens bouwkavel. Een klein deel van het akkerland ligt in een extensiveringsgebied.

2.41.2.2.    Op pagina A-82 van het reconstructieplan is beschreven dat voor de extensiveringsgebieden de afbouw van de intensieve veehouderij op termijn wordt beoogd. In verband hiermee zijn de ontwikkelingsmogelijkheden voor bestaande bedrijven beperkt. Nieuwvestiging is niet mogelijk. Bedrijven die in de toekomst willen groeien, krijgen via een verplaatsingsregeling de mogelijkheid om zich in landbouwontwikkelingsgebieden te vestigen, bij voorkeur in projectvestigingen. Bedrijven die niet willen of kunnen verplaatsen, houden binnen het bestaande bouwblok en (voorzover van toepassing) onder de voorwaarden van de Wav de mogelijkheid voor bedrijfsvergroting.

Om de gewenste extensivering te verwezenlijken voorziet het reconstructieplan in de actualisatie van milieuvergunningen inclusief een stimuleringsregeling voor de actualisatie, bedrijfsverplaatsing, bedrijfsbeëindiging en een sloopregeling.

2.41.2.3.    In het reconstructieplan staat op pagina A-84, voorzover hier van belang, vermeld dat uit de rijksuitgangspuntennota volgt dat de ligging van extensiveringsgebieden moet aansluiten bij de zeer kwetsbare bos- en natuurgebieden. Door in dit reconstructieplan niet alleen de zeer kwetsbare natuurgebieden aan te wijzen, maar de gehele PES en de Perspectief 1-gebieden die ten gevolge van de Wav-herbegrenzing buiten de PES zijn komen te vallen, ontstaat er al een robuuste structuur van extensiveringsgebieden in Noord- en Midden-Limburg. Voorts is gekeken naar de zones rondom de zeer kwetsbare bos- en natuurgebieden.

Bij de begrenzing van de zones als extensiveringsgebieden is rekening gehouden met de kwaliteitsprofielen. Binnen het kwaliteitsprofiel "Waardevol regionaal landschap" bestaan de extensiveringsgebieden, voorzover hier van belang, uit de PES en de P1-gebieden buiten de PES, met bovendien een zone van 250 meter rond alle zeer verzuringgevoelige delen. Daarnaast valt een 250 meter zone rond alle verzuringgevoelige delen van de EHS, voorzover deze delen samenvallen met POL-perspectief 3, onder de extensiveringsgebieden. Binnen het kwaliteitsprofiel "Intensieve Hart" bestaan de extensiveringsgebieden, voorzover hier van belang, uit de PES en de P1-gebieden buiten de PES, met bovendien een zone van 250 meter rond alle zeer verzuringgevoelige delen.

2.41.2.4.    In paragraaf 7.6 van onderdeel D van het reconstructieplan is vermeld dat de effectieve bescherming van de belangrijkste leefgebieden van de ongeveer 60 prioritaire bedreigde soorten in Noord- en Midden-Limburg een van de lange termijn doelen van het reconstructieplan vormt (N3.1). Deze doelstelling is doorvertaald in twee operationele doelen. Het eerste betreft de formele begrenzing van de belangrijkste leefgebieden van 45 prioritaire bedreigde soorten door de vaststelling van soortenbeschermingsplannen (N3.1.1). Het tweede doel is de inrichting en het beheer van 4.500 ha leefgebieden van 20 belangrijkste bedreigde soorten op basis van de soortenbeschermingsplannen (N3.1.2).

Op pagina D-82 en D-83 van het reconstructieplan is gesteld dat op basis van de reeds bestaande soortenbeschermingsplannen en de voorziene extra plannen gericht gewerkt kan worden aan de optimalisering van de inrichting van het gebied en het beheer. Onder meer zijn plannen gereed of vrijwel gereed voor Edelhert en Wild zwijn.

Het oordeel van de Afdeling

2.41.3.    Het hiervoor in overweging 2.41.2.3. omschreven uitgangspunt voor de begrenzing van de extensiveringsgebieden is voldoende gemotiveerd en niet onredelijk. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerders in dit geval niet in redelijkheid hebben kunnen vasthouden aan dit uitgangspunt.

2.41.3.1.    De ontwikkelingsmogelijkheden van het bedrijf is worden bepaald door de ligging van de bouwkavel binnen het verwevingsgebied. Anders dan bij extensiveringsgebieden sluit het reconstructieplan uitbreiding van de bebouwing buiten de bouwkavel niet uit. Evenmin is op het bedrijf van appellante de zogeheten verplaatsingsregeling van toepassing. Voor de opvatting van appellante dat haar bedrijf in een sterfhuisconstructie is geplaatst bestaat derhalve geen grond.

2.41.3.2.    Het betoog van appellante over het uitzetten van groot wild faalt. Het reconstructieplan zelf voorziet niet in een dergelijke maatregel. Voorzover het reconstructieplan ingaat op de gebiedsbescherming van prioritaire bedreigde soorten, betreft het een beschrijving van reeds bestaand beleid.

2.41.3.3.    Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders respectievelijk de Minister en de Staatssecretaris in zoverre niet in redelijkheid het reconstructieplan hebben kunnen vaststellen en het goedkeuringsbesluit hebben kunnen nemen. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het plan en het goedkeuringsbesluit op dit punt anderszins zijn voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.41.4.    Het beroep van [appellante sub 42] is voorzover ontvankelijk ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 44]

Het standpunt van appellante

2.42.    Appellante stelt in beroep dat de gronden aan de Beuningerstraat te Susteren waarop zij een nieuw vleesvarkenbedrijf wil beginnen ten onrechte in een extensiveringsgebied liggen. Zij betoogt onder meer dat de aanwijzing van het gebied als extensiveringsgebied niet juist is, onder meer nu haar perceel aan de westzijde wordt begrensd wordt door de autosnelweg A2.

Het standpunt van verweerders

2.42.1.    Verweerders stellen zich op het standpunt dat de in geding zijnde gronden van appellante in een extensiveringsgebied liggen, omdat zij deel uitmaken van de PES.

Vaststelling van de feiten

2.42.2.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.42.2.1.    Appellante exploiteert een varkenshouderij en een akkerbouwbedrijf aan de [locatie 53] te [plaats]. Blijkens kaart 1.7 van het plan ligt het noordelijke deel van het perceel waarop appellante een nieuw bedrijf wil vestigen in een extensiveringsgebied.

2.42.2.2.    Het noordelijke deel van het perceel is blijkens kaart 2 van het POL aangewezen als "Ontwikkelingsgebieden ecosystemen (P2)". Blijkens kaart 4.2 van het POL zijn deze gronden tevens aangewezen als ecologische ontwikkelingszone die deel uitmaakt van de PES.

2.42.2.3.    Uit het deskundigenbericht is af te leiden dat de gronden ondanks de ligging nabij de A2 worden gekenmerkt door bossen.

2.42.2.4.    In het bestemmingsplan "Buitengebied" van de gemeente Echt (thans: Echt-Susteren) is aan het perceel van appellante de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke waarde" toegekend. Op deze gronden zijn gebouwen toegestaan mits die binnen de op de plankaart aangegeven bebouwingsvlakken worden gebouwd. Op het perceel van appellante is geen bebouwingsvlak ingetekend.

2.42.2.5.    In het reconstructieplan staat op pagina A-84, voorzover hier van belang, vermeld dat uit de rijksuitgangspuntennota volgt dat de ligging van extensiveringsgebieden moet aansluiten bij de zeer kwetsbare bos- en natuurgebieden. Door in dit reconstructieplan niet alleen de zeer kwetsbare natuurgebieden aan te wijzen, maar de gehele PES en de Perspectief 1-gebieden die ten gevolge van de Wav-herbegrenzing buiten de PES zijn komen te vallen, ontstaat er al een robuuste structuur van extensiveringsgebieden in Noord- en Midden-Limburg. Voorts is gekeken naar de zones rondom de zeer kwetsbare bos- en natuurgebieden.

Bij de begrenzing van de zones als extensiveringsgebieden is rekening gehouden met de kwaliteitsprofielen. Binnen het kwaliteitsprofiel "Waardevol regionaal landschap" bestaan de extensiveringsgebieden, voorzover hier van belang, uit de PES en de P1-gebieden buiten de PES, met bovendien een zone van 250 meter rond alle zeer verzuringgevoelige delen. Daarnaast valt een 250 meter zone rond alle verzuringgevoelige delen van de EHS, voorzover deze delen samenvallen met POL-perspectief 3, onder de extensiveringsgebieden. Binnen het kwaliteitsprofiel "Intensieve Hart" bestaan de extensiveringsgebieden, voorzover hier van belang, uit de PES en de P1-gebieden buiten de PES, met bovendien een zone van 250 meter rond alle zeer verzuringgevoelige delen.

Het oordeel van de Afdeling

2.42.3.     Het hiervoor in overweging 2.42.2.5. omschreven uitgangspunt voor de begrenzing van de extensiveringsgebieden is voldoende gemotiveerd en niet onredelijk. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerders in dit geval niet in redelijkheid hebben kunnen vasthouden aan dit uitgangspunt. Hierbij is de ligging nabij bosgebied in aanmerking genomen.

2.42.3.1.    Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders respectievelijk de Minister en de Staatssecretaris in zoverre niet in redelijkheid het reconstructieplan hebben kunnen vaststellen en het goedkeuringsbesluit hebben kunnen nemen. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het plan en het goedkeuringsbesluit op dit punt anderszins zijn voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.42.4.    Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellante sub 44] ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 48]

Het standpunt van appellant

2.43.    Appellant stelt in beroep dat in het reconstructieplan de beide vestigingen van zijn bedrijf ten onrechte in een extensiveringsgebied zijn opgenomen. Hij stelt dat hij in de toekomst zijn bedrijfsbebouwing moet uitbreiden vanwege de eisen die de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren stelt.

Het standpunt van verweerders

2.43.1.    Verweerders hebben zich op het standpunt gesteld dat beide bedrijfsvestigingen binnen een extensiveringsgebied behoren te liggen vanwege specifieke omgevingskenmerken. Zij wijzen erop dat de vestiging in Koningsbosch in een "Bos- en/of natuurgebieden (P1)"-gebied ligt en binnen een zone van 250 meter van de verzuringsgevoelig delen van de EHS. De vestiging in Posterholt ligt in een hamsterkernleefgebied en maakt daarom deel uit van de PES in het POL.

Verweerders zijn voorts van mening dat het reconstructieplan in het algemeen voldoende uitbreidingsmogelijkheden biedt voor intensieve veehouderijen om te kunnen voldoen aan de welzijnseisen. Voor die gevallen waarvoor het reconstructieplan onvoldoende voorziet in uitbreidingsmogelijkheden, zijn middelen begroot voor de verplaatsing van die bedrijven naar een duurzame locatie.

Vaststelling van de feiten

2.43.2.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.43.2.1.    Appellant exploiteert een zeugenhouderij aan de [locatie 54] te [plaats] en een vleesvarkensbedrijf aan de [locatie 55] te [plaats].

2.43.2.2.    De bedrijfsvestiging te Posterholt ligt blijkens kaart 1.7 van het reconstructieplan in een extensiveringsgebied.

Volgens kaart 2 van het POL ligt dit bedrijf in een gebied dat is aangeduid als "Ontwikkelingsgebieden ecosystemen (P2)". Op kaart 4.2 van het POL is het gebied tevens aangeduid als hamsterkernleefgebied en ecologische ontwikkelingszone. Als zodanig maakt het perceel deel uit van de PES.

2.43.2.3.    Uit het deskundigenbericht is af te leiden dat op de bouwkavel te Posterholt ruimte is om rondom de bestaande bebouwing bedrijfsbebouwing op te richten.

2.43.2.4.    De bedrijfsvestiging te Koningsbosch ligt blijkens kaart 1.7 van het reconstructieplan eveneens in een extensiveringsgebied. Op kaart 1 van het POL is het perceel aangeduid als "Bos- en/of natuurgebieden (P1)". Als zodanig maakt het perceel deel uit van de PES.

In het deskundigenbericht is gesteld dat deze bedrijfsvestiging op een afstand van ongeveer 40 meter van een verzuringsgevoelig gebied ligt.

2.43.2.5.    Beide bedrijfslocaties liggen blijkens kaart 8.1 binnen het kwaliteitsprofiel "Waardevol regionaal landschap".

2.43.2.6.    In het reconstructieplan staat op pagina A-84, voorzover hier van belang, vermeld dat uit de rijksuitgangspuntennota volgt dat de ligging van extensiveringsgebieden moet aansluiten bij de zeer kwetsbare bos- en natuurgebieden. Door in dit reconstructieplan niet alleen de zeer kwetsbare natuurgebieden aan te wijzen, maar de gehele PES en de P1-gebieden die ten gevolge van de Wav-herbegrenzing buiten de PES zijn komen te vallen, ontstaat er al een robuuste structuur van extensiveringsgebieden in Noord- en Midden-Limburg. Voorts is gekeken naar de zones rondom de zeer kwetsbare bos- en natuurgebieden.

Bij de begrenzing van de zones als extensiveringsgebieden is rekening gehouden met de kwaliteitsprofielen. Binnen het kwaliteitsprofiel "Waardevol regionaal landschap" bestaan de extensiveringsgebieden, voorzover hier van belang, uit de PES en de P1-gebieden buiten de PES, met bovendien een zone van 250 meter rond alle zeer verzuringgevoelige delen.

Het oordeel van de Afdeling

2.43.3.     Het hiervoor in overweging 2.45.2.6. omschreven uitgangspunt voor de begrenzing van de extensiveringsgebieden binnen het kwaliteitsprofiel "Waardevol regionaal landschap" is voldoende gemotiveerd en niet onredelijk.

2.43.3.1.    In hetgeen appellant heeft aangevoerd, onder meer over uitbreidingsmogelijkheden voor de toekomst met het oog op dierenwelzijnsregelgeving op de bouwkavel te Posterholt, bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerders in dit geval niet in redelijkheid hebben kunnen vasthouden aan dit uitgangspunt aangezien binnen de bouwkavel nog ruimte voor uitbreiding van de bedrijfsbebouwing is.

2.43.3.2.    Voorzover de zeugenhouderij aan de [locatie 54] te [plaats] niet meer kan worden uitgebreid binnen de bestaande bouwkavel overweegt de Afdeling als volgt. Niet in geschil is dat het bedrijf  gezien de ligging ervan in een extensiveringsgebied, ook niet zal mogen uitbreiden buiten de bouwkavel. Derhalve zal appellant uitgaande van zijn huidige veeomvang niet kunnen voldoen aan de eisen die aan zijn bedrijf worden gesteld op grond van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren. Het belang van appellant om mede met het oog op de eisen die aan zijn bedrijf zullen worden gesteld op grond van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren te kunnen uitbreiden, moet minder zwaarwegend worden geoordeeld dan het belang dat met de uitvoering van de Rwc wordt gediend. Om de belangen in evenwicht te houden voorziet de Rwc in een schadevergoedingsregeling.

Appellant zal, indien zijn bedrijf ten gevolge van de vaststelling van het reconstructieplan schade lijdt, een beroep kunnen doen op de schadevergoedingsregeling van artikel 30, eerste lid, van de Rwc, indien wordt voldaan aan de daarin gestelde voorwaarden.

2.43.3.3.    Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders respectievelijk de Minister en de Staatssecretaris in zoverre niet in redelijkheid het reconstructieplan hebben kunnen vaststellen en het goedkeuringsbesluit hebben kunnen nemen. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het plan en het goedkeuringsbesluit op dit punt anderszins zijn voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.43.4.    Het beroep van [appellant sub 48] is ongegrond.

Het beroep van [appellanten sub 49]

Het standpunt van appellanten

2.44.    Appellanten stellen in beroep onder meer dat de bedrijven in het reconstructieplan ten onrechte in een verwevingsgebied met bovengrens bouwkavel zijn opgenomen. Dit brengt volgens hen een te grote beperking voor de toekomstige bedrijfsvoering met zich waarbij de bedrijven zullen worden samengevoegd. Voorts hebben zij bezwaar tegen de situering van een als extensiveringsgebied aangewezen ecologische verbindingszone in de nabijheid van de betrokken bedrijven.

Het standpunt van verweerders

2.44.1.    Verweerders hebben zich op het standpunt gesteld dat de bouwkavels van [appellant sub 49 A] en [appellant sub 49 B] volledig in het verwevingsgebied liggen en ook niet grenzen aan het extensiveringsgebied. Het reconstructieplan brengt geen verandering in de uitbreidingsmogelijkheden van deze bedrijven. Wat betreft de bouwkavel van  [appellant sub 49C] stellen verweerders dat eventuele toekomstige uitbreidingen uitsluitend in het verwevingsgebied kunnen plaatsvinden.

De vaststelling van de feiten

2.44.2.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.44.2.1.    [appellant sub 49A] exploiteert een bedrijf met een varkenshouderijtak en een akkerbouwtak aan de [locatie 56] en [locatie 57] te [plaats]. Het beroep heeft voorts betrekking op het bedrijf van [appellant sub 49B] aan de [locatie 58] met een varkenshouderijtak en een akkerbouwtak, en het bedrijf van [appellant sub 49C] aan de [locatie 59] met een varkenshouderij.

2.44.2.2.    De bedrijven van [appellant sub 49A] en [appellant sub 49B] liggen blijkens kaart 1.1 van het reconstructieplan in hun geheel in een verwevingsgebied met bovengrens bouwkavel. Het bedrijf van [appellant sub 49C] ligt gedeeltelijk in een verwervingsgebied met bovengrens bouwkavel en gedeeltelijk in een extensiveringsgebied.

2.44.2.3.    Op kaart 1 van het POL liggen de drie bedrijven in een gebied dat is aangeduid als "Vitaal landelijk gebied (P4)". Zowel op kaart 3.1 van het POL als kaart 8.1 van het reconstructieplan is dit gebied aangemerkt als "Waardevol regionaal landschap".

2.44.2.4.    In de nabijheid van de bedrijven liggen de Eckeltsche beek en de Horsterbeek. Het deel van de Eckeltsche beek dat ten westen/noordwesten van de bedrijven ligt, maakt samen met de Horsterbeek en een smalle zone daaromheen deel uit van het gebied dat in het POL is aangeduid als "Ruimte voor veerkrachtige watersystemen (P3)" en als "Beekdal en laagte". Op kaart 4.2. van het POL zijn het hiervoor genoemde deel van de Eckeltsche beek en de Horsterbeek alsmede de smalle omliggende zone aangemerkt als ecologische verbindingszone. Daarmee vormen deze beekdelen een onderdeel van de PES.

2.44.2.5.    Uit het deskundigenbericht is af te leiden dat het recontstructieplan, gezien de ligging van de bedrijven in verwevingsgebied, niet bij voorbaat belemmeringen opwerpt voor de huidige bedrijfsvoering noch voor de verwerkelijking van de toekomstplannen.

2.44.2.6.    Ten noordwesten en ten zuidwesten van de bedrijven liggen bosgebieden die in het POL zijn aangemerkt als "Bos- en of natuurgebied (P1)" en maken deel uit van de PES. Voorts maken de bosgebieden deel uit van de op grond van de Vogelrichtlijn aangewezen speciale beschermingszone Maasduinen. Blijkens kaart 11 van het reconstructieplan betreft het zeer verzuringsgevoelige gebieden van de EHS. De afstand tussen het bedrijf van appellant en het zuidwestelijke bosgebied bedraagt ongeveer 500 meter.

2.44.2.7.    Op pagina A-74 van het reconstructieplan is vermeld dat de landbouwontwikkelingsgebieden zo zijn begrensd dat er vanuit het ruimtelijke en milieubeleid daadwerkelijk ruimte is voor bedrijfsontwikkeling en voor concentratie van bedrijven. Uitgangspunt daarbij is ruimtelijke sturing te geven richting de meest duurzame gebieden zonder op voorhand de speelruimte om op lokale schaal tot de beste locaties te komen, onnodig te beperken. In ieder geval zijn voldoende ruime afstandsmaten gehanteerd ten opzichte van kwetsbare gebieden om ook reële landbouwontwikkelingsgebieden aan te kunnen wijzen.

Verweerders hebben de gebieden die op basis van dit uitgangspunt potentieel geschikt leken, nader beoordeeld op geschiktheid, waarbij criteria zijn gebruikt die passen bij het schaalniveau van het reconstructieplan en de status van de landbouwontwikkelingsgebieden als zoekgebied voor nieuwvestiging. Op pagina A-75 staat beschreven dat bij deze nadere beoordeling een aantal gebieden is afgevallen. Gebieden die tot een afstand van 2.000 meter van verzuringsgevoelige delen van Natuurbeschermingswetgebieden liggen, behoren tot de gebieden die bij de nadere beoordeling ongeschikt zijn geoordeeld als landbouwontwikkelingsgebied.

2.44.2.8.    Op pagina A-77 is gesteld dat verwevingsgebieden een sterke vermenging van functies met diverse waarden in het buitengebied kennen. De verweving is erop gericht deze functies en waarden zich naast elkaar te laten ontwikkelen en elkaar te laten versterken.

Binnen verwevingsgebieden is groei van bestaande bedrijven mogelijk, waarbij de zogeheten BOM+-toets een belangrijk sturend instrument is.

Op pagina A-78 is gesteld dat de begrenzing van het verwevingsgebied de resultante is van de begrenzing van de extensiveringsgebieden en de landbouwontwikkelingsgebieden.

Het oordeel van de Afdeling

2.44.3.    Gelet op het feit dat verweerders met de aanwijzing van landbouwontwikkelingsgebieden duurzame ontwikkelingsperspectieven wensen te bieden aan intensieve veehouderijbedrijven, is het niet onredelijk dat zij bij de aanwijzing rekening hebben gehouden met de ligging van gebieden die voor verzuring gevoelig zijn. Nu uit het deskundigenbericht is af te leiden dat de ligging van de bedrijven niet bij voorbaat belemmeringen opwerpt in de verwerkelijking van de toekomstplannen, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders in dit geval niet aan hun uitgangspunten hebben kunnen vasthouden. Zij hebben daarom de gronden van appellanten in zoverre in redelijkheid als verwevingsgebied kunnen aanmerken.

2.44.3.1.    Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders respectievelijk de Minister en de Staatssecretaris in zoverre niet in redelijkheid het reconstructieplan hebben kunnen vaststellen en het goedkeuringsbesluit hebben kunnen nemen. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het plan en het goedkeuringsbesluit op dit punt anderszins zijn voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.44.4.    Het beroep van [appellanten sub 49] is in zoverre ongegrond.

Het beroep van Turkeyfarm Ospel B.V.

Het standpunt van appellante

2.45.    Appellante stelt in beroep dat de gronden van haar bedrijf in het reconstructieplan ten onrechte als verwevingsgebied zijn aangemerkt. Zij meent dat de gronden als landbouwontwikkelingsgebied hadden moeten worden aangeduid. Appellante bestrijdt in dit verband dat de ligging van de gronden op een afstand van ongeveer 1.800 meter van een beschermd natuurgebied zou moeten leiden tot de aanduiding verwevingsgebied.

Het standpunt van verweerders

2.45.1.    Verweerders hebben zich op het standpunt gesteld dat de desbetreffende gronden niet als landbouwontwikkelingsgebied kunnen worden aangemerkt omdat zich binnen een afstand van 2.000 meter een beschermd natuurmonument bevindt.

Vaststelling van de feiten

2.45.2.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.45.2.1.    Appellante exploiteert een vleeskalkoenen- en vleesvarkenshouderij aan de Kreijel 9 en de Schans 9 te Ospel. Blijkens kaart 1.5 van het reconstructieplan liggen de beide bedrijfslocaties in een verwevingsgebied zonder bovengrens bouwkavel.

2.45.2.2.    Op kaart 2 van het POL zijn deze gronden aangeduid als "Ontwikkelingsruimte voor landbouw en toerisme (P5)"-gebied.

2.45.2.3.    De afstand tot het beschermd natuurmonument "Sarsven en De Banen" bedraagt ongeveer 1.800 meter. Blijkens kaart 11 van het reconstructieplan betreft dit natuurgebied een zeer verzuringsgevoelig gebied van de EHS.

2.45.2.4.    Volgens het deskundigenbericht vormt de afstand van 2.000 meter tot de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden en de Natuurbeschermingswetgebieden een veilige marge gelet op de maximale depositiepiek van 15 mol, maar is de stelling van appellante dat het binnen een afstand van 2.000 meter tot een dergelijk gebied mogelijk is een volwaardig bedrijf te stichten rekening houdend met de maximaal toegestane ammoniakdepositie van 15 mol per hectare per jaar, niet bij voorbaat onjuist.

2.45.2.5.    Op pagina A-74 van het reconstructieplan is vermeld dat de landbouwontwikkelingsgebieden zo zijn begrensd dat er vanuit het ruimtelijke en milieubeleid daadwerkelijk ruimte is voor bedrijfsontwikkeling en voor concentratie van bedrijven. Uitgangspunt daarbij is ruimtelijke sturing te geven richting de meest duurzame gebieden zonder op voorhand de speelruimte om op lokale schaal tot de beste locaties te komen, onnodig te beperken. In ieder geval zijn voldoende ruime afstandsmaten gehanteerd ten opzichte van kwetsbare gebieden om ook reële landbouwontwikkelingsgebieden aan te kunnen wijzen.

Verweerders hebben de gebieden die op basis van dit uitgangspunt potentieel geschikt leken, nader beoordeeld op geschiktheid, waarbij criteria zijn gebruikt die passen bij het schaalniveau van het reconstructieplan en de status van de landbouwontwikkelingsgebieden als zoekgebied voor nieuwvestiging. Op pagina A-75 staat beschreven dat bij deze nadere beoordeling een aantal gebieden is afgevallen. Gebieden die tot een afstand van 2.000 meter van verzuringsgevoelige delen van Natuurbeschermingswetgebieden liggen, behoren tot de gebieden die bij de nadere beoordeling ongeschikt zijn geoordeeld als landbouwontwikkelingsgebied.

2.45.2.6.    Op pagina A-77 is gesteld dat verwevingsgebieden een sterke vermenging van functies met diverse waarden in het buitengebied kennen. De verweving is erop gericht deze functies en waarden zich naast elkaar te laten ontwikkelen en elkaar te laten versterken.

Binnen verwevingsgebieden is groei van bestaande bedrijven mogelijk, waarbij de zogeheten BOM+-toets een belangrijk sturend instrument is.

Op pagina A-78 is gesteld dat de begrenzing van het verwevingsgebied de resultante is van de begrenzing van de extensiveringsgebieden en de landbouwontwikkelingsgebieden.

Het oordeel van de Afdeling

2.45.3.    Gelet op het feit dat verweerders met de aanwijzing van landbouwontwikkelingsgebieden beogen duurzame ontwikkelingsperspectieven te bieden aan intensieve veehouderijbedrijven, is het niet onredelijk dat zij bij de aanwijzing rekening hebben gehouden met een veilige marge ten opzichte van verzuringsgevoelige natuurgebieden. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ten aanzien van de afstand tot de Natuurbeschermingswetgebieden, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders in dit geval niet aan deze veilige marge hebben kunnen vasthouden. De omstandigheid dat het wellicht mogelijk is ook binnen een afstand van 2.000 meter een volwaardig bedrijf te stichten zonder de maximale depositie van 15 mol te overschrijden, maakt dit niet anders.

Verweerders hebben de gronden van appellante aan de Kreijel en de Schans in redelijkheid als verwevingsgebied kunnen aanmerken. Niet is aannemelijk gemaakt dat voor bestaande intensieve veehouderijen binnen het kwaliteitsprofiel "Het Intensieve Hart" de ligging in een verwevingsgebied ten opzichte van de ligging in een landbouwontwikkelingsgebied extra beperkingen met zich brengt.

2.45.3.1.    Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders respectievelijk de Minister en de Staatssecretaris in zoverre niet in redelijkheid het reconstructieplan hebben kunnen vaststellen en het goedkeuringsbesluit hebben kunnen nemen. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het plan en het goedkeuringsbesluit op dit punt anderszins zijn voorbereid en genomen in strijd met het recht.

2.45.4.    Het beroep van Turkeyfarm Ospel B.V. is ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 51]

Het standpunt van appellante

2.46.    Appellante stelt in beroep dat haar percelen in Nederweert in het plan ten onrechte al dan niet gedeeltelijk als extensiveringsgebieden en als verwevingsgebieden zijn aangemerkt. Appellante meent dat hierdoor nieuwvestiging die voorheen op deze gronden wel mogelijk was, niet meer tot de mogelijkheden behoort. Zij stelt hierdoor schade te lijden omdat zij haar bedrijf op haar huidige bouwkavel niet meer kan uitbreiden en dit bedrijf wil verplaatsen naar genoemde percelen.

Het standpunt van verweerders

2.46.1.    Verweerders hebben zich op het standpunt gesteld dat het reconstructieplan geen bestaande planologische rechten van appellante beperkt.

Vaststelling van de feiten

2.46.2.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.46.2.1.    Appellante exploiteert een gemengd agrarisch bedrijf met een varkenshouderijtak en een akkerbouwtak aan de Kreijelmusweg te Nederweert. Appellante is tevens eigenaar van in de gemeente Nederweert verspreid liggende akkerbouwpercelen, met een oppervlak van in totaal ongeveer 40 hectare. Blijkens kaarten 1.5 en 1.6 van het plan liggen deze percelen geheel of gedeeltelijk in extensiveringsgebieden of verwevingsgebieden.

2.46.2.2.    Op kaart 2 van het POL zijn deze percelen aangeduid als "Vitaal landelijk gebied (P4)". Delen van percelen hebben de aanduiding "Ontwikkelingsgebieden ecosystemen (P2)" en "Ruimte voor veerkrachtige watersystemen (P3)".

2.46.2.3.    Uit pagina B-21 van het plan volgt dat nieuwvestiging van intensieve veehouderij in verwevingsgebieden en in extensiveringsgebieden niet mogelijk is.

Blijkens tabel 5.8 van het POL is nieuwvestiging van intensieve veehouderij in gebieden die zijn aangeduid als "Ontwikkelingsgebieden ecosystemen (P2)" en "Ruimte voor veerkrachtige watersystemen (P3)" niet toegestaan. Op pagina 120 van het POL staat vermeld dat nieuwvestiging in "Vitaal landelijk gebied (P4)" niet mogelijk is, tenzij het gaat om een sterlocatie-benadering waarbij er geen geschikte bestaande locatie aanwezig is en er tevens verbetering van de omgevingskwaliteit optreedt. Goedkeuring door het college van gedeputeerde staten is vereist (separaat of via reconstructieplan).

Met een sterlocatie wordt blijkens pagina 114 van het POL bedoeld een bedrijfslocatie van een intensieve veehouderij, die aan alle te stellen eisen voldoet, en is ontstaan als resultaat van een samenbundeling (op bij voorkeur een bestaande bedrijfslocatie) van voordien over meerdere locaties verspreide intensieve veehouderijen van 1 of meerdere eigenaren. De sterlocatie is nog een concept, dat in het kader van de reconstructie in Noord- en Midden Limburg nader wordt geconcretiseerd.

Op pagina D-172 van het plan is vermeld dat de sterlocatie-benadering niet meer wordt gehanteerd.

Het oordeel van de Afdeling

2.46.3.    Uit de vorenstaande feiten volgt dat in de periode voordat het reconstructieplan in werking trad de sterlocatie-benadering nog geen provinciaal beleid was. Bovendien zou, indien deze benadering wel provinciaal beleid zou zijn geweest, eerst na nadere besluitvorming nieuwvestiging ter plaatse mogelijk kunnen worden gemaakt.

Gelet hierop faalt het betoog van appellante dat voorheen ter plaatse  nieuwvestiging zonder meer mogelijk was.

Ook overigens heeft appellante onvoldoende argumenten aangevoerd om tot het oordeel te komen dat de aanwijzing van haar gronden als verwevingsgebied of extensiveringsgebied ten onrechte heeft plaatsgevonden.

2.46.3.1.    Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders respectievelijk de Minister en de Staatssecretaris in zoverre niet in redelijkheid het reconstructieplan hebben kunnen vaststellen en het goedkeuringsbesluit hebben kunnen nemen. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het plan en het goedkeuringsbesluit op dit punt anderszins zijn voorbereid en genomen in strijd met het recht.

2.46.4.    Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellante sub 51] ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 53] voorzover ontvankelijk

Het standpunt van appellante

2.47.    Appellante stelt in beroep dat haar perceel aan de [locatie 60] te [plaats] ten onrechte in een extensiveringsgebied ligt. Onder meer de feitelijke situatie rechtvaardigt volgens appellante niet de aanwijzing als extensiveringsgebied.

Het standpunt van verweerders

2.47.1.    Verweerders hebben zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat nu het perceel van appellante en de omgeving hiervan in het POL is aangewezen als ecologische verbindingszone, uitbreiding van het bedrijf in de richting van de Uffelse beek niet mogelijk moet worden gemaakt.

Het uitgangspunt van verweerders in een geval als hier aan de orde is dat indien sprake is van een extensiveringsgebied dat uitsluitend is aangewezen omdat het binnen een "Ruimte voor veerkrachtige watersystemen

(P3)"-gebied binnen de EHS/PES valt, bekeken wordt of bij de begrenzing van het extensiveringsgebied moet worden afgeweken van de ecologische verbindingszones in het POL. Daarbij passen verweerders onder meer als criterium toe de ligging van de bouwkavel op de rand of tegen de rand van de ecologische verbindingszone. Bij ligging midden in de ecologische verbindingszone vindt in ieder geval geen aanpassing plaats. Aanpassing van de begrenzing van het extensiveringsgebied is volgens verweerders in dit geval niet aan de orde.

Vaststelling van de feiten

2.47.2.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.47.2.1.    Appellante exploiteert een vleesvarkens-, rundvee- en akkerbouwbedrijf aan de [locatie 60] te [plaats]. Het bedrijf van appellante grenst aan de Uffelse beek.

Blijkens kaart 1.5 van het plan ligt het perceel in een extensiveringsgebied.

2.47.2.2.    De gronden zijn blijkens kaart 2 van het POL aangewezen als "Ruimte voor veerkrachtige watersystemen (P3)". Blijkens kaart 4.2 van het POL zijn deze gronden tevens aangewezen als ecologische verbindingszone, dat deel uitmaakt van de PES. De gronden liggen midden in de ecologische verbindingszone. De Uffelse beek is in op kaart 4.2 van het POL aangewezen als beek met specifiek ecologische functie.

2.47.2.3.    In het reconstructieplan staat op pagina A-84, voorzover hier van belang, vermeld dat uit de rijksuitgangspuntennota volgt dat de ligging van extensiveringsgebieden moet aansluiten bij de zeer kwetsbare bos- en natuurgebieden. Door in dit reconstructieplan niet alleen de zeer kwetsbare natuurgebieden aan te wijzen, maar de gehele PES en de Perspectief 1-gebieden die ten gevolge van de Wav-herbegrenzing buiten de PES zijn komen te vallen, ontstaat er al een robuuste structuur van extensiveringsgebieden in Noord- en Midden-Limburg. Voorts is gekeken naar de zones rondom de zeer kwetsbare bos- en natuurgebieden.

Voorts staat op deze pagina vermeld, voorzover hier van belang, dat gronden binnen de PES zijn aangewezen als extensiveringsgebieden.

Het oordeel van de Afdeling

2.47.2.4.    Het onder overweging 2.47.1. opgenomen criterium dat verweerders onder meer hanteren teneinde te beoordelen of de begrenzing van het extensiveringsgebied in gevallen als hier aan de orde aanpassing behoeft, komt de Afdeling voldoende gemotiveerd en niet onredelijk voor.

Aangezien de gronden van appellante midden in de ecologische verbindingszone liggen hebben verweerders kunnen vasthouden aan het uitgangspunt dat gronden binnen de PES als extensiveringsgebieden worden aangewezen.

Mede gelet op de ligging nabij de Uffelse beek hebben verweerders ook in hetgeen appellante voor het overige heeft aangevoerd, geen reden hoeven te zien om hierop een uitzondering te maken.

2.47.2.5.    Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders respectievelijk de Minister en de Staatssecretaris in zoverre niet in redelijkheid het reconstructieplan hebben kunnen vaststellen en het goedkeuringsbesluit hebben kunnen nemen. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het plan en het goedkeuringsbesluit op dit punt anderszins zijn voorbereid en genomen in strijd met het recht.

2.47.3.    Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellante sub 53] voorzover ontvankelijk ongegrond.

Het beroep van [appellanten sub 55] voorzover ontvankelijk

Het standpunt van appellanten

2.48.    Appellanten stellen in beroep dat in het reconstructieplan de gronden van hun bedrijf ten onrechte in een extensiveringsgebied zijn opgenomen. Zij voeren onder meer aan dat ter plaatse van hun bedrijf geen sprake is van een gestapelde problematiek als bedoeld in het reconstructieplan.

Het standpunt van verweerders

2.48.1.    Verweerders hebben zich op het standpunt gesteld dat de bedrijfslocatie van appellanten ligt binnen een zone van 250 meter rondom de zeer verzuringsgevoelige delen van de EHS. Hierin hebben verweerders aanleiding gezien onder meer het perceel van appellanten als extensiveringszone aan te merken.

Vaststelling van de feiten

2.48.2.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.48.2.1.    [appellanten sub 55] exploiteren een pluimveehouderijbedrijf aan de [locatie 17] te [plaats]. Blijkens kaart 1.5 van het reconstructieplan ligt het perceel van appellanten in een extensiveringsgebied en binnen het kwaliteitsprofiel "Waardevol regionaal landschap".

2.48.2.2.    Volgens het deskundigenbericht ligt het bosgebied Tungelerwallen op een afstand van ongeveer 100 meter van het bedrijf van appellanten. Dit bosgebied is blijkens kaart 11 van het reconstructieplan als zeer verzuringsgevoelig gebied aangemerkt.

2.48.2.3.    In het reconstructieplan staat op pagina A-84, voorzover hier van belang, vermeld dat uit de rijksuitgangspuntennota volgt dat de ligging van extensiveringsgebieden moet aansluiten bij de zeer kwetsbare bos- en natuurgebieden. Door in dit reconstructieplan niet alleen de zeer kwetsbare natuurgebieden aan te wijzen, maar de gehele PES en de Perspectief 1-gebieden die ten gevolge van de Wav-herbegrenzing buiten de PES zijn komen te vallen, ontstaat er al een robuuste structuur van extensiveringsgebieden in Noord- en Midden-Limburg. Voorts is gekeken naar de zones rondom de zeer kwetsbare bos- en natuurgebieden.

Bij de begrenzing van de zones als extensiveringsgebieden is rekening gehouden met de kwaliteitsprofielen. Binnen het kwaliteitsprofiel "Waardevol regionaal landschap" bestaan de extensiveringsgebieden, voorzover hier van belang, uit de PES en de P1-gebieden buiten de PES, met bovendien een zone van 250 meter rond alle zeer verzuringgevoelige delen.

Het oordeel van de Afdeling

2.48.3.    Het hiervoor in overweging 2.48.2.3. omschreven uitgangspunt voor de begrenzing van de extensiveringsgebieden binnen het kwaliteitsprofiel "Waardevol regionaal landschap" is voldoende gemotiveerd en niet onredelijk.

2.48.3.1.    Voorzover het pluimveehouderijbedrijf aan de [locatie 17] niet meer kan worden uitgebreid binnen de bestaande bouwkavel overweegt de Afdeling als volgt. Niet in geschil is dat het bedrijf gezien de ligging ervan in een extensiveringsgebied, ook niet zal mogen uitbreiden buiten de bouwkavel. Derhalve zullen appellanten uitgaande van de huidige veeomvang niet kunnen voldoen aan de eisen die aan het bedrijf worden gesteld op grond van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren. Het belang van appellanten om mede met het oog op de eisen die aan het bedrijf zullen worden gesteld op grond van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren te kunnen uitbreiden, moet minder zwaarwegend worden geoordeeld dan het belang dat met de uitvoering van de Rwc wordt gediend. Om de belangen in evenwicht te houden voorziet de Rwc in een schadevergoedingsregeling.

Appellanten zullen, indien het bedrijf ten gevolge van de vaststelling van het reconstructieplan schade lijdt, een beroep kunnen doen op de schadevergoedingsregeling van artikel 30, eerste lid, van de Rwc, indien wordt voldaan aan de daarin gestelde voorwaarden.

2.48.3.2.    Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders respectievelijk de Minister en de Staatssecretaris in zoverre niet in redelijkheid het reconstructieplan hebben kunnen vaststellen en het goedkeuringsbesluit hebben kunnen nemen. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het plan en het goedkeuringsbesluit op dit punt anderszins zijn voorbereid en genomen in strijd met het recht.

2.48.3.3.    Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellanten sub 55] voorzover ontvankelijk in zoverre ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 56]

Het standpunt van appellante

2.49.    Appellante stelt dat haar bedrijfsvestigingen in Veulen en Castenray in het reconstructieplan ten onrechte in een verwevingsgebied zijn opgenomen. Zij is van mening dat de gronden hadden moeten worden aangemerkt als landbouwontwikkelingsgebied. Appellante meent dat de gronden in het POL ten onrechte als "Vitaal landelijk gebied (P4)"-gebied zijn aangemerkt.

Appellante motiveert haar bezwaren tegen de zonering door erop te wijzen  dat het grondwaterbeschermingsgebied Breehei ten onrechte als kwetsbaar is aangemerkt in het reconstructieplan. Zij betoogt dat de aanwijzing als kwetsbaar grondwaterbeschermingsgebied in strijd is met de PMV en niet voldoende is gemotiveerd. Appellante vreest dat de aanwijzing tot beperkingen leidt voor de bedrijfsvoering van haar agrarische bedrijven voorzover deze liggen binnen het gebied Breehei.

Het standpunt van verweerders

2.49.1.    Verweerders achten het aanwijzen van de kwetsbare grondwaterwinningen als landbouwontwikkelingsgebied in strijd met het preventieve beleid voor grondwaterbeschermingsgebieden. Zij hebben daarom bepaald dat landbouwontwikkelingsgebieden niet kunnen samenvallen met kwetsbare grondwaterbeschermingsgebieden. Tot de kwetsbare winningen wordt vanwege de kwetsbare geologische bescherming naast de freatische winningen ook de niet-freatische winning Breehei in Venray gerekend. Verweerders hebben daarom het grondwaterbeschermingsgebied Breehei binnen de zone verwevingsgebied opgenomen.

Volgens verweerders brengt voor een bestaande intensieve veehouderij binnen kwaliteitsprofiel "Het Intensieve Hart" de ligging in verwevingsgebied geen extra beperkingen met zich ten opzichte van de ligging in landbouwontwikkelingsgebied. Uitbreidingsmogelijkheden van de bouwkavel zullen in beide gevallen concreet worden bepaald door de uitkomsten van een bouwkavel op maat plus (BOM+)-toets, aldus verweerders.

2.49.1.1.    Wat betreft de situatie van appellante hebben verweerders gesteld dat de aanwijzing van haar gronden als verwevingsgebied onder meer is gebaseerd op de ligging in het grondwaterbeschermingsgebied Breehei.

Vaststelling van de feiten

2.49.2.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.49.2.1.    Appellante exploiteert drie varkensbedrijven en een akkerbouwbedrijf aan de [locatie 61] en [locatie 62] te [plaats], de [locatie 63] te [plaats] en de [locatie 64] te [plaats]. Blijkens kaart 1.2 van het reconstructieplan liggen de huispercelen van de Hoogriebroeksestraat en de Houbenweg in een verwevingsgebied met bovengrens bouwkavel.

2.49.2.2.    De huispercelen aan de Hoogriebroeksestraat en de Houbenweg maken blijkens kaart 1 van het POL deel uit van het gebied dat is aangeduid als "Vitaal landelijk gebied (P4)".

2.49.2.3.    Op pagina A-76 van het reconstructieplan staat vermeld dat voor grondwaterbeschermingsgebieden op grond van het POL een preventief beschermingsbeleid geldt (vermijden van risico's voor grondwatervervuiling).

Op kaart 7.2 van het reconstructieplan, Stimulering water: verbeteren bodem- en waterkwaliteit, zijn de kwetsbare grondwaterbeschermingsgebieden aangeduid. Blijkens pagina D-133 van het reconstructieplan betreft dit de gebieden die niet of onvoldoende worden afgedekt met beschermende kleilagen. Het grondwaterbeschermingsgebied Breehei is niet als zodanig in het POL opgenomen. Door het ontbreken van afdoende beschermende kleilagen wordt dit in het reconstructieplan aangemerkt als kwetsbaar grondwaterbeschermingsgebied. Extensivering van het grondgebruik dan wel het uit productie nemen van deze gronden (groene bescherming) biedt een garantie dat het voor drinkwaterbereiding bestemde grondwater op een duurzame wijze wordt beschermd.

2.49.2.4.    Blijkens pagina 153 van het POL is het provinciale beleid erop gericht het aantal winningen voor drinkwater terug te dringen, terwijl de resterende winningen meer bescherming wordt geboden. Deze bescherming wordt bereikt door geologische bescherming, bestaande uit het voorkomen van aantasting van de afschermende lagen, en de zogeheten groene bescherming, bestaande uit stimulering van activiteiten die in overeenstemming zijn met de bescherming van de grondwaterkwaliteit. Nieuwe activiteiten die risicovol zijn voor de waterwinning zijn niet toegestaan. Wat betreft de winningen in de zogeheten Venloschol, waartoe het gebied Breehei behoort, vermeldt het POL dat er zowel geologische bescherming als (een beperkte) groene bescherming komt.

De basis van de beschermingsregeling wordt blijkens het POL gevormd door de PMV.

Blijkens kaart 4.1 van het POL, Kristallen waarden, is het grondwaterbeschermingsgebied Breehei als niet-freatisch grondwaterbeschermingsgebied aangemerkt.

2.49.2.5.    Op de bij de PMV behorende kaart Noord is het gebied Breehei aangeduid als niet-freatisch grondwaterbeschermingsgebied, tevens kwetsbaar gebied.

2.49.2.6.    In het deskundigenbericht is vermeld dat blijkens een onderzoeksrapport van de NV Waterleiding Maatschappij Limburg uit 2003 de winning Breehei niet-freatisch is, maar dat wel freatische invloeden worden verwacht.

2.49.2.7.    Appellante heeft niet gemotiveerd betwist dat de kleilagen in het grondwaterbeschermingsgebied Breehei onvoldoende geologische bescherming bieden.

2.49.2.8.    Blijkens de parlementaire geschiedenis van de Rwc vormt de zogeheten watersysteembenadering, dat wil zeggen de onderlinge afstemming van waterhuishouding, ruimtelijke ordening en natuur- en milieubeleid, waarbij de gewenste grondwatersituatie als basis voor de inrichting van een gebied wordt genomen, een belangrijk aangrijpingspunt voor herstel en verbetering van de ecologische en ruimtelijke kwaliteit van de reconstructiegebieden. Uit de Memorie van Toelichting wordt voorts gesteld dat de watersysteembenadering bij de keuze van de plaats en inrichting van de ontwikkelingsgebieden voor de veehouderij, maar ook bij de nadere begrenzing en inrichting van de ecologische hoofdstructuur, een rol zal moeten spelen (Kamerstukken II 1998/99, 26356, nr. 3, p. 12 (MvT)).

Het oordeel van de Afdeling

2.49.3.    Gelet op de parlementaire geschiedenis van de Rwc en de bewoordingen van artikel 4 van de Rwc in aanmerking genomen, bestaat geen grond voor het oordeel dat de grondwaterbescherming buiten de doelstellingen en het afwegingskader van de wet valt.

2.49.3.1.    Het standpunt van verweerders dat de mogelijkheid om in  landbouwontwikkelingsgebieden binnen het kwaliteitsprofiel "Het Intensieve Hart" grootschalige projectvestigingen te ontwikkelen onverenigbaar is met de functie van grondwaterbeschermingsgebied, is voldoende gemotiveerd en niet onredelijk.

Niet aannemelijk is gemaakt dat voor bestaande intensieve veehouderijen binnen het kwaliteitsprofiel "Het Intensieve Hart" de ligging in een verwevingsgebied ten opzichte van de ligging in een landbouwontwikkelingsgebied extra beperkingen met zich brengt.

Gelet op de vorenstaande feiten en omstandigheden alsmede de stukken en het verhandelde ter zitting, bestaat in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders het grondwaterbeschermingsgebied Breehei niet als kwetsbaar hebben kunnen aanmerken. Van de door appellante gestelde tegenstrijdigheid met de PMV is geen sprake, nu het gebied Breehei ook volgens de bij de PMV behorende kaart als kwetsbaar is aangemerkt.

2.49.3.2.    In hetgeen appellante heeft aangevoerd bestaat evenmin aanleiding voor het oordeel dat verweerders in dit geval niet in redelijkheid hebben kunnen vasthouden aan het in het POL aan de betrokken percelen toegekende gebiedsperspectief "Vitaal landelijk gebied (P4)".

De Afdeling neemt mede in aanmerking ten aanzien van de ontwikkelingsmogelijkheden van het bedrijf dat de bouwkavel binnen het verwevingsgebied ligt. Anders dan bij extensiveringsgebieden sluit het reconstructieplan uitbreiding van de bebouwing buiten de bouwkavel niet uit.

2.49.3.3.    Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders respectievelijk de Minister en de Staatssecretaris in zoverre niet in redelijkheid het reconstructieplan hebben kunnen vaststellen en het goedkeuringsbesluit hebben kunnen nemen. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het plan en het goedkeuringsbesluit op dit punt anderszins zijn voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.49.4.    Het beroep van [appellante sub 56] is ongegrond.

PROCESKOSTENVEROORDELING

2.50.    Verweerders dienen ten aanzien van [appellanten sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 5], [appellant sub 9], [appellante sub 11], [appellant sub 21], [appellante sub 24], [appellant sub 29], [appellant sub 32], [appellant sub 35], [appellante sub 41], [appellant sub 46], [appellante sub 47], [appellante sub 52], [appellante sub 54], [appellanten sub 55], [appellant sub 57] en [appellante sub 59] op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Ten aanzien van [appellanten sub 49] is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Wat betreft de overige appellanten bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

2.50.1.    Nu zowel onderdelen van de vaststelling van het reconstructieplan door provinciale staten van Limburg als de goedkeuring hiervan door de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer worden vernietigd, acht de Afdeling het redelijk provinciale staten, voor de helft, en de Minister en de Staatssecretaris, gezamenlijk voor de helft, te veroordelen tot vergoeding van in verband met de behandeling van de in de beslissing nader genoemde beroepen opgekomen proceskosten. De betaling van de bedragen aan appellanten dient door de provincie Limburg te geschieden.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart de beroepen van [appellante sub 4], het college van burgemeester en wethouders van Beesel, [appellante sub 16],  [appellante sub 23], [appellante sub 27], [appellant sub 42], Stichting Werkgroep Behoud de Peel en [appellant sub 58], in hun geheel, de beroepen van [appellanten sub 1], [appellant sub 2], [appellante sub 7], [appellant sub 9], [appellante sub 10],  [appellante sub 11], [appellante sub 14], [appellanten sub 15], [appellante sub 24], [appellant sub 29], [appellante sub 31], [appellant sub 32], [appellant sub 35], [appellant sub 39], [appellante sub 41], [appellante sub 42], [appellant sub 46], [appellante sub 52], [appellante sub 53] en [appellanten sub 55] met betrekking tot de financiering van bedrijfsverplaatsingen, het beroep van [appellante sub 13] met betrekking tot [locatie 1] te [plaats], het beroep van [appellante sub 17] met betrekking tot de stimuleringskaart en de financiering van bedrijfsverplaatsingen, het beroep van [appellant sub 21] met betrekking tot het kwaliteitsprofiel "Waardevol regionaal landschap", en het beroep van [appellante sub 59] met betrekking tot het gebiedsperspectief aangaande de zandwinlocatie, niet-ontvankelijk;

II.    verklaart de beroepen van [appellant sub 5], [appellante sub 47], [appellante sub 54] en [appellant sub 57], in hun geheel, de beroepen van [appellanten sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 9], [appellante sub 11], [appellant sub 21], [appellant sub 29], [appellant sub 32], [appellante sub 41], [appellante sub 52] en [appellante sub 59], alle voorzover ontvankelijk, de beroepen van [appellante sub 24], [appellant sub 35], [appellant sub 46] en [appellanten sub 55], voorzover ontvankelijk gedeeltelijk, en het beroep van [appellanten sub 49], gedeeltelijk, gegrond;

III.    vernietigt het besluit van provinciale staten van Limburg van 5 maart 2004 voorzover:

1.    de bouwkavel op het perceel [locatie 14] te [plaats] van [appellanten sub 1] gedeeltelijk als extensiveringsgebied en gedeeltelijk als verwevingsgebied is aangeduid evenals de overige gronden op het perceel van [appellanten sub 1];

2.    de bouwkavel op het perceel [locatie 15] te [plaats] van [appellant sub 2] gedeeltelijk als extensiveringsgebied en gedeeltelijk als verwevingsgebied met bovengrens bouwkavel is aangeduid evenals de overige gronden op het perceel van [appellant sub 2] en de bestreden zonering als extensiveringsgebied van de gronden ten westen van de bouwkavel;

3.    is voorzien in een varkensvrije zone ter plaatse van de bouwkavel van [appellant sub 5] aan de [locatie 3] te [plaats];

4.    het huisperceel aan de [locatie 24] te [plaats] van [appellant sub 9] als extensiveringsgebied is aangewezen evenals de overige gronden op het perceel van [appellant sub 9];

5.    de bouwkavel op het perceel [locatie 5] te [plaats] van [appellante sub 11] gedeeltelijk als extensiveringsgebied en gedeeltelijk als verwevingsgebied met bovengrens bouwkavel is aangeduid evenals de overige gronden op het perceel van [appellante sub 11];

6.    de bouwkavel op het perceel [locatie 6] te [plaats] van [appellant sub 21] gedeeltelijk als extensiveringsgebied en gedeeltelijk als verwevingsgebied met bovengrens bouwkavel is aangeduid evenals de overige gronden op het perceel van  [appellant sub 21];

7.    de bouwkavel op het perceel [locatie 7] te [plaats] van [appellant sub 29] gedeeltelijk als extensiveringsgebied en gedeeltelijk als verwevingsgebied met bovengrens bouwkavel is aangeduid evenals de overige gronden op het perceel van [appellant sub 29];

8.    de bouwkavel op het perceel [locatie 8] te [plaats] van [appellant sub 32] gedeeltelijk als extensiveringsgebied en gedeeltelijk als verwevingsgebied met bovengrens bouwkavel is aangeduid evenals de overige gronden op het perceel van [appellant sub 32];

9.    de bouwkavel op het perceel [locatie 59] te Bergen van [appellant sub 49 C] gedeeltelijk als extensiveringsgebied en gedeeltelijk als verwevingsgebied met bovengrens bouwkavel is aangeduid evenals de overige gronden op het perceel van [appellant sub 49C];

10.    de bouwkavel op het perceel [locatie 9] te [plaats] van [appellante sub 41] gedeeltelijk als extensiveringsgebied en gedeeltelijk als verwevingsgebied met bovengrens bouwkavel is aangeduid evenals de overige gronden op het perceel van [appellante sub 41];

11.    de bouwkavel op het perceel [locatie 10] te [plaats] van [appellant sub 46] gedeeltelijk als extensiveringsgebied en gedeeltelijk als verwevingsgebied met bovengrens bouwkavel is aangeduid evenals de overige gronden op het perceel van [appellant sub 46];

12.    is voorzien in een varkensvrije zone ter plaatse van de bouwkavel van het bedrijf van [appellante sub 47] aan de [locatie 4] te [plaats];

13.    de bouwkavel op het perceel [locatie 11] te [plaats] van [appellante sub 52] gedeeltelijk als extensiveringsgebied en gedeeltelijk als verwevingsgebied zonder bovengrens bouwkavel is aangeduid evenals de overige gronden op het perceel van [appellante sub 52];

14.    de bouwkavel op het perceel [locatie 12] te [plaats] van [appellante sub 54] gedeeltelijk als extensiveringsgebied en gedeeltelijk als verwevingsgebied met bovengrens bouwkavel is aangeduid evenals de overige gronden op het perceel van [appellante sub 54];

15.    de bouwkavel op het perceel [locatie 13] te [plaats] van [appellant sub 57] gedeeltelijk als extensiveringsgebied en gedeeltelijk als verwevingsgebied met bovengrens bouwkavel is aangeduid evenals de overige gronden op het perceel van [appellant sub 57];

16.    de bouwkavel aan de [locatie 17] te [plaats] van [appellanten sub 55] als extensiveringsgebied is aangewezen evenals de overige gronden op het perceel van [appellanten sub 55];

17.    de productielocatie van [appellante sub 59] als P2 gebied is aangemerkt en

18.    het de bepalingen betreft dat vormverandering van de bouwkavel van een intensieve veehouderij wordt beschouwd als uitbreiding en niet is toegestaan in extensiveringsgebieden;

IV.    vernietigt het besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 22 april 2004 wat betreft de goedkeuring van de onder III. genoemde planonderdelen;

V.    verklaart de beroepen van [appellant sub 3], [appellante sub 6], [appellante sub 12], [appellant sub 18], [appellante sub 19], [appellanten sub 20], [appellante sub 22] [appellant sub 25], [appellante sub 26], [appellante sub 28], [appellante sub 30], [appellante sub 33], [appellant sub 34], [appellant sub 36], [appellant sub 37], [appellante sub 38], [appellant sub 40], [appellante sub 44], [appellant sub 48], Turkeyfarm Ospel B.V., [appellante sub 51] en [appellante sub 56], in hun geheel, en de beroepen van [appellante sub 7], [appellante sub 10], [appellante sub 13], [appellante sub 14], [appellanten sub 15], [appellante sub 17], [appellante sub 24], [appellante sub 31], [appellant sub 35], [appellant sub 39], [appellante sub 42], [appellant sub 46], [appellanten sub 49], [appellante sub 53] en [appellanten sub 55], voor het overige, ongegrond;

VI.    veroordeelt provinciale staten van Limburg, de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer gezamenlijk tot vergoeding van bij de hierna te noemen appellanten in verband met de behandeling van de beroepen opgekomen proceskosten. Deze bedragen dienen door de provincie Limburg onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald aan:

1.    [appellanten sub 1] € 483,00 (zegge: vierhonderddrieëntachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

2.    [appellant sub 2] € 483,00 (zegge: vierhonderddrieëntachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

3.    [appellant sub 5] € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

4.    [appellant sub 9] € 1.159,63 (zegge: elfhonderdnegenenvijftig euro en drieënzestig cent), waarvan een gedeelte groot € 805,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

5.    [appellante sub 11] € 483,00 (zegge: vierhonderddrieëntachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

6.    [appellant sub 21] € 859,63 (zegge: achthonderdnegenenvijftig euro en drieënzestig cent), waarvan een gedeelte groot € 805,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

7.    [appellante sub 24] € 483,00 (zegge: vierhonderddrieëntachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

8.    [appellant sub 29] € 483,00 (zegge: vierhonderddrieëntachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

9.    [appellant sub 32] € 483,00 (zegge: vierhonderddrieëntachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

10.    [appellant sub 35] € 483,00 (zegge: vierhonderddrieëntachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

11.    [appellante sub 41] € 483,00 (zegge: vierhonderddrieëntachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

12.    [appellant sub 46] € 859,63 (zegge: achthonderdnegenenvijftig euro en drieënzestig cent), waarvan een gedeelte groot € 805,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

13.    [appellante sub 47] € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

14.    [appellante sub 52] € 483,00 (zegge: vierhonderddrieëntachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

15.    [appellante sub 54] € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

16.    [appellanten sub 55] € 1.158,23 (zegge: elfhonderdachtenvijftig euro en drieëntwintig cent), waarvan een gedeelte groot € 805,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

17.    [appellant sub 57] € 886,87 (zegge: achthonderdzesentachtig euro en zevenentachtig cent), waarvan een gedeelte groot € 805,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en

18.    [appellante sub 59] € 805,00 (zegge: achthonderdenvijf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII.    gelast dat de provincie Limburg aan [appellant sub 2], [appellanten sub 1], [appellant sub 5], [appellant sub 9], [appellant sub 21], [appellant sub 29], [appellant sub 32], [appellant sub 35], [appellant sub 46], [appellanten sub 49], en [appellant sub 57], elk afzonderlijk, het door hen voor de behandeling van hun beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 136,00 (zegge: honderdzesendertig euro) vergoedt, en aan [appellante sub 11], [appellante sub 24], [appellante sub 41], [appellante sub 47], [appellante sub 52], [appellante sub 54], [appellanten sub 55] en [appellante sub 59], elk afzonderlijk, het door hen voor de behandeling van hun beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 273,00 (zegge: tweehonderddrieënzeventig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, Voorzitter, en mr. R.J. Hoekstra en mr. M.W.L. Simons-Vinckx, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel    w.g. Bindels

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2005

85-400-449.